Religieus gevoel en christelijk geloof
De mens is rijk begiftigd door zijn Schepper, rijk naar het lichaam, rijk naar de geest, rijk ook naar het gevoel. Het was Gods bedoeling dat de mens niet slechts zou verkeren in de ijle sferen van het zuivere denken en het pure willen. God gaf aan de mens een klankbodem, het gevoel. Daarin zou het denken en willen van de mens kunnen uitwaaieren. De denkende mens zou zichzelf kunnen verbreden en verdiepen in dat gevoel, maar hij zou ook weer inspiratie opdoen uit dat gevoel. Een wonderbare harmonie is dat, een kunststuk dat met geen enkele schepping van welke kunstenaar ook te vergelijken is.
Zo gaf God aan de mens de hunkering naar de zelfontplooiing, de vreugde in de arbeid, het plezier van de zelfverwezenlijking. Dat was bedoeld om dat te beleven ter ere van God en als dienstbaarheid aan de mensheid als geheel en aan de gemeenschapsverbanden, waarin wij leven.
God gaf ook aan man en vrouw de gevoelsbeleving van de liefde voor elkaar. Het was Gods opdracht dat zij hun lichamen ten dienste zouden stellen van de voortplanting van het menselijk geslacht. Maar de Heere heeft ook dat alles prachtig ingebed in een rijk geschakeerd gevoelsleven. Het voortbrengen van kinderen is nu niet het resultaat van een nuchter wilsbesluit dat men neemt uit gehoorzaamheid aan Gods opdracht. Dat groeit nu uit een totale gevoelseenheid tussen man en vrouw die in zichzelf zo zuiver en rijk is dat de Heilige Geest die eenheid gebruikt om in de Bijbel weer te geven de eenheid tussen God en Zijn volk en tussen Christus en Zijn Gemeente.
God gaf aan de mens ook de opdracht om Hem lief te hebben „met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw verstand en met al uw krachten". En ook daaraan heeft Hij een diepe en rijke gevoelsvreugde verbonden. Dat is het religieuze gevoel.
Alles is bedorven
Helaas, de zonde heeft alles kapot gemaakt. Daardoor hebben wij — en dat is tevens onze straf — de bedoelingen van de Schepper volkomen in het tegendeel doen veranderen. Wat eerst bedoeld was als steun en verrijking van ons denken en willen, keert zich daar nu juist tegen. Paulus beschrijft dat op ontroerende wijze in Rom. 7.
De vreugde in de ontplooiing van onszelf ten dienste van God en van Zijn Koninkrijk en aldus ook van de gemeenschap waarin wij leven, is misvormd tot hebzucht en hoogmoed. We proberen zoveel mogelijk voor onszelf bij elkaar te schrapen. We jagen naar eigen eer. We stinken van zelfvoldaanheid. We werken met de ellebogen om de eerste plaats te bemachtigen. We gaan desnoods over lijken om onze zelfzuchtige doeleinden te bereiken.
En bijzonder schrijnend is de ontwrichting in de gevoelsverhouding tussen man en vrouw. Wat bedoeld was als een diepere beleving van de persoonlijkheid van de ander, als een uitdijen van de liefde naar de sferen van de gevoelsverrukking, verwondt nu vaak de persoon van de ander en is oorzaak van verwijdering en vervreemding in plaats dat het de gehuwden dichter bij elkaar brengt. Het sexuele verlangen is een eigen leven gaan leiden en is tot begeerte geworden. Daardoor voelt de ene huwelijkspartner, vooral de vrouw, dat hij/zij verlaagd is van persoon tot lustobjekt van de ander.
De revolutie van de mens tegen God in het paradijs heeft tot gevolg gehad dat de gevoelens in de mens eveneens in opstand zijn gekomen tegen de geest van de mens en nu zelfstandig opereren. Ze hebben geen oog meer voor het harmonische geheel en werken daarom verwoestend en ontredderend.
Ook het religieuze gevoel is ontwricht
Dat gevoel keert zich nu ook tegen de levende God. Het wil een eigen leven leiden. Het schept zich zijn eigen goden. Het wil niet meer aan God gehoorzamen. Welk een verwoesting het religieuze gevoel heeft aangericht, kunt u gadeslaan, wanneer u de geschiedenis van de vele godsdienstoorlogen leest. In de naam van de heilige God, in de naam van Christus die in uiterste liefde Zichzelf gaf om ons te redden van de eeuwige ondergang, is er gemoord en geraasd en gevloekt, zijn er vele veldslagen geleverd met alle verschrikkelijke verschijnselen die daarmee gepaard gaan: verkrachting van weerloze vrouwen en meisjes, wreedheid op allerlei gebied, haat en verbittering. Dat religieuze gevoel heeft kinderen Gods in de tijd van de Reformatie op de brandstapel gebracht, heeft waarachtige gelovigen te allen tijde, ook bij protestantse kerken, in de eenzaamheid gestoten, uitgebannen, omdat ze zich niet wilden en niet konden conformeren aan de religieuze clan, waartoe ze behoorden.
