In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Groeit bij Rome een andere leer over de kerk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Groeit bij Rome een andere leer over de kerk?

8 minuten leestijd

„Katholieke Stemmen" (een blad van behoudende r.-katholieken) van nov. 78 bevatte een bijzonder interessant artikel van prof. dr. J. P. M. van der Ploeg, getiteld: „Een nieuw ecclesiologie?" (=leer over de kerk).

Hij vertelt hoe dr. de Saventhem in Rome had gepleit voor handhaving van de oude liturgie naast de nieuwe en dat Kard. Benelli hem toen had geantwoord: „Degenen die de oude Mis moeten hebben, hebben een andere ecclesiologie". (Benelli was een belangrijke kandidaat bij de laatste pauskeuzen).

Prof. v.d. Ploeg is daar erg door geschokt en gaat dan na waarin zulk een nieuwe leer over de kerk dan wel zou kunnen bestaan. Hij geeft dan drie nieuwe trekken die men aan de kerk toekent, of althans drie gedachten die tot ontwikkeling zijn gekomen en die een ander beeld van de kerk met zich meebrengen.

1. De ruimte van de kerk is veel groter geworden

Wij citeren:

In vroeger tijden werd het als belangrijk beschouwd op de eerste plaats te weten, wie lid is van de Kerk en wie niet. Men behoorde tot de Kerk, of men behoorde er niet toe. Daarom kon iemand worden geëxcommuniceerd; excommunicatie werd in de Kerk toegepast vanaf de dagen van de H. Paulus (cf. 1 Cor. 5: 4-5; Tim. 1:20) tot nog heel kort geleden. De Codex van de Canonieke Recht geeft de regels van excommunicatie (cf. can. 2257-2267) en haar gevolgen met betrekking tot degenen, die „anathema" worden verklaard (can. 2257,2). (Verklari ng van vreemde woorden: Excommunicatie= kerkelijke ban; anathema= vervloeking.)

Onder het pontificaat van Paulus VI bleef excommunicatie (theoretisch) nog mogelijk, maar nooit werd zij door het Centrale Gezag toegepast.Dikwi jls werden de ergste ketters zelfs niet gestraft, laat staan geëxcommuniceerd. Geen ketters boek werd officieel en plechtig veroordeeld. Bisschoppen, die in het openbaar kritiek uitoefenen op een leerstellige pauselijke encycliek zoals HUMANAE VITAE of haar feitelijk verwerpen (zoals de Nederlandse bisschoppen deden), werden zelfs niet openlijk terechtgewezen door de regerende Paus.

Na en onder het Tweede Vaticaans Concilie is van bepaalde zijden meer dan ooit tevoren waarde gehecht aan leer- en instellingen, die de Christenen verenigen, dan aan die hen verdelen. In een tijd als de onze, waarin onze hele beschaving bedreigd wordt door cultureel en politiek atheïsme, is dit heel goed te begrijpen en dit verklaart zelfs, waarom een Romeins Secretariaat betrekking tot stand tracht te brengen met de Islam, deze oude, bittere en wrede vijand van de Christenheid, teneinde het geloof in één God verdedigen. Maar de wezenlijke verschillen moeten nooit over het hoofd worden gezien en nog minder zo klein mogelijk worden gemaakt, en de geëigende beslissingen moeten worden genomen. Nooit kan de Kerk de waarheid handhaven, zonder ketterij en dwaling te veroordelen; zolang zij wenst te blijven wat zij altijd was, moet zij hen, die haar geloof niet delen, uitsluiten. Een weigering dit te doen brengt de hele Kerk in gevaar.

Nu zien we, dat het Tweede Vaticaans Concilie een bijzondere nadruk heeft gelegd op de leer, of de gedachte, van gedeeltelijke gemeenschap (communio) met de Kerk. In Duitsland heeft Dr. Athanasius Kröger OSB onlangs de aandacht gevestigd op het feit, dat in het conciliare decreet over het Oecumenisme de gedachte van „onvolmaakte gemeenschap" (communio) met de Kerk een heel belangrijke, zelfs een hoofdgedachte is . In de loop van de tijd, zegt het Decreet, ontstonden christelijke gemeenschappen, die buiten „de volle gemeenschap" (plena communio) met de Katholieke Kerk staan. Het Decreet gaat verder met te zeggen, dat „allen, die in Christus geloven en gedoopt zijn, in zekere gemeenschap staan met de Katholieke Kerk, hoewel niet in volmaakte gemeenschap" (Nr. 3). Buiten de zichtbare grenzen van de Katholieke Kerk worden „bestanddelen" (elementa) gevonden, die tot de Kerk van Christus behoren: het geschreven Woord van God, het genadeleven, de theologische deugden, innerlijke gaven van de Heilige Geest en zichtbare bestanddelen (Nr. 3). In de dogmatische Constitutie over de Kerk (Lumen Gentium) was dezelfde gedachte al uitgedrukt. In Nr. 14 spreekt deze Consitutie over hen, die „volledig zijn opgenomen in het lichaam van de Kerk", en in Nr. 15 over die Christenen, die niet het hele geloof van de Katholieke Kerk belijden, noch de „eenheid van gemeenschap onder de Opvolger van Petrus", maar waarmee desondanks „de Kerk om verschillende redenen is verbonden" (coniuncta).

