Assepoester
De kerk een saaie bedoening?
De samenkomsten van christenen zijn een saai, onverkwikkelijk ritueel geworden, waar velen heengaan om een volkomen voorspelbare voorstelling bij te wonen, geheel opgevoerd in een sfeer van „eerbied" die geen gezellige omgang tussen de mensen duldt, geen gedachtenwisseling, geen diskussie over de waarheid, en die de mensen ook geen gelegenheid geeft om hun onderlinge christenliefde te uiten dan op een zeer oppervlakkige wijze.
Wat we enorm missen is de ervaring van „het leven als lichaam", de warme gemeenschap van de ene christen met de andere, door het nieuwe testament koinonia genoemd… In de vroegste Gemeente zien we een soort levensritme waarbij de christenen in hun huizen samenkwamen om elkaar te onderrichten, om samen de heilige Schriften te bestuderen en te bidden, en elkaar te dienen met de gaven van de Geest. Daarna gingen ze er weer op uit, boordevol liefde. Hun vuur en warmte lieten ze overvloeien in een spontaan christen-getuigenis dat de heideren, hunkerend naar ware liefde, aantrok zoals een snoepwinkel kleine kinderen trekt… Het is de Kerk van onze tijd gelukt de koinonia bijna geheel uit te bannen, door de getuigenis van de Gemeente te verschralen tot louter verkondiging (kerugma).
Harde woorden van Emil Brunner
„Niet de vijandigheid van de ongelovige wereld tegen Christus is steeds weer de grootste vijand geweest van de christelijke boodschap en de in Christus worielende broederschap, maar het valse kerkisme van kerkvorsten en pausen". Emil Brunner, Das Missverstandnis der Kirche, p. 117, 118.
Dit lijken harde woorden wanneer men denkt aan alle trouwe godvrezende herders en leraars die met een te klein traktement overal ter wereld zwoegen om de Gemeente te bouwen. Maar het versteende systeem, meer dan de mensen zelf, heeft Brunners toorn gewekt, (p. 168).
De oplossing van H. Kraemer
De mensen hebben er vrede mee om week in week uit en jaar in jaar uit „diensten bij te wonen". Ze raken voldoende vertrouwd met de andere gemeenteleden om hun gezichten te herkennen, maar in veel gevallen leren ze hen nimmer als mensen kennen. Toen Paulus zijn reis onderbrak in Troas, waar hij de boodschap bracht die tot middernacht duurde, kwam er een onderbreking die volgde op de val van Eutychus; daarna brak men het brood, toen volgde de maaltijd die ze samen gebruikten, waarna ze nog verder met elkaar spraken tot aan de morgenschemering toe. Uit dit alles krijgen we de indruk dat er een diepte aan saamhorigheid en enthousiasme bestond die onze gemeenten tegenwoordig net zo bard nodig hebben als zij destijds. Hendrik Kraemer schrijft:
Langs welke wegen is het mogelijk in nieuwe vormen van gemeenschap en saamhorigheid uitdrukking te geven aan het nu nog maar nauwelijks te bespeuren feit dat de kerk een christologische broederschap is? Hoe de sociologische gevangenschap waar zo dikwijls over gesproken wordt, te doorbreken? De enig aangewezen benadering is de indirekte weg door werkelijke gemeenschappen van wederzijdse opbouw, getuigenis en dienst te zijn; het bouwen van echte christelijke cellen in de woestijn van het moderne leven.
Waarheen men zich tegenwoordig ook wendt, overal blijkt hetzelfde verlangen in het hart van Gods volk te bestaan, dat de Gemeente zich waar maakt als een nieuwe gemeenschap doordat ze echt is in haar aanbidding en verering van God. Laten de christenen gaan inzien dat ze geen op zichzelfstaanae zoekers naar waarheid zijn, geen geïsoleerde strijders tegen verleidingen en eenzame vereerders van God, opgesloten binnen de grenzen van hun eigen subjektieve godsdienstige ervaring. Zij moeten zichzelf gaan herkennen als ledematen van „het lichaam", de nieuