In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE INHOUD VAN ONS BLAD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE INHOUD VAN ONS BLAD

10 minuten leestijd

Maar deze redaktie zelf voelt ook de verantwoordelijkheid. En daarom waren wij erg blij dat wij bij onze laatste redaktievergadering niet minder dan dertien reakties hadden van leden van onze plaatselijke comité's aan wie wij drie vragen hadden voorgelegd betreffende de inhoud van ons blad.

Bovendien waren wij erg dankbaar dat wij tijdens een vergadering met drs. K. Exalto, ds. L. J. Geluk en Ir. v.d. Graaf (Gereformeerde Bond) eveneens de inhoud van ons blad ter sprake mochten brengen. We kregen van hen zeer waardevolle adviezen.

Zij waren van oordeel dat ons blad niet diep genoeg op allerlei vraagstukken inging. Ik maakte de opmerking: „Maar ons blad telt momenteel 14112 abonnees. Volgt daar niet uit dat zich daaronder ook heel wat abonnees bevinden die artikelen van meer wetenschappelijk karakter niet erg op prijs stellen en moeite hebben om die te verwerken?" Hun antwoord luidde: „Het is niet onze bedoeling dat het hele blad vol komt te staan met artikelen van zware inhoud. Het licht verteerbare moet ook beslist blijven, maar daarnaast is het goed, als er ook geregeld artikelen in verschijnen die wat zwaarder van inhoud zijn. Het zal zelden voorkomen dat iemand een blad helemaal leest. Daarom is een beetje variatie belangrijk. De een leest dan dit, de ander weer een ander artikel".

Dit antwoord bevredigde mij persoonlijk heel erg. En we zijn dan ook meteen al begonnen met een proef nl. de vervolgartikelen van drs. de Reuver.

De ondertitel van ons blad

Een andere vraag die ik hen voorlegde, luidde: „Al jaren zit ik met de vraag of de ondertitel van ons blad: „Maandblad voor het getuigend gesprek met Rome" niet te agressief is. Stoot je daardoor rooms-katholieken niet af, wanneer je dat doel al meteen op de omslag vermeldt".

Zij hadden wel begrip voor mijn moeilijkheid, maar vonden die niet helemaal doorslaggevend. Drs. Exalto zei toen: „Als u dan toch meent een andere ondertitel te moeten kiezen, wat denkt u dan hiervan: Maandblad voor het gesprek met Rome op basis van de Schrift?"

Dat was dan de tweede vraag die wij ook aan onze comitéleden hadden voorgelegd.

Een andere terminologie

Een derde vraag was ontstaan naar aanleiding van een brief van een van onze comité's, waarin o.a. stond: „De artikelen dragen vaak een te veel aan persoonlijke visie van de eindredakteur, misschien is beter gezegd: een persoonlijke terminologie. Deze komt in meerdere gevallen niet op de gewenste wijze over in kringen, die we voor winning en behouden van abonnees zo zeer nodig hebben". Wat betreft de terminologie heb ik gemeend te moeten antwoorden (en de overige redaktieleden waren het daarin met mij eens): Ik weet dat ik soms andere termen gebruik dan veel lezers in hun eigen kerkelijke kringen gewend zijn te horen. Dat heeft vooral twee oorzaken. In de eerste plaats komt dat, omdat ik niet in het protestantisme ben opgegroeid. Verschillende termen die ik nog al eens gehoord en gelezen heb, durf ik nog altijd niet goed te gebruiken, omdat ik nog steeds niet volledig zeker ben van de juiste gevoelswaarde van die termen. Vaag begrijp ik wel wat men bedoelt, maar ik zou me toch niet veilig voelen, wanneer ik die termen ook zelf zou gaan gebruiken. Slechts twee voorbeelden: godzaligheid en gunning. Die termen durf ik nog steeds niet zelf te gebruiken.

Bovendien heb ik er innerlijk bezwaar tegen om termen in mijn mond te nemen, die blijkbaar wel geliefd zijn in de kringen waar wij onze meeste abonnees vandaan halen, maar die mij nog niet liggen. Ik zou dan het gevoel hebben van niet helemaal eerlijk te zijn.

Een tweede oorzaak is dat ik uit een heel andere achtergrond kom. Ik heb vandaaruit mijn eigen termen meegebracht. Maar mag een vogeltje in Gods Koninkrijk niet zingen zoals de Heere het gebekt heeft op grond van eigen karakter, aanleg en verleden? Het hoeft toch niet allemaal koekoeks-éénzang te worden.

