Tegen de stroom in
De Geschriften van het Nieuwe Verbond (het Nieuwe Testament) leggen er getuigenis van af, dat de apostelen en de eerste christenen hun geloof beleden en hun vertrouwen en verwachting enkel stelden in Jezus Christus.
Niemand van hen zou er ook maar aan denken om hun geloof, hun hoop en verwachting te stellen in iemand anders dan in Jezus Christus. Ze zouden dat meteen verwerpen als volkomen vreemd aan het Evangelie. Steeds hebben zij verkondigd dat God slechts één Zaligmaker en slechts één Middelaar heeft gegeven voor de mensen (1 Tim. 2:5). En dat is Christus!
En waarom is Hij de enige Middelaar Gods en der mensen? Omdat Hij alleen, daar Hij zowel God als mens is, de beide oevers van de godheid en van de mensheid met elkaar verbindt, en omdat Hij, als mens opgestaan uit de doden, „altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebr. 7:25).
Daarom hebben de apostelen overal geleerd dat wij ons geloof, onze hoop en onze verwachting moeten stellen in Hem, die door Zijn sterven tot uitboeting van onze zonden ons (ook Zijn moeder, uit wie Hij naar het lichaam geboren is) vrij te kopen en die als opgestane Heiland onze Broeder, onze „Voorspraak bij de Vader" (1 Joh. 2:1), is geworden. Nooit hebben zij in Zijn plaats een vrouwelijke christus naar voren geschoven om daarmee aan allerlei psychische komplexen van sommige mensen tegemoet te komen.
Maar kard. Wojtila belijdt een ander geloof
Zijn eerste toespraak als pas gekozen paus bevatte een oproep tot de wereld om hun geloof, hoop en verwachting te stellen op een schepsel, op Maria, die zij menen in Zijn plaats te mogen stellen, omdat Hij uit haar geboren is „naar het vlees" (Rom. 9 : 5 ) . Maar dit is een oproep tot afgoderij.
De tekst van dat eerste grondleggende Credo, dat zo totaal verschilt van het Evangelie van de oude kerk en dat zo volkomen in strijd is met de boodschap van de Bijbel, is in de wereldpers verspreid en luidde: „Ik stel mij aan u voor om te belijden ons gemeenschappelijk geloof, onze hoop en onze verwachting in…", ja, in wie? Helaas NIET in Jezus Christus, de Middelaar, waarachtig God en waarachtig mens, maar… in een schepsel, dus in iemand die daardoor tot afgod is gemaakt, tot een vergoddelijkte vrouw, tot iemand wier beeltenis wordt opgesteld tegenover de Christus der Schriften.
Zeker, de heer Wojtila sprak OOK over de ware Christus. Dat hoort immers tot zijn beroep als hoofd van een kerk, die zich christelijk noemt. Hij weet immers ook wel dat de dierbare naam van Jezus Christus zoveel betekent voor miljoenen christenen. En hij verklaarde zich bereid om die Christus te gehoorzamen.
Maar op hetzelfde moment dat hij die belofte van gehoorzaamheid aan Christus uitsprak, brak hij die belofte meteen. Immers in plaats van zijn verwachting, zijn geloof en zijn hoop te stellen in Christus alleen, zoals Christus had geleerd, schoof hij Hem opzij om de mensen op te roepen om hun geloof, hun hoop en verwachting te stellen in iets beters dan Christus, in deze vergoddelijkte vrouw, die een geheel andere figuur is dan de Maria, de moeder van Christus, over wie wij lezen in het Nieuwe Testament.
Bovendien reduceerde hij (bracht terug) Christus tot Iemand, die alleen maar bevelen uitvaardigt en aan wie je moet gehoorzamen. Zijn zending als Zaligmaker voor zondaren voor wie Hij zich in barmhartigheid gegeven heeft, werd volkomen verdrongen door dit vrouwelijke afgodsbeeld tot wie wij volgens de paus vol geloof, hoop en verwachting onze toevlucht moeten nemen.
Maar Jezus heeft gezegd: „Komt tot Mij". „Ik zal niemand buiten werpen, die tot Mij komt". NOOIT heeft Hij gezegd: „Ga naar Mijn moeder". Integendeel, op de dag dat Maria met de broers en zusters van Jezus Hem tot zich liet roepen, weigerde Hij gehoor te geven aan dit verzoek van Zijn moeder en zei: „Want zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en moeder" (Mark. 3:31-35).
Dat was de eerste ongehoorzaamheid van de heer Wojtila onmiddellijk nadat hij openlijk de belofte had uitgesproken dat hij aan Christus gehoorzamen wilde. Zo spoorde hij het arme volk, de 200.000 die samengestroomd waren op het Sint Pietersplein, en de miljoenen die naar hem keken via de televisie, aan, NIET om vol vertrouwen zich rechtstreeks te wenden tot Christus, maar tot een door de roomse kerk uitgevonden en aangewezen plaatsvervangster van Christus; een mens die reeds negentien eeuwen geleden gestorven is, die niet in staat is ons te helpen, omdat zij niet tegelijk God is en omdat zij niet voor ons geleden heeft en gestorven is om ons met God te verzoenen.
Niet lang daarna is de heer Wojtila naar Montorella (Italië) gegaan. Daar is hij gaan knielen voor het beeld van de vergoddelijkte vrouw (Maria, nogmaals: deze kreatie van de roomse kerk is heel iemand anders dan de eenvoudige dienstmaagd des Heeren van de Bijbel, die roemt in God, haar Zaligmaker). Zo overtrad hij opnieuw een duidelijk gebod des Heeren, het tweede gebod, dat de roomse kerk uit de geboden heeft weggenomen. Dat is dan meteen al de tweede openlijke ongehoorzaamheid van deze paus aan Christus.
De Heere heeft op de Sinaï verkondigd: „Gij zult u geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen" (Ex. 20:4-5). En Jezus heeft gezegd: „Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet en de Profeten te ontbinden" (Matth. 5 : 1 7 ) . Maar de heer Wojtila, en mét hem alle pausen van de roomse kerk, stoort zich daar niet aan. Desondanks beweert hij dat hij gehoorzamen wil aan Christus. Daarmee overtreedt hij dan bovendien het gebod van Christus: „Maar laat zijn uw woord ja ja; neen neen; wat boven deze is, is uit den boze" (Matth. 5:37), het verbod om te liegen. Er zouden nog heel wat meer voorbeelden te noemen zijn van ongehoorzaamheid aan Christus, bedreven door de heer Wojtila, het nieuwe hoofd van de roomse kerk. Maar deze zijn voldoende om aan te tonen dat de heer Joannes Paulus II de naam van Christus voornamelijk gebruikt om de schijn op te houden dat hij het hoofd zou zijn van een christelijke kerk, terwijl hij in feite slechts het hoofd is van een religie die afgoderij bedrijft met de moeder van Christus.
Volgens Paulus is alleen Christus (en niet Maria) „de hoop der heerlijkheid" (Kol. 1:27). En deze verkondiging van de apostel Paulus is het antwoord van ons, christenen, aan de heer Joannes Paulus II, die de wereld ertoe wil brengen om hun vertrouwen te stellen op Maria als de hoop der heerlijkheid.
MONTFERMEIL (FRANKRIJK)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
