GESPREK MET GOD… MIJN VADER
God, de eerbied voor uw wezen gaat nu door heel mijn lichaam heen en trilt tot in de toppen van mijn vingers. God, Gij alleen bestaat eigenlijk. Al het andere is waan. Ik ben maar een droom. God, o almachtige!
Zie, uw schepsel keert naar U terug. Hoor de lof van mijn lippen. Uw maaksel prijst U. O er is zo'n intens verlangen naar U in mij. Ik dorst naar U. Ik ben zo eenzaam. Buiten waait de wind en mijn vensters schudden even. En hier op mijn kamer zit ik, een vlammetje in de nacht van de tijd, en spreek met U. Gij zijt nu zo nabij en toch ook zo ver af. Ik proef uw aanwezigheid en toch kan ik U niet benaderen. Mijn hoofd buigt zich vanzelf voor U neer. Alles in mij is ontzag voor U. Hoe jammer dat ik zo beperkt ben in mijn woordkeus, zodat ik voor andere mensen maar moeilijk iets van uw heerlijkheid kan weergeven.
God, ik wilde over U gaan schrijven als over degene, die zo ver van ons af is. En nu komt Ge mij ineens zo nabij. Gij doordringt mij. Het is alsof uw ogen nu overal rondom mij zijn.
Vader, ik praat maar wat met U. Gij weet, dat ik U liefheb, nameloos liefheb. Op dit moment heb ik U lief boven alles. O laat mij straks niet meer terug glijden in de liefde voor het schepsel boven U.
Gij zijt met niets te vergelijken. Uw glorie overtreft alle denken, alle vermoeden. O laat dit uur voortduren. Ik wil tenten bouwen om altijd zo met U samen te zijn. God, het is alsof Gijzelf klopt in mijn slapen. God, ik wilde U toch zo graag eens zien. Kom uit uw verborgenheid vandaan. Werp het schone kleed van uw schepping, waarin Gij Uzelve hult, weg en spreek met mij van aangezicht tot aangezicht. Toon mij uw heerlijkheid.
O die verrukking om uw nabijheid! God, ik ervaar uw liefde. Ja, Gij bestaat. Ik zie het. Ik zie U.
Hoe goed is het nabij U te zijn. Het is alsof mijn geest openligt en alle kanten uitziet. Waarom dringt Gij nu zo op mij aan? Wilt Gij mij iets zeggen? Hebt Gij een bijzondere boodschap voor mij?
Spreek, o Heere, uw dienstknecht luistert. Ik hoor U zeggen, dat Gij mij liefhebt. Wat is uw liefde vreemd, o God. Ze is zo groot en zo rustig. Zo geheel anders dan alle aardse liefde. Uw liefde dringt door heel mijn wezen, komt over mij heen rollen als golven, die mij overspoelen. Uw liefde neemt bezit van mij en bedwelmt mij.
God, het is of uw bewustzijn mij nu geheel vullen gaat, zodat ikzelf niet meer denken kan. Ik geef mij aan U over. Doe met mij wat Gij wilt. Het is of mijn handen lichtbundels worden en alsof mijn hart nu stralen uitzendt over het ganse heelal. Want Gij zijt nu in mij.
Waarom zijt Gij nu op zo'n bijzondere wijze in mij? Waarom kan het zo niet altijd zijn?
God, ik aanbid U in uw nabijheid. God, ik heb uw heerlijkheid gezien. Ik dank U, ik dank U duizendmaal.
Waarom komt Gij mij zo nabij, terwijl ik mij voorgenomen had om over U te gaan schrijven als over Degene, die zo ver af is? Wilt Gij mij laten zien, dat Gij mij in handen hebt, ook in dit boekje, dat ik voor Uw eer schrijven wil? Ik wil niets liever. Schrijf Gij maar. Dikteer Gij maar. Ik zal alles wel neerschrijven. Spreek Gij tot de mensen, want mijn woorden hebben toch geen kracht. Laat uw gloed door dit boekje heengaan.
God, ga nu nooit meer van mij weg. Blijf altijd zo bij mij. Het is zo zalig bij U te zijn.
Nu begrijp ik, wat het zeggen wil, dat Gij door uw Geest in mijn lichaam woont als in een tempel. Ja, mijn lichaam is nu geheiligd door uw aanbiddelijke tegenwoordigheid. Uw aanwezigheid brandt in mij. O verteer mij niet, maar laat deze gloed altijd in mij zijn.
God, er is een bangheid in mij, dat Gij aanstonds weer weg gaat. Ik weet niet waarom. Och, het kan ook zo niet duren. Straks eist het leven mij weer op in uw dienst. Maar ook al wijkt straks uw aanschijn van mij weg, ik weet altijd, dat uw liefde bij mij is, ook al zou ik de heerlijkheid van uw gelaat niet meer mogen aanschouwen. Want uw liefde ligt voor altijd vast in Jezus Christus, uw Zoon, onze Heere en Heiland.
En ik weet, dat Gij met uw heerlijkheid tot mij zult wederkeren. Ik zie dat in de goedheid, die uw aanschijn nu naar mij toestraalt. Ik mag ook later weer van U genieten.
Ja, waarom laat Gij mij zo van U genieten? Ik voel mij zo gelukkig nu in uw nabijheid. Het is met niets anders op aarde te vergelijken.
Ik wil nu even rustiger schrijven, want ik schrijf een beetje gejaagd, omdat ik deze momenten wil vastleggen.
