Kenmerken van de WARE profetie
Inhoud van de profetie
Wat ik onder profetie versta, kunt u lezen in het artikel: „Nieuw-Testamentische profetie". De inhoud daarvan is stichting, vermaning en vertroosting. Het is door de Geest geschonken inzicht en doorzicht in het Woord Gods, maar tegelijk door die Geest toegepast op de konkrete situatie hier en nu, hetzij in de gemeente, hetzij in een bepaald land, hetzij in de gehele wereld.
Bestaat er ook profetie in onze tijd, die niet uit het Woord Gods zelf ontspruit, maar uit een direkt gegrepen zijn door de Heilige Geest? Ik durf het niet te ontkennen en evenmin te bevestigen. Maar ik elk geval zal zulk een profetie a. nooit in strijd kunnen zijn met de Schrift; en b. nooit een wezenlijke toevoeging aan de Schrift kunnen zijn.
Ik heb meerdere profetieën in pinksterkringen gehoord. Die beginnen dan met: „Zo spreekt de Heere…". Ik ben daar erg huiverig voor. Ik schrok vaak van het gemak, waarmee deze profeten of profetessen dat zeiden. Ik miste dan meestal het diepe ontzag voor de sprekende God, dat je zo sterk ontmoet bij de Oud- Testamentische profeten.
Begrijp me goed. Natuurlijk neem ik aan dat ook thans nog iemand kan profeteren met een: „Zo spreekt de Heere…", maar ik meen dat het dan altijd opbloeit uit de Schrift. Eigenlijk is het dan altijd: „Zo spreekt de Heere in Zijn Woord". Nieuw-Testamentische profetie is doordrenkt van het Woord Gods en ontleent daaraan haar krachtige waarheid en haar ware kracht.
Godservaring in diep ontzag
In het NT treffen we maar weinig gegevens aan, waaruit we kenmerken kunnen opdiepen voor de ware profetie. We zullen daarvoor vooral moeten graven in het OT.
Een eerste kenmerk was een intense ontmoeting met de levende God, een ervaring (bevinding) van de Heilige, die hen aangreep tot in hun diepste existentie.
We vinden die o.a. beschreven in het roepingsvisioen vanjes. 6 Jesaja zegt: „Ik zag de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel". Vervolgens ziet hij serafs die elkaar toeroepen: „Heilig, heilig, heilig, is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol". Dan beschrijft hij de reaktie in zichzelf: „Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, omdat ik een man van onreine lippen ben en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is".
Ook dit besef van eigen diepe zondigheid, dit gevoel van volstrekte onwaardigheid bij deze ontmoeting met de heilige God is een wezenlijk kenmerk van de ware profetie. Zoals ik al zei: ik ben bang voor mensen bij wie het: „Zo spreekt de Heere…" gemakkelijk uit de mond rolt. Dat gemak is voor mij dan al een bijna zeker bewijs dat het niet de Heere is die door hen spreekt, maar hun eigen geest, hun eigen al of niet opgezweept gevoel.
Jesaja vervolgt: „Maar een van de serafs vloog tot mij en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. En hij roerde mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend". Ook dat hoort tot de kenmerken van de ware profetie. Ze moet voortkomen uit een hart, dat zich verzoend weet met God. Hoe zou je immers kunnen spreken in de naam van God, wanneer je weet dat de volle zwaarte van Zijn toorn op je drukt? Als je God als de Heilige hebt ervaren, zonder te weten dat je zonden vergeven zijn, kun je alleen maar uitroepen: „Wee mij… want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heirscharen gezien". Verder kun je dan niet komen, want je lippen zouden verstijven van ontzetting.
Gedrevenheid
Dat zou ik een tweede kenmerk van de ware profetie willen noemen. Profeten móéten spreken. Ze kunnen niet zwijgen. Het Woord Gods brandt als een vuur in hen.