Allerlei diktators hebben het religieuze gevoel ingeschakeld om de massa's zo sterk mogelijk aan zich te binden. Het laatste duidelijke voorbeeld is geweest: Hitler-Duitsland met zijn mystiek van „bodem, bloed en ras", de verering van de Übermensch. Hoeveel kerkelijke verdeeldheid is niet een gevolg van het religieuze gevoel dat is gaan domineren? Men heeft bepaalde persoonlijke inzichten in de Bijbel religieus geladen en heeft aldus christenen tegen elkaar opgejaagd.
Alleen het geloof is richtinggevend
Want het geloof richt zich op het Woord Gods, dat de enige en beslissende norm is voor alles in de mens, dus ook voor zijn gevoelsleven, dus ook voor zijn religieuze gevoel. Altijd weer heeft de mens de neiging om zichzelf, dus ook zijn religieuze gevoel, tot norm te nemen.
Ik merk dat nog al eens bij sommige, overigens oprechte, Schriftgelovige, reformatorische christenen. Ze komen dikwijls onder de indruk van de devotie die ze aantreffen in r.-k. kerken. De gewijde stilte die er heerst of de prachtige gregoriaanse muziek, de godsdienstige sfeer die er hangt in de oude kathedralen, grijpt hen aan en ze vergoelijken daardoor allerlei pertinente dwalingen van de r.-k. kerk, die radikaal tegen het Evangelie ingaan. En zo beschouwen ze r.-k. priesters en kloosterlingen alleen op grond van de vroomheid, de devotie waarmee zij spreken en handelen, als broeders en zusters in Christus. Diezelfde tendens tref je aan in de houding van velen tegenover de charismatische beweging.
Versta me goed: ik wil niet zeggen dat je dergelijke devote en charismatische rooms-katholieken dan maar van je moet afstoten door hen met harde taal hun dwalingen voor te houden. Integendeel, juist zulke mensen staan open voor het Evangelie, wanneer je hen met alle liefde de volle rijkdom van het echte Evangelie ontvouwt Maar dat kun je alleen doen, wanneer jezelf een heldere kijk hebt op het verschil tussen het christelijke geloof en het religieuze gevoel, de vroomheid of devotie. Als je die twee met elkaar verwart, kun je zulke mensen niet helpen. Integendeel, dan versterk je hen alleen maar in hun dwalend inzicht.
Het geloof herstelt alles
Wanneer de mens tot waarachtig geloof in Christus komt, dan wordt hij „een nieuwe schepping". Dan wordt alles anders in hem. Hij wordt weer herschapen naar de oorspronkelijke bedoeling die God met de mens had. De ontwrichting die de zonde in hem teweeg bracht, wordt wel niet helemaal weggenomen, maar de mens ontvangt een nieuw beginsel; hij ontvangt het heilige Beginsel Gods: „Omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven is" (Rom. 5:5).
Die Geest in ons is een kracht tegen onze zondige ik-drift en herstelt de in ons geschapen neiging tot de zelfontplooiing in de juiste orde namelijk van de liefde, van de dienstbaarheid aan Gods Koninkrijk en de naaste.
Die Geest ook herstelt man en vrouw in de oorspronkelijke bedoeling die God ermee had. Er is geen gelukkiger huwelijk denkbaar dan van een man en vrouw, die beiden kind van God zijn, die het werk van de Heilige Geest in elkaar mogen bespeuren. Heel hun gevoelsverbinding met elkaar wordt gereinigd en verdiept door deze liefde Gods die in hen is uitgestort door de Heilige Geest die hen gegeven is, tot in alle sferen van hun mens-zijn, dus ook tot in de sfeer van de erotiek en de sexualiteit.
Natuurlijk betekent dat niet dat ze geen last meer zouden hebben van zondige neigingen. Ik zei het reeds: tegenover die zondige neigingen komt iets nieuws te staan, komt de Geest te staan die hen in Christus vernieuwt, maar de zondige neigingen zelf verdwijnen nooit helemaal.
Ook het religieuze gevoel wordt hersteld
…hersteld in zijn oorspronkelijke bedoeling. Daar heb ik lang moeite mee gehad. Toen ik over was gegaan naar de Reformatie, leerde ik daar prachtige, bijbelse waarheden o.a. óók, dat je niet op je religieuze gevoel, op je vroomheid of devotie mocht steunen. Maar in het klooster was ik door intense persoonlijke worsteling langzaam gegroeid naar mystieke ervaringen. Voordat ik verder ga, is het wellicht goed nader te omschrijven, wat ik daarmee bedoel, want het woord „mystiek" heeft bij veel christenen een andere inhoud.
Ik bedoel met mystiek eigenlijk niets anders dan de beleving van het religieuze gevoel. Dat is het gevoel van het oneindige, het eeuwige, het onmetelijke. Met opzet spreek ik over het gevoel van „het" oneindige enz. Dit gevoel namelijk is in zekere zin onzijdig; het kan zich hechten ook aan allerlei andere voorwerpen, ook aan afgoden. En buiten het christelijk geloof kan dat religieuze gevoel ook alleen maar zich hechten aan afgoden.
