Een rijke kerk in een arm dorp
Wij bezochten voor het eerst het dorp Cogitambo, meer dan drieduizend meter hoog gelegen in het Andesgebergte, om daar het Evangelie te verbreiden. We meenden er goed aan te doen eerst een bezoek te brengen aan de pastoor van de plaats.
Hij was niet thuis, maar men bracht ons naar een kerk in aanbouw. Daar troffen we hem aan bij dat geweldige werk, opgetrokken uit gepolijste steen, dat nu zijn voltooiing naderde na jarenlange arbeid.
Alle materiaal werd gewonnen in het dorp zelf, met uitzondering van de cement. Enkele mensen werkten in een steengroeve, niet ver daar vandaan; anderen droegen de stenen op de schouders aan, terwijl de steenhouwers ze bewerkten om er de juiste vorm aan te geven. De metselaars trokken de muren op langs de steigers, terwijl de vrouwen en kinderen de cement mengden en klaar maakten om ze vervolgens door middel van een katrol omhoog te hijsen.
De pastoor stond ons heel vriendelijk te woord. Hij vertelde dat deze zwerm arbeiders verplicht zijn twee dagen per week aan dit projekt te werken. Bovendien moeten ze maandelijks een vastgesteld bedrag betalen voor de aanschaf van het materiaal. Iemand die om welke reden dan ook een dag moest verzuimen, dient in plaats daarvan een bepaalde som te betalen voor elke dag die hij niet kon komen. Het was een geweldig en prachtig gebouw en het zou anders niet mogelijk zijn geweest om het op te trekken, gezien de uiterst armoedige toestand van de bevolking. De fondsen van de parochiekerk werden gevormd door de mishonoraria, door de responsories (bepaalde gezongen gebeden voor de afgestorvenen), door de doopsels, de huwelijksinzegeningen, de koliekten bij allerlei plechtigheden, de offerblokken voor de heiligenbeelden, door extra vrijwillige bijdragen voor de bouw en door feesten die georganiseerd werden ten bate van de bouw.
De pastoor van zijn kant heeft als bezitting twee grote „haciendas" (uitgestrekt landgoed met een of meer boerderijen erop) elders in het gebergte; verder streek hij nog geld op bij iedere begrafenis, want het kerkhof was ook zijn eigendom. En zijn bezoeken aan omliggende gehuchten die bij zijn parochie behoorden, leverden nog eens heel wat geld op.
Toen wij de gezinnen bezochten om hen het Evangelie te brengen, kwamen we erbarmelijke toestanden tegen. De huizen waren van leem, de vensters en deuren van ruwe, aan elkaar gespijkerde planken. Buiten het dorp was de situatie nog erger, vooral onder de Indianen. Ze leven in hutten van aarde met een dak van stro, zonder venster, zonder kachel of fornuis, zonder meubels. Op de grond drie stenen, waarop een lemen pot om te koken. In de hoek ligt wat stro, waarop ze slapen. Natuurlijk was er geen water noch elektriciteit. We vroegen aan zulk een gezin, hoeveel kinderen ze hadden. Antwoord: vier in leven en acht gestorven, anderen: acht in leven en tien gestorven, vijf in leven en zeven gestorven enz.
Hun inkomsten krijgen ze door het weven van sombrero's (hoeden van fijn stro met brede randen) of als dagloners bij de omliggende haciendas (grote boerderijen). Indien ze bedreven zijn in het vak van hoeden-weven, kunnen ze vijftig sucres (ongeveer ƒ 5,—) per dag verdienen. De meesten bezitten een stukje grond, waarop hun hut staat en waarop de moeder wat probeert te verbouwen, plus een kippenhok. Maar ook van de povere opbrengsten van die grond moeten ze nog de eerstelingen en de tiende aan de kerk overdragen.
De kinderen sterven door ondervoeding, maag- en darmontstekingen en ingewandswormen. De volwassenen sterven door tuberculose, een gevolg van het voortdurend inademen van het stof van het stro bij het maken van de sombrero's, en door alkoholmisbruik. De meeste volwassenen zijn analfabeet en de kinderen moeten heel ver lopen om een openbare school te kunnen volgen.
Ik heb deze uiterst armoedige omstandigheden beschreven, omdat ze typerend is voor hen die leven in het Andesgebergte van Ecuador en in andere plaatsen van Latijns Amerika.
En dan stelt zich vanzelf de vraag: Wat heeft de R.-K. Kerk gedaan in die vierhonderd jaren dat zij de schepter zwaait over dit kontinent? Hoe hebben ze de geweldige bedragen aan geld gebruikt, die ze van de armen kregen, die bedreigd werden met de straffen van het vagevuur?
De verklaringen van de kerkelijke hiërarchie over de sociale gerechtigheid zijn alleen maar bombast. De uiteenzettingen in boeken en tijdschriften over de „theologie van de bevrijding" zouden een hele bibliotheek kunnen vullen, maar tot nog toe hebben ze geen effekt gesorteerd. Het zijn alleen maar produkten van studeerkamers en geduldige schrijfmachines. De weinige programma's die priesters opzetten voor sociale hulp en die voortdurend in de publiciteit naar voren worden gebracht, krijgen hun fondsen van de regering en van hulp uit het buitenland. Maar het grootste gedeelte van deze fondsen wordt besteed voor het bouwen van kerken of van prachtige scholen en internaten, bestemd voor de kinderen van de bevoorrechte klasse.
De Rooms-Katholieke Kerk is niet slechts de machtigste financiële onderneming in Ecuador, maar kan zich bovenden de weelde veroorloven om kostbare deviezen naar het buitenland te zenden voor de moederhuizen van kloosterorden in de zgn. rijke landen, voor instellingen in stand te houden in het Heilige Land, voor steun aan de missies die uitgaan van de Propaganda Fide (het Departement van het Vatikaan dat de missies in de „heidense" landen organiseert), voor de enorme kosten die besteed worden aan de processen van zalig- en heiligverklaringen in Rome enz. Wie werkelijk iets waardevols doen voor deze allerarmsten, dat zijn de evangelische zendelingen en predikanten. Zonder publiciteit, zonder salaris van de regering, zonder gewichtige verklaringen over sociale gerechtigheid die de kranten moeten halen, liefst de voorpagina, geven zij zichzelf aan deze bevolking om hen door Woord en levenshouding het nieuwe leven in Christus te verkondigen. Zij trachten deze verstotenen bewust te maken van hun menselijke waardigheid en vooral van hun eeuwige waardigheid in Christus, opdat ze ontwaken uit hun apathie, hun matheid en moedeloosheid en zichzelf gaan respekteren en zich uit het stof zelf naar omhoog werken. De evangelische kerken van Ecuador zetten zich in voor het ganse heil dat Christus is komen brengen, allereerst het heil voor de verloren zondaars door de genade in Jezus Christus, maar ook het heil van de nieuwe levenskracht in Hem, waardoor deze armen zelf uit innerlijke noodzaak gaan bouwen aan een nieuwe toekomst, ook op maatschappelijk gebied. Deze evangelische kerken trachten gehoor te geven aan het voorbeeld van Christus: „Ik ben gekomen niet om gediend te worden, maar om te dienen". De eerste stappen tot verbetering van de sociale omstandigheden van deze armen zijn reeds gezet. Er is echter nog zo enorm veel om te doen. Maar wij hebben althans de gelegenheid om de liefde van Christus te tonen ook in het praktische leven daar waar de Rooms-Katholieke Kerk die gelegenheid al eeuwen lang verzuimd heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