Heel sterk is dat tot uitdrukking gekomen bij Jeremia. Al meteen bij zijn roeping in Jer. 1 deinsde hij ervoor terug en zocht uitvluchten om zich aan de zending des Heeren te kunnen onttrekken.
We lezen: Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u voor de volken tot een profeet gesteld".
Dat is de dieptedemensie in de tijd. De profeet weet zich een geroepene, een afgezonderde, niet op grond van enige verdienste van hem, niet omdat God zou hebben voorzien dat hij braaf zou leven, maar gewoon uit uitverkiezing Gods. Zo staat hij in gemeenschap met de eeuwigheid vóór hem en met de eeuwigheid na hem. De oerhuiver van het goddelijke vervult hem. In dat besef voelt hij zich uitgeheven uit de tijd. De aanbidding van God trilt en schokt door hem heen. Als hem de last des Heeren te zwaar wordt vanwege de beschimping en het vele lijden dat hij moet ondergaan vanwege zijn profetie, dan komt hij er zelfs toe om zijn geboortedag te vervloeken. Maar desondanks kan hij zich niet losrukken van zijn band aan God als Diens profeet, „…omdat mij des HEEREN woord de ganse dag tot smaad en tot schimp is. Daarom zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen" (Jes. 20 : 7-18).
In Gods raad
Wat de ware profeten van de valse onderscheidt is dat de eersten in de raad Gods hebben gestaan en de laatsten niet: „Maar zo zij (de valse profeten) in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg en van de boosheid hunner handelingen" (Jer. 23 : 22).
Zo stond Jeremia in de raad des Heeren en sprak met Hem: „Ach, Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: ik ben jong; want overal waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan en alles wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u om u te redden, spreekt de HEERE" (Jer. 1 : 7).
Datzelfde treffen we ook bij Amos aan: „Gewis, de Heere HEERE zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?" (Amos 3 : 7-8). Hier dus weer datzelfde: de Heere nam de profeet Amos op in Zijn raad en openbaarde hem de geheimen Gods, Zijn plannen met Zijn volk en met de wereld. En wanneer je dit spreken Gods hebt gehoord, dan gaat het in je branden en laat je niet los, voordat je het verkondigd, geprofeteerd hebt.
Diezelfde gedachte vinden we ook terug bij Jezus, wanneer Hij tot Zijn apostelen zegt: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt" (Joh. 15:15).
Datzelfde lezen we ook over Mozes: „En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt" (Ex. 33 : 11).
Tegen de stroom in
Omdat de ware profeten mond zijn van de heilige God, kan het niet anders of zij moeten zich keren tegen het denken van de massa. Christus heeft het immers gezegd: „Want wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt en velen zijn er die daardoor ingaan; want de poort is eng en de weg is nauw die tot het leven leidt en weinigen zijn er die ze vinden" (Mat. 7 : 13-14).
De valse profeten willen populair zijn. Daarom verkondigen zij wat de massa graag hoort. Een treffend voorbeeld daarvan lezen we in 1 Kon. 22. Daar lezen we dat de goddeloze Achab voor de veldslag tegen Aram de profeten raadpleegt. Allen voorspellen ze dat hij de overwinning zal behalen. Dan roepen ze ook de enige ware profeet des Heeren, Micha. Maar de bode die hem gaat halen, waarschuwt hem van te voren: „Zie toch, de woorden der profeten zijn uit één mond goed tot de koning; dat toch uw woord gelijk zij als het woord van een van hen, en spreekt het goede" (vs. 13.). Maar dan antwoordt Micha: „Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen de HEERE tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken". En dan voorspelt hij de grote nederlaag van Achab. Hij laat echter tevens zien dat het oordeel van God reeds bezig is zich over Achab te voltrekken, doordat Hij een leugengeest over de valse profeten had gezonden om Achab te misleiden, zodat hij toch ten strijde zou trekken en de dood zou vinden.