En van de andere kant: is het juist niet goed dat dezelfde dingen eens op een andere manier worden gezegd? Je kunt bij het horen van dezelfde termen ook inslapen. Het Woord Gods is levend en moet dus ook levend gebracht worden.

Te persoonlijk?

Veel belangrijker echter dan die vraag over mijn eigen terminologie vond ik de vraag of ik niet te persoonlijk ben in mijn artikelen. Daarover moest inderdaad doorgesproken worden.

Ik kan mij voorstellen dat sommigen zouden zeggen: Beschrijf liever wat meer objektief (voorwerpelijk) wat de Schrift zegt. Maak uw artikelen wat meer los van. uw eigen beleving.

Ik moet er wel meteen aan toevoegen dat dit erg moeilijk voor mij zou zijn. In de Schrift spreekt God niet de mensen in het algemeen aan, maar óns en onder dat „ons" bevind ik mijzelf. Als God daarin de donder laat rollen van Zijn heilige wet over ons, zondaren, dan ben ik er één te midden van die andere zondaars, tot wie dat rechtstreeks gericht is. En als diezelfde Heilige God Zijn liefelijke barmhartigheid verkondigt in Jezus Christus, dan grijpt mij dat altijd persoonlijk aan. Niet dat ik mij individueel zou willen opstellen, enigszins los van dat „ons", beslist niet. Maar God is niet de God van de massa, van de nummers, maar van personen, van wie Hij een gezamenlijk antwoord verlangt als van Zijn volk, maar ook een strikt persoonlijk antwoord.

Dat vind ik ook het prachtige van de Heidelbergse Katechismus. Die is ook niet in de „zij"-stijl en zelfs niet in de „ons"-stijl gesteld. De vragen en antwoorden zijn altijd heel persoonlijk: „Mijn (niet onze) enige troost in leven en sterven is…". Maar ook een belijdenisgeschrift is feilbaar mensenwerk. En het zou kunnen zijn dat vanuit de Schrift zou kunnen worden aangetoond dat die „ik"-stijl van de Katechismus toch niet helemaal bijbel is. Daarom vond ik - en de gehele redaktie - het belangrijk om ook nog de mening te horen van zoveel mogelijk comitéleden.

Antwoord van de comité's

En wat was nu hun antwoord? Algemeen had men grote waardering voor de prachtige vervolgserie van drs. de Reuver. Men was bovendien van oordeel dat het goed zou zijn als regelmatig dit soort artikelen van zwaarder kaliber eveneens in ons blad zouden verschijnen, mits het blad als geheel daardoor niet te zwaar wordt.

De redaktie heeft dan ook besloten om meerdere scribenten aan te schrijven die tot zulke artikelen als van drs. de Reuver in staat worden geacht. Te zijner tijd hopen we de namen te kunnen publiceren van hen die daartoe hun medewerking willen verlenen.

Wat betreft een nieuwe ondertitel: men achtte het voorstel van drs. Exalto een uitstekende vondst, maar over het algemeen was men bang dat meerdere abonnees in de wijziging van de ondertitel - zij het ten onrechte - ook een wijziging van koers zouden vermoeden. Het is beter, zo vond men, de mogelijkheid van een dergelijk misverstand te vermijden.

Bovendien meende men dat de oude titel helemaal niet agressief is. Dat zou anders zijn, wanneer die ondertitel zou luiden: „Maandblad voor de polemiek met Rome" of iets dergelijks zoals: „Maandblad voor de verdediging van het protestantisme tegenover Rome". In het woord „getuigend" zit opgesloten dat men de rooms-katholiek volkomen serieus neemt. Bovendien zit in het woord „getuigend" al opgesloten dat het gesprek plaatsvindt op basis van de Schrift, zo schreef men, en dus ook op de basis van de liefde.

Zodoende hebben we als redaktie besloten om voorgoed af te zien van een wijziging van de ondertitel, daar inderdaad de argumenten van de comitéleden voor ons doorslaggevend en overtuigend waren.

Wat betreft de derde vraag, merkwaardig was ook daarin een duidelijke algemene opvatting te beluisteren. Men meent dat juist het persoonlijke in mijn artikelen het blad voor een belangrijk deel aantrekkelijk maakt. Men zou het beslist onjuist vinden, wanneer ik mijn best zou doen om dat persoonlijke element, die bevinding, uit mijn artikelen te halen.

We hopen echter meerdere comitéleden aan het woord te laten en beginnen in dit nummer met een brief van dhr. A. de Visser te Middelharnis, jarenlang ouderling van de Gereformeerde Gemeente aldaar.

