Eerst lammeren, dan schapen
Dat is de titel van een bundel meditaties en preken door ds. Joh. v. d. Poel, predikant der Oud Geref. Gemeente in Nederland te Ede, uitg. Boekhandel G. J. van Horssen, Barneveld ƒ 28,50.
Ik heb enkele vragen over dit boek, die ik graag aan u, lezers, wil voorleggen. 1. De inleiding bestaat uit een prachtig „gebed van een Arabier, in het Nederlands vertaald uit een oud handschrift". Uit dat gebed spreekt zulk een zuiver en algeheel zondebesef, dat ik mij daar geheel in vinden kan. Dit is de beschaamdheid van een zondaar, die zichzelf heeft gezien in de diepte en in de omvang van zijn schuld tegenover de heilige God.
Maar zulk een ervaring van je eigen duisternis kun je alleen hebben, wanneer het licht van Gods Woord en van Zijn Geest op je valt. Het deed mij denken aan een vuurtoren, die zijn zwaailichten doet cirkelen op een donkere omgeving, op de zee, de duinen en het land. In een flits zie je dan telkens de contouren van bomen, huizen en schepen opdoemen. Zo valt bij zulk een ervaring telkens de flits van Gods heiligheid over ons leven en brengt ons tot een nameloze verootmoediging. Maar … dit is enkel genade, die aan de een meer, aan de ander minder gegeven wordt. En ik kreeg een beetje de indruk dat deze diepe verbrokenheid als een soort model voor allen wordt voorgesteld. In die indruk werd ik versterkt door wat ds. v. d. Poel schrijft op blz. 25: „Het Evangelie dat een openbaring is van de onveranderlijke wille Gods, heeft te veel gekost om het te schenken aan iemand die maar half benauwd en verloren is".
Hoe weet ds. v. d. Poel dat? Uit de Bijbel? Ik lees daar nergens een onderscheid tussen halve en hele benauwde mensen. Ik lees daar nergens over voorwaarden die God zou hebben gesteld, iets dat wij gedaan of beleefd zouden moeten hebben om in genade aangenomen te kunnen worden.
Ik lees daarin wel dat Christus slechts gekomen is om zondaars te redden.
Iemand die meent dat hij op grond van zijn goeie gedrag bij God zou kunnen gerechtvaardigd worden, gaat voor eeuwig verloren.
Ik lees ook het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid. Er kunnen mensen zijn die de schijn van de godsvrucht hebben, maar niet de werkelijkheid. Maar als iemand oprecht voor God zijn schuld en verlorenheid belijdt, dan lees ik nergens dat de Heere behalve de oprechtheid van de zondebelijdenis ook nog een bepaalde diepte van verslagenheid eist, wil Hij Zijn vergeving schenken.
Er zijn mensen die in het licht van Gods Woord en Geest duidelijk hebben gezien en erkend dat ze de eeuwige dood hebben verdiend en slechts op grond van het verzoenende werk van Christus in genade worden aangenomen. Ze zien echter niet de volle diepte van hun schuld. (Wie kan wél de volle diepte daarvan peilen? Dat kan immers niemand van ons, want dan zou je volkomen God moeten kennen om te weten en te beseffen, hoe vreselijk de zonde is, die zich keert tegen deze God van blinkende majesteit). Ze voelen het wel vaag aan, dat hun schuld veel groter is dan ze ervaren. Wie zou dan op grond van de Bijbel durven zeggen dat dergelijke mensen daarom verloren zouden gaan? Wat betekenen dan nog de woorden: „Die wil, neme het water des levens om niet" (Openb. 22:17). OM NIET! Wij mogen niet afdoen van de onbegrensde barmhartigheid Gods in Jezus Christus.
Wellicht is ds. v. d. Poel het hierin met mij eens, maar zijn boek geeft hier en daar een andere indruk.
2. Een tweede iets dat ik niet goed begrijp, is dat v.d. P. zeer schampere termen bezigt tegenover anderen, die volgens hem er te licht over denken, bv: „Ik vroeg eens aan zo'n waterhoofd …". „Ik antwoordde: Dat bent uzelf man! U zou gelukkig zijn als u een blaasbalg was, want dan kon ik er in prikken en dan zou u eens zien wat een bedorven lucht er uit kwam. Het zou erger zijn dan de lucht, die verspreid wordt door een hond die al een week dood is" (p. 36).
Ik dacht dat een mens die voor en door God verbroken werd en de wonderbare genade in Jezus Christus heeft ervaren, altijd iets milds over zich heeft. En is dat niet in strijd met het gebod des Heeren: „Wie tot zijn broeder zegt: Raka (= leeghoofd), die zal strafbaar zijn door de Grote Raad; maar wie zegt Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helse vuur" (Mat. 5:22).
Zeker, wij moeten aan hen die zich niet bekeerd hebben, duidelijk het oordeel aankondigen, maar we moeten daarbij toch ook dit gebod des Heeren voor ogen houden.
3. Een derde vraag die ik wilde stellen, luidt: Werkt ds. v. d. P. niet hier en daar met dogmatische redeneringen? Eén voorbeeld: „Men maakt zich door de zonde verwerpelijk, hoewel men verworpen is, vóór men gezondigd heeft. God mag haten wie Hij wil haten en ook lieven en verkiezen wie Hij wil." (p. 21).
Is dat wel bijbels? Zeker, je bouwt op deze manier een logisch kloppend systeem over God op, wanneer je aldus liefde en haat in God volkomen naast elkaar plaatst. Maar ik lees wel in de Bijbel: „God is Liefde" (1 Joh. 4:16), maar nergens: „God is Haat".
De Bijbel laat mij zien dat God innerlijk gericht is op het goed en pas als gevolg daarvan is gekeerd tegen het kwade. De haat komt niet op dezelfde manier uit God voort als de liefde. De God van de Bijbel is een levende God vol onnaspeurbare verborgenheden, een God die onze menselijke schema's en systemen die wij over Hem willen opzetten, telkens weer omstoot. Daarom is er maar één weg om de waarachtige God te kennen en dat is: afzien van elke steun op onze eigen redeneringen, want die zijn ook van de zonde doortrokken, en opzien naar Hem zoals Hij Zich in Zijn Woord aan ons wil openbaren.
4. En dan nog een laatste vraag. In dit boek komt bijna uitsluitend één aspekt van de Bijbel naar voren nl. de verbrokenheid van de zondige mens voor de heilige God en het zoeken naar de zekerheid van de vergeving der zonden. Maar de Bijbel openbaart ons zoveel meer. Dat is juist de diepste beschaming, waar wij maar moeilijk kunnen (en willen?) aanvaarden. Dat God niet volstaat met ons zondaars, vrij te spreken van de eeuwige schuld die wij verdiend hadden, maar ons ook overlaadt met Zijn hemelse zegeningen: „Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Ef. 1 : 3 enz.). Van deze uitbundige lofzang op Gods goedertierenheid bemerk ik weinig in deze bundel van ds. v.d. P.
Nu kunnen wij in één boek natuurlijk niet alles behandelen. Maar ik zou dan toch graag gezien hebben dat met enkele woorden verwezen werd naar al die andere rijkdommen van Gods genade, naar de „onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8) die wij in Christus hebben. God is zo geheel anders dan wij. Het is Hem niet genoeg onze zonden te vergeven, maar Hij wil ons zelfs „aan de Goddelijke natuur deelachtig" (2 Petr. 1:4) maken. Laten wij Hem ook daarvoor danken en roemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
