Zij hadden alles gemeenschappelijk
Wat een mooie droom moet die eerste gemeente zijn geweest. Het leek wel of even het paradijs op aarde was teruggekeerd: „En de menigte van degenen die geloofden, was één hart en één ziel, en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had, zijn éigen was, maar alle dingen waren hun gemeen". „Er was ook niemand onder hen die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij en brachten de prijs der verkochte goederen en legde die aan de voeten der apostelen" (Hand. 4 : 32-37).
Een vergissing?
Sommigen zeggen: Dat was een grote vergissing van die eerste christenen in Jeruzalem. Kijk maar, later krijgen ze gebrek en dan moet Paulus in andere landen voor hen een collecte organiseren, omdat ze helemaal verpauperd waren…
Ik vind dat een goedkope oplossing. In de eerste plaats is het helemaal de vraag of nu juist dat de oorzaak was van hun latere armoede. Dat is louter een veronderstelling, die met geen enkel historisch argument gestaafd kan worden. Integendeel, Hand. 11 : 27-28 laat zien dat er een malaise, een economische crisis, is gekomen over de gehele wereld: „En in diezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. En een uit hen, met name Agabus, stond op en gaf te kennen door de Geest dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; die ook gekomen is onder de keizer Claudius". En dan volgt in vs. 29 het besluit om diakonale hulp „te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden".
Heenwijzing
Ik vind het ook een beetje een gevaarlijke oplossing. Ik kan me moeilijk voorstellen dat deze mensen die nog helemaal onder de gloed stonden van de pinkster-Geest, tot, ook voor God, onverantwoordde daden zouden zijn gekomen. Ik meen dat dit aanvankelijke leven in min of meer gemeenschap van goederen bewust door de Heere bedoeld was nl. als een machtig teken van het herstel van de paradijstoestand die eenmaal zal verwezenlijkt worden, wanneer Christus terug komt. Zo wees ook het talenwonder van de pinksterdag heen naar het herstel van de éne taal, straks wanneer de verlosten der eeuwen één geweldige lofzang zullen aanheffen voor Hem die op de troon gezeten is en voor het Lam dat voor ons geslacht is.
Richtingwijzend
Ik meen daarom dat Hand. 4 : 32-37 richting gevend is voor ons denken op politiek en sociaal-economisch terrein. Natuurlijk wil ik in IRS me niet uitlaten over de konkrete politiek. In de eerste plaats, omdat ons blad daarvoor niet is, maar ook omdat ik mij totaal niet heb verdiept in de konkrete politiek. Ik laat dat graag over aan onze christen-politici. Ik zou er zelf geen verstandig woord over kunnen zeggen.
Maat wat wél in IRS thuis hoort, is het meedenken met onze broeders en zusters in Latijns Amerika, die staan midden in de gisting der geesten, die telkens te maken krijgen met de rooms-katholieke theologieën van de revolutie en de bevrijding, theologieën die vandaaruit ook over waaien naar Europa.
Deze broeders en zusters zouden in de verzoeking kunnen komen om, met het oog op grotere vrijheid voor de Evangelieprediking, de gunst te zoeken van diktatoriale regeringen die de uitbuitende kapitalistische klasse steunen.
Vanuit Hand. 4 móéten wij het profetisch veroordelen, wanneer miljoenen in Latijns Amerika leven onder de armoedegrens, zodat kinderen er sterven van de honger, terwijl daarnaast de bezittende klasse zwemt in de weelde, die zich dan bovendien meent te mogen sieren met de naam „christen".
Kerk der armen
Het is duidelijk dat God Zich in de Bijbel openbaart als een Beschermer van de armen, de verdrukten, de rechtelozen, de weduwen en de wezen. Dat zou ook niet anders kunnen. Hij die Zelf voortdurend oproept tot gerechtigheid en liefde, moet ook wel in Zijn handelen met Zijn Verbondsvolk voortdurend blijk geven van deze zelfde gezindheid. Paulus roept ons immers op om navolgers van God te zijn (Ef. 5 : 1 ).
Daarom alleen reeds moet ook de kerk van Christus een voorliefde hebben voor de armen. De rooms-katholieken maakten er terecht bezwaar tegen, wanneer de pastoor bijna uitsluitend de notabelen van het dorp bezocht om er te kaarten en glaasjes wijn te drinken, zoals nu nog gebeurt in Latijns Amerika en in India. En datzelfde geldt voor dominees.