Maar waarom die gejaagdheid? Het is net of ik persoonlijk van belang ben, alsof ik de verstandige ben, die dit schone wil optekenen en vast wil leggen in mijn geschrift. Alsof Gij niet alles in handen hebt en niet overal voor zorgen kunt, ook voor de verwoording van onze liefde als Gij dat nodig acht. Hoe dwaas ben ik, o God. Dat is weer de zondigheid in mij, ook nu Gij zo heilig bij mij zijt.
God, zeg het eens tegen mij: Hebt Gij geen afschuw van mij? Gij zijt toch een God, die schoonheid, orde en recht bemint. En Gij ziet toch altijd weer dat lelijke, dat wanordelijke, die ongerechtigheid in mij.
In uw Woord lees ik het antwoord: Gij hebt mij lief om uw Zoon, Jezus Christus, die mij vrijkocht door zijn bloed.
Mag ik U dan vragen: Is op dit moment uw Zoon soms inniger in mij aanwezig? Is het daardoor dat uw liefde zich nu zo naar mij uitstrekt? Is het daarom dat het geweld van uw zoete majesteit zo op mij afkomt? Ik vind daar echter geen aanduiding voor in uw Woord dat uw Zoop soms meer of minder in ons tegenwoordig is. Het zal dan wel uw pure soevereine welbehagen zijn, dat U een mensenkind soms zo maar, zonder reden of aanleiding, vertroetelen wil met uw gunsten.
God, ontheilig ik uw naam niet, wanneer ik dit straks ga publiceren? De mensen kennen mij toch. Ze kennen mijn zondigheid, mijn ingenomenheid met mijzelf en mijn andere gebreken. Maar laat het dan een bemoediging voor hen zijn, een teken, dat Gij uw bijzondere gunsten niet wilt onthouden aan zondaars. En herinner hen dan aan het woord van uw barmhartigheid, dat Gij niet gekomen zijt in uw Zoon om rechtvaardigen te redden, maar om zondaars uit hun ellende op te heffen.
God, o blijf bij mij. Het is zo heerlijk bij U.
Ik wil U aanbidden. Ik wil mij diep voor U buigen. Alles in mij looft uw heilige naam. Gij alleen zijt groot. Gij alleen zijt heilig. U alleen komt alle eer toe. Gij alleen leeft. Gij doordringt alles, ook het innigste van mijzelf. Gij kent mij beter dan ik mijzelf ken. God, wat ziet Gij allemaal in mij? Wat ziet Gij achter de wanden van mijn bewustzijn? Het is misschien maar beter, dat Gij dit niet aan mij zegt. Ik zou het misschien niet kunnen verdragen. Er zou een duisternis op mij afkomen, die mij verstikt. En toch, waarom niet? In uw Zoon, Jezus Christus, ben ik toch niet meer dan overwinnaar, ook over de meest duistere macht van de zonde in mij. God, Gij ziet alles in mij. Gij doorgrondt mijn hart en mijn nieren. Gij ziet mijn strijd. Gij kent mijn vallen en mijn opstaan. En achter alle zonde heen hoort Gij ook het roepen naar U, zoals het hert schreeuwt naar de frisse waterstromen. Ik denk nu ineens aan mijn dood. God, wanneer zal ik sterven? Gij alleen weet het. Eens zal dat tijdstip komen. Dan breekt de dood alles in mij stuk. Wat moet dat een vreselijk uur zijn, als deze scheur door mijn diepste wezen heen zich voltrekt. O God, kom dan ook zo dicht bij mij in het uur van mijn sterven, zoals Gij nu bij mij zijt. Kom mij dan ook uw liefde toefluisteren. Dan zal ik juichen in mijn dood, want dan weet ik, dat weldra de sluiers zullen verbroken worden en ik U echt zal zien. Dan zal ik U niet slechts mogen aanschouwen vanuit de verre achtergronden van mijn ziel, maar dan zal alles in mij U zien.
Ik geef mij nu reeds aan U over. Ik aanvaard nu reeds mijn sterven uit uw hand. Straks wil ik ook mijn geest in uwe handen bevelen. Stervend zal ik mijn hoofd te ruste leggen bij U, in uw veilige vaderarmen.
Het wordt nu laat. Ik hoor buiten nog een paar mensen voorbijgaan. Ze roepen elkaar iets toe, lachend. Zijn het kinderen van U? God, red hen! Red alle mensen! Breng ze naar U toe. Bij U alleen zijn we gelukkig.
Ik word moe. Ik ga slapen. God, ik dank U voor deze heilige avond. Ik dank U voor uw grote liefde. O verre God, ik dank U dat Gij mij zo nabij waart. Amen.
Exegetisch naschrift van 1978
Misschien zegt iemand: Is het wel bijbels om te spreken over „God… mijn Vader"? Heeft Christus ons niet geleerd te bidden: „Onze Vader die in de hemelen zijt". Antwoord: Het „onze Vader" moet inderdaad altijd op de achtergrond meeklinken. In de eerste plaats omdat slechts Jezus in unieke zin kan zeggen: „Mijn Vader". En in de tweede plaats omdat de Heere ons tegelijk ziet als personen, maar ook als leden van de gemeente van Christus, van Zijn volk.
Van de andere kant zegt Paulus dat niet meer ik leef, maar dat Christus leeft in mij (Gal. 2 : 20). Alles wat Christus heeft, schenkt Hij aan de Zijnen. We zijn één lichaam met Hem geworden. Als we die eenheid met Christus intens beleven, dan is het, meen ik, begrijpelijk dat we er dan toe komen om in en met Christus te zeggen tot God: „mijn Vader".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