Maar via dat religieuze gevoel was het alsof ik iets zag van het blinkende gewaad van God, Zijn voetsporen in de schepping. Ik zag Hemzelf niet. Ik ontmoette Hem niet als de barmhartige Vader, die alleen in Christus mij volstrekt genadig was. En toch hunkerde ik heel sterk naar die levende God. En in het religieuze gevoel, in de mystiek, was het alsof ik Hem soms heel dicht naderbij kwam.
Toen ik dus eenmaal tot geloof in de levende God was gekomen, de God van Abraham, Izaak en Jakob, de Vader van onze Heere Jezus Christus, zag ik ook wel duidelijk het verschil tussen dit geloof en het religieuze gevoel. In de gereformeerde kerken, waar ik lid van werd, moest men over het algemeen niets hebben van mystiek. Je behoorde een stoere calvinist te zijn, een man van de christelijke daad. Ik luisterde daar telkens naar, omdat ik wel wist dat ik na mijn uittreden uit de r.-k. kerk nog heel wat roomse indoctrinatie had meegenomen, die nog uitgezuiverd moest worden door het Woords Gods.
En toch vond ik geen bevrediging in die toch min of meer kille geloofshouding. Wanneer plotseling de verrukking van de diepe eenheid met de heilige en barmhartige God over mij kwam, had ik er moeite mee om dat van mij af te schuiven als onbijbels. En langzamerhand begon ik ook in te zien, dat de Bijbel geen gereformeerd handboek is van de theologie. Ik bespeurde in allerlei woorden van de Bijbel de geut van het gelouterde religieuze gevoel. Hoe kun je aan allerlei uitdrukkingen van de Bijbel recht doen, wanneer je ze wilt dwingen in een calvinistisch denkschema, zonder ze geweld aan te doen? Ik denk b.v. aan 1 Petr. 1:8: „In Hem… verheugt gij u met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde". En aan deze uitroep van Paulus: „O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen… Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen!" (Rom. 11:33-36).
Het was voor mij dan ook een blijde verrassing, toen ik voor het eerst bij een medechristen diezelfde gevoelsverbrokenheid ontdekte voor het aanschijn van de heilige God. Dat was tijdens een gespiek met een predikant van de gereformeerde gemeente. Bij hem ontwaarde ik datzelfde schreien voor de Heere, waarover ik schreef in IRS, febr. 1978 p. 26-27. Ik zal dat nooit meer vergeten. Ik weet nog precies, waar wij dat gesprek hadden.
Het was een hele opluchting voor mij. Ik was dus geen eenling. Je kunt dus, zo bemerkte ik, volkomen onze belijdenisgeschriften aanhangen en toch overweldigd zijn door schuldgevoel, niet als een neerdrukkend iets, maar als een loutering en als een aanbidding van de heilige God. En sindsdien ben ik mij steeds meer gaan overgeven aan het levende Woord van God en ben gaan inzien dat onze belijdenisgeschriften, hoe mooi op zichzelf ook, toch ook maar een menselijke en dus beperkte weergave zijn van het over-rijke Woord van God. God heeft mij niet geroepen om een calvinist of een gereformeerde te zijn, maar een christen, dat is: „Dat ik door het geloof… de zalving van Christus deelachtig ben" (Heid. Katechismus zd. 12). En Christus was gezalfd met de Heilige Geest. Daarom kan de brief aan de Hebreeën aan de Messias-Koning deze hymne toezingen: „Daarom heeft U, o God, Uw God gezalfd met olie der vreugde boven uw medegenoten" (1:9). Wij die als gelovigen delen in de zalving van Christus, mogen dus ook ons gehele gevoel delen in de verootmoediging van de nederige en zachtmoedige Christus (Matth. 11:29), maar ook in Zijn vreugde.
Wij hoeven het niet af te wijzen, wanneer ineens die stilheid over ons komt, dat ontzag voor de grootheid en oneindigheid van God, wanneer de heerlijkheid Gods je tegenstraalt en je Zijn nabijheid soms zo sterk kunt voelen dat het bijna pijn doet. Nogmaals, dat religieuze gevoel, die beleving van de heilige en barmhartige God, mag nooit onze norm worden. Norm is en blijft alleen het Woord van God, ook voor onze religieuze beleving of bevinding. Dat Woord moet ook voortdurend ons religieus gevoel louteren en korrigeren, anders vervallen we toch weer tot de kultus van de afgoden.
Wij mogen ons inleven in de Godservaring van Mozes bij het brandende braambos en bij de verschijning van de Heere, toen Hij hem van achteren de luister van Zijn heerlijkheid liet zien (Ex. 33:18-23). We mogen er met ons gevoel bij zijn, wanneer we lezen hoe de Heere Zich aan Elia openbaarde (1 Kon. 19:9-13).
En we mogen met Paulus vol aanbidding uitroepen: „Aan de Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen!" (1 Tim. 1:17).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