In de Verklaring over de betrekkingen van de Kerk met de niet-christelijke godsdiensten wordt gezegd, dat die godsdiensten niet zelden „een straal van die Waarheid, die alle mensen verlicht" weerkaatsen; alleen in Christus vinden zij „de volheid van godsdienstig leven" (Nr. 2). Het woord communio is vermeden, niet het woord plenitudo. Maar in Nr. 1 van dezelfde verklaring wordt gezegd, dat alle volkeren der aarde een gemeenschap (communitas) vormen. Maar zij, die een gemeenschap vormen, staan in gemeenschap met elkaar, waaruit men gemakkelijk kan besluiten, dat er ook een zekere godsdienstige communio in verschillengraden is met hen, die heidense godsdiensten belijden.

Volgens canon 2314 van de tegenwoordige Codex van het Kerkelijk Recht, worden zij, die van het katholieke geloof afvallen, ketters en scheurmakers, geëxcommuniceerd en zij moeten ontheven wordenvan de ambten, die zij in de Kerk bekleden (zie ook canon 2316-2318). De voorschriften van deze canons zijn, op z'n zachtst gezegd, zeer redelijk en in de lijn van het katholieke begrip der Kerk en haar oudste tradities. Nu worden ze nauwelijks nagekomen: er kunnen ketterse bisschoppen zijn (bijvoorbeeld degenen, die openlijk heel de ketterse „hollandse katechismus" verdedigen) en een menigte theologen en theologieprofessoren (om van anderen niet te spreken), die openlijk een of meer geloofsartikelen, of zelfs de grondslagen ervan ontkennen (modernisten). Hoewel de Heilige Stoel ten opzichte van sommigen van hen niet geheel onwerkzaam is, worden zij niet officieel en in het openbaar veroordeeld en nog minder geëxcommuniceerd. Hun „gemeenschap" (onvolmaakte) met de Kerk of de Heilige Stoel mag niet worden verbroken. Voor veel gelovigen mag hun aanwezigheid in de zichtbare Kerk ondragelijk zijn, velen mogen hun geloof verliezen vanwege de dwalingen die vanaf kansels en leerstoelen binnen de Kerk worden verkondigd, zij worden niet weggezonden. De gedachte van „gemeenschap" (hoewel onvolmaakt) overheerst die van orthodoxie. Dit is een belangrijke verandering, niet alleen in het beleid van de Kerk, maar zelfs in haar ecclesiologie, dat wil zeggen de theologische conclusies en de praktische gevolgtrekkingen daaruit, die met betrekking tot de Kerk uit het geloof moeten worden afgeleid. „Gemeenschap" wordt als belangrijker dan al het andere beschouwd, nooit en nergens mag zij worden verbroken, maar zij moet gehandhaafd en versterkt worden. Niets heeft in de 16de eeuw de breuk in de Kerk zozeer bevorderd als de illusie, dat er geen breuk was, heeft H. Jedin geschreven. „Geen breuk" is nu wachtwoord geworden.

In mindere mate is dit ook van toepassing op hen, die het christelijk geloof niet belijden of die in 't geheel geen geloof hebben. „Gemeenschap" met hen moet worden aangemoedigd en bevorderd, waar dit mogelijk is. De Plaatsbekleder van Christus moet meer en meer niet alleen de Vader van de Katholieke Kerk en van alle Christenen, maar ook van de hele mensheid worden, hoewel dit op het ogenblik alleen in verschillende mate kan. Alle mensen zouden steeds meer tot de katholieke waarheid getrokken moeten worden, in afwachting van hun volle gemeenschap met de Kerk van Christus. Om deze grootse gedachte te verwezenlijken zou geen offer te groot moeten zijn, zelfs niet het offer van innerlijke strijd en groeiende onenigheid in de Kerk, het verlies van roepingen tot priester en kloosterling, de ontrouw van zovele gewijde bedienaren van de Kerk en van hen, die hun leven aan de Heer hebben toegewijd, het verlies van het geloof van honderdduizenden of miljoenen. Er zijn enkele aanwijzingen, dat het mogelijk is dat Paulus VI onderschat heeft, of zelfs alles niet wist, wat er werkelijk in de Kerk gebeurt, zoals toen wij hem in een Consistorie tot de verzamelde Kardinalen hoorden zeggen, dat er slechts enkele ketters in de Kerk zijn, maar dat ze hard roepen. Wij weten hoeveel er zijn: legioen, zeer veel. De tegenwoordige toestand van de Kerk is buitengewoon ernstig, maar zoals het in vroeger tijden gebeurde (wij denken aan de 16e eeuw en de protestantse reformatie): de ware betekenis van de feiten en hun hoogst ernstig karakter, de bedreiging, die zij voor de hele Kerk betekenen, wordt te langzaam opgemerkt door die Romeinse prelaten en bestuurders, die het beleid van het Centrale Gezag van de Kerk bepalen of beïnvloeden. Op het ogenblik heeft de ideologie van de wereldwijde gemeenschap met iedereen en het niet afsnijden van een bestaande binding of betrekking de overhand, als groter bestanddeel, of misschien wel het hoofdbestanddeel van het kerkelijk beleid.

aldus Prof. v.d. Ploeg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Groeit bij Rome een andere leer over de kerk?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's