Comitélid schrijft:

Sinds 1963 lezen wij met belangstelling en instemming „De Waarheidsvriend" en nog langer ons blad „In de Rechte Straat". Wij menen dat beide bladen voluit willen leven uit de beginselen van de Reformatie en die ook willen uitdragen onder ons volk. Beide bladen zouden we niet graag willen missen. Toch zouden we niet graag het standpunt willen innemen dat beide bladen hetzelfde doel beogen en hetzelfde niveau dienen te hebben.

De inhoud van „De Waarheidsvriend" ligt op een pittiger en „zwaarder" niveau en gaat m.i. er ook van uit dat de lezers via cathechese en prediking al een zekere vorming in de gereformeerde leer hebben ontvangen. „In de Rechte Straat" is inderdaad meer een getuigend blad met een sterk persoonlijke kleur van de eindredakteur. Dit willen we echter zonder meer positief waarderen en wij weten uit kontakten met anderen dat dit zo ook bij hen overkomt.

In de kringen van de Gereformeerde Gemeenten is dit getuigende element beslist niet de sterkste zijde. De geloofszekerheid en geloofsblijdschap maakt ons vaak jaloers en herinnert ons dan aan een leemte in ons leven onder de ademtocht van het Evangelie.

Uit uw artikelen is bovendien duidelijk merkbaar dat deze zekerheid en blijdschap niet goedkoop is en niet zielloos. U weet ook te verwoorden de diepe verdorvenheid van ons zondaarsbestaan. Wij worden altijd weer opnieuw getroffen door de vlijmscherpe analyse van het listige en egoïstische eigen „ik". Onder de afhankelijkheid van Gods zegen ontneemt, u daarmee de gedachte dat „het er nog wel aardig met ons voorstaat"; niet echter zonder het werk van Gods Geest te prediken, dat ons uit een andere bron wil doen leven.

Ik geloof dat dit voor veel lezers uit onze kerkelijke kringen nuttig en nodig is. Maar ook zij die deze kerkelijke achtergrond missen, zullen worden aangesproken door de getuigende, warme wijze die uit uw artikelen de lezers tegemoet komt. In een tijd, waarin veel jongeren en ouderen met een onstellende leegte en geestelijke armoede worden geconfronteerd, is dit element, waarbij een warme en levende tinteling van andere orde wordt gevoeld, zo dringend nodig. Dit alles uiteraard in het besef dat aan Gods zegen alles is gelegen.

Een kort naschrift mijnerzijds:

Deze brief heeft mij erg goed gedaan. Ik zit op mijn studeerkamer en schrijf daar mijn artikelen. Maar altijd weer vraag je je dan af: Komt mijn bedoeling ook over? Vooral ook: merkt men dat de evangelische blijdschap, waaruit ik uit genade mag leven, iets anders is dan de oppervlakkige „evangelische"(?) vrolijkheid die in sommige kringen wordt aangeprezen en waarmee ik totaal niet kan instemmen. Uit deze brief blijkt echter dat, ondanks mijn andere terminologie, dit toch juist overkomt. Want dat zijn de wezenlijke elementen van de weg naar de levende God zoals die zo mooi beschreven wordt in de Heidelbergse Katechismus: de kennis van onze ellendige toestand, waarin wij door de zondeval van Adam zijn terechtgekomen en die wij bevestigen met onze persoonlijke zonde; en niet alleen de kennis daarvan maar ook de erkenning van onze schuld voor God in verbrokenheid des harten; vervolgens het zeker weten en vast vertrouwen dat ik uit die ellendige toestand verlost ben louter uit genade, door het volbrachte werk van Christus, Wiens gerechtigheid mij wordt toegerekend langs de weg van het (= mijn persoonlijke) geloof; en in de derde plaats de intense dankbaarheid om zulk een verlossing, een dankbaarheid die zich uit in een steeds meer sterven aan ons zondige „ik" om met Christus op te staan tot het nieuwe leven van de gerechtigheid in de levensheiliging.

Ontbreekt .één van deze faktoren, dan kan er nooit sprake zijn van een waar geloof, waardoor wij zalig worden. En de gemeenschap der heiligen bestaat juist in de utwisseling van de vreugde en de dankbaarheid om het geschenk van zulk een geloof, terwijl we juist het tegenovergestelde verdiend hadden. Geprezen zij Gods heilige Naam om Zijn grote barmhartigheid in Zijn Zoon Jezus Christus!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE INHOUD VAN ONS BLAD

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's