Maar de voorliefde voor de armen komt niet alleen uit de wet Gods voort, maar ook uit het Evangelie. Ze is symbool van het Evangelie, dat immers bestemd is voor de geestelijk armen, de zondaars.
Onder dergelijke beelden heeft Christus ook Zichzelf als de Messias geproklameerd in Zijn vaderstad, Nazareth. Hij las toen in hun synagoge voor: „De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart; om de gevangen te prediken loslating en de blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren" (Luk. 4 : 18-19).
Het is een psychologische noodzaak dat iemand die zich als een arme zondaar verlost weet door de prijs van het kostbare Bloed van Christus, zich ook één voelt met de maatschappelijk armen. De dieptezielkunde heeft onomstotelijk aangetoond, hoe onze menselijke psyche, voornamelijk ons onderbewustzijn, voortdurend zichzelf uitdrukt in symbolen. Wij zeggen: Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Christus: „Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn" (Mat. 6 : 21).
Een mens die beweert dat hij het persoonlijk diep heeft doorleefd, hoe Christus die rijk was in de goddelijke heerlijkheid, Zichzelf ontledigd heeft en onze armoede is gaan delen om ons door genade rijk te maken in Hem (2 Kor. 8 : 9),- en die geen erbarmen kent met de maatschappelijk armen, bedriegt zichzelf. Zie ook Jak. 2 : 14-26.
Nivellering of gemeenschap
Natuurlijk zijn wij tegen het marxistische nivelleringsprincipe dat ook reeds door de Franse Revolutie werd gesteld; alle mensen moeten in alles gelijk gestreken worden.
Immers, dit principe heeft, zonder dat men zich daarvan bewust is, een ontmenselijking tot doel. De mens wordt daarin bezien als een wezen dat als een hond tevreden ligt te grommen, wanneer hij maar zijn buik gevuld heeft en kan wegkruipen in een warm hok. Christus heeft het echter duidelijk gezegd dat de mens niet leeft van brood alleen. De mens is geschapen naar het beeld van God; hij heeft een eeuwige bestemming.
Tegenover het nivelleringsprincipe stelt de Bijbel het principe van de gemeenschap d.i. de eenheid, niet van individuen, van nummers, van korrels in een hoop zand, maar het psychische en geestelijke kontakt tussen personen, die zichzelf aan elkaar meedelen. Ideaal is daarbij dan ook zoveel mogelijk gelijkheid op allerlei terreinen, voorzover de zondeval dat nog mogelijk maakt.
Wij mogen dus niet uit reaktie op het marxistische nivelleringsprincipe de maatschappelijke ongelijkheid zoveel mogelijk in stand zien te houden. Maatschappelijke ongelijkheid mag alleen geduld worden, voorzover dat in deze zondige wereld nu eenmaal nodig is voor het algemeen welzijn. „Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam". „Of veracht gij de gemeente Gods en beschaamt gij degenen die niet hebben?" Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander" (1 Kor. 10 en 11).
Gemeenschap van geestelijke goederen
Maar wat wij wél nu reeds als een stukje weergekeerd paradijs kunnen en mogen beleven, is de gemeenschap van geestelijke goederen, het elkaar dienen door te vertellen van de heerlijkheden Gods die wij, ieder op zijn/haar wijze, als een wonderbare beleving van de Heere uit genade ontvangen.
Natuurlijk zijn daar gevaren aan verbonden, zoals ook al spoedig in de eerste gemeente het echt menselijke naar voren kwam: „En in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden" (Hand. 6 : 1).
Maar desondanks: waarom zouden wij niet veel meer elkaar meedelen de vreugde en de verootmoediging, de aanbidding en de dankzegging, waartoe de levende Heere ons telkens weer opwekt door Zijn Woord en Geest? Waarom mogen we alleen met de woorden van vr. en antw. 1 van de Heidelbergse Katechismus zeggen dat Christus onze enige troost is in leven en sterven? Is dat in overeenstemming met: „Waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor. 3:17)? Zouden we niet veel meer moeten leven in de lijn vanjohannes: „Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij" (Joh. 1 : 3-4).
Als onze gemeenten meer zulk een gemeenschap van blije mensen zou zijn, dan zouden zij ook veel meer een toevluchtsoord worden voor geestelijk armen, voor verkilden en eenzamen, die bij zulk een gemeente wat warmte zoeken, wat begrip en meeleven. Moge de Heere ons zulk een opwekking geven, zulk een herleving van het prachtige beeld dat de eerste christen-gemeenten ons te zien geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