Zien we dat ook niet in onze tijd? Moeten wij niet de indruk krijgen dat de Heere ook reeds begonnen is met het oordeel over het huis Gods (1 Petr. 4 : 1 7 ) , het oordeel over sommige kerken die verblind worden door de leugengeest van de valse profeten van onze tijd, de linkse theologen die de grondwaarheden van ons christelijk belijden loochenen. Hoe is het anders te begrijpen dat dit verderf zo snel om zich heen heeft gegrepen? Als dat waar is, dan moeten de gelovige leden van zulke kerken zich ernstig de vraag stellen of ze nog langer lid kunnen blijven van zulke kerken, die duidelijk liggen onder de vloek Gods (Gal. 1 : 8-9).
Bewustzijn van hun roeping
Ook dat is een kenmerk van de ware profeet. Met kracht verwerpen zij de valse profetie. Een voorbeeld: „Alzo zegt de HEERE tegen de profeten die Mijn volk verleiden, die met hun tanden bijten en vrede uitroepen. (…) Daarom zal het nacht voor u worden vanwege het gezicht en u zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan en de dag zal over hen zwart worden. En de zieners zullen beschaamd worden en de waarzeggers schaamrood; en zij zullen allen tesamen de bovenste lip bewimpelen, want er zal geen antwoord Gods zijn. Maar waarlijk, ik ben vol kracht van de Geest des HEEREN en vol van gericht en dapperheid om Jakob te verkondigen zijn overtreding en Israël zijn zonde" (Micha 3 : 5-8).
Vooral deze laatste woorden van de profeet zullen de omstanders enorm geprikkeld hebben. Dat is in onze tijd nóg zo. Wanneer iemand thans, tegenover allerlei dwaling en twijfel in, met kracht verkondigt: „Zo spreekt de Heere in Zijn Woord…", dan verwijt men zo iemand koude zelfverzekerdheid. (Intussen vechten de heren, dwaalleraars en valse profeten, verbeten voor hun eigen menselijke ideeën en ideetjes, die de slachtschapen (Zach. 1 1 : 7 ) als proefkonijnen gebruiken voor hun ideologische experimenten).
Vervulling van voorspelling een kenmerk?
Slechts ten dele is het feit dat wat iemand voorspeld heeft, ook uitkomt, een bewijs dat hij een echte profeet is. We lezen dat in Deut 8 : 20-22. Maar daar staat tegenover Deut. 13 : 1. En we zien dat ook in het geval van Bileam. Hij sprak - noodgedwongen - een ware profetie uit over Israël, sublieme profetieën zelfs: „Een ster gaat op uit Jakob, een schepter rijst op uit Israël" (Num. 24 : 17).
Ook de r.-k. kerk beroept zich op wonderen die in Lourdes en Fatima zouden zijn gebeurd, om daarmee de juistheid van de Mariaverering te bewijzen. Maar zelfs al zouden dat echte wonderen zijn geweest, dan nóg moeten we die leer over de Mariaverering afwijzing, omdat ze in strijd is met Gods Woord. Die verschijningen en die wonderen kunnen dan alleen maar voortgekomen zijn uit de machten der duisternis.
En als men dan vraagt: Hoe kan God zulk een grote kerk tot zulk een grove dwaling laten vervallen, dan hoeven we maar even te denken aan wat Micha zei dat de Heere als straf een leugengeest zond over het gehele volk Israël in het Oude Testament. God geeft ze dan prijs aan de verwarring. Dat kan een straf van vergelding zijn, maar het kan ook bedoeld zijn als een kastijding, zoals ook Paulus een grove zondaar uitlevert aan de satan „tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden moge worden in de dag van de Heere Jezus" (1 Kor. 5 : 5).
Orthodoxie en profetie
Maar evenmin is de juiste leer op zichzelf een bewijs van ware profetie. De Heere schrijft aan de gemeente van Efese dat zij wél de zuiverheid van de leer bewaard hebben en de tucht hebben toegepast op hen die daarvan waren afgeweken, en tóch vermaant Hij hen, omdat zij hun eerste liefde verlaten hebben. En die vermaning doet Hij vergezeld gaan met een zeer ernstige bedreiging: „Bekeer u en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal haastig komen en uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert" (Openb. 2 : 5). Dat betekent dus dat de Heere hen niet meer als Zijn gemeente wil erkennen ondanks hun goede leer, wanneer zij niet tot hun eerste liefde willen terugkeren.
En van de gemeente van Laodicea zegt de Heere dat Hij haar zal uitspuwen uit Zijn mond als zij zich niet bekeert van haar lauwheid, terwijl er met geen woord gerept wordt over dwaling die deze gemeente zou hebben toegelaten.
Met vreze en beven
Misschien zucht iemand nu: „Wie kan dan zalig worden?" (Mat. 19 : 25). Dan meen ik te moeten antwoorden:
Paulus schrijft inderdaad: „Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven" (Fil. 2 : 12). En Petrus zegt dat „de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt" (1 Petr. 4 : 18). (Wel is het beter hier de letterlijke betekenis aan te houden van het Griekse woord ,molis" nl. „met moeite". Het komt immers van het woord ,moolos" dat „arbeid, inspanning" betekent. Petrus bedoelt hiermee niet te zeggen dat er nauwelijks eentje zalig wordt, maar dat iemand slechts „met moeite" zalig wordt. De zaligheid vraagt onze hele inzet, al blijft het waar dat wij niet op grond van onze inzet of arbeid zalig worden).
En nadat Paulus de afval van Israël als een waarschuwing ook voor ons heeft beschreven, voegt hij eraan toe: „Zo dan, wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle" (1 Kor. 10 : 12).
Vertroosting
Maar dan mag ik wél als grote vertroosting meegeven: „Want alzo zegt de Hoge en Verhevene die in de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij hem die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen en opdat ik levend make het hart der verbrijzelden" (Jes. 57 : 15)… en: „…maar op hen zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft" (Jes. 66 : 2).
Dat is het leven uit de vreze des Heeren, het beginsel van de ware wijsheid, de wijsheid des Geestes.
God vervult Zijn beloften.
En ik meen te moeten getuigen dat de Heere deze belofte vervult. Ook ik beef voor Zijn Woord. Dat is niet een beven uit angst, maar een beven vanuit diep ontzag. In dat Woord grijpt God naar mij, grijpt in mij en raakt mij tot in mijn diepste existentie. Zijn heerlijkheid vervult het ganse huis van mijn bestaan. Ik weet het: ik ben een zondig mens, ik ben alleen Zijn toorn waard. En daarom voel ik ook een neiging in me om vol ontzetting voor Hem terug te deinzen. Maar ik kan het tegelijkertijd ook weer niet. Hij blijft mij onweerstaanbaar trekken (Joh. 6 : 44) tot Jezus Christus, de Geliefde in Wie Hij eeuwig welbehagen heeft en door Wie Hij ook welbehagen heeft in mij. Voor die spanning is er maar één uitweg: het voortdurend roemen in de genade Gods. Dat ik zozeer van Hemzelf mag genieten, dat ik mij mag hullen in het kleed van de heerlijkheid en gerechtigheid van Zijn Zoon, is de verrukking van Zijn barmhartige en vergevende liefde.
Daarom weet ik ook dat Hij mij altijd leiden en behoeden zal, wanneer ik zo blijf beven voor Zijn Woord. En terwijl ik dat zo neerschrijf, voel ik dat ik uit mezelf dat beven voor Zijn Woord niet kan bewaren. En met innige smeking vraag ik Hem - en weet tegelijk dat ik op grond van Zijn genade in Christus verhoord word - dat Hij mij altijd moge bewaren in deze verbrijzeling des geestes, in deze verbrokenheid des harten. O, wat wonder van Hem die wonen wil te midden van de nederigen en verslagenen! Hem zij alle eer!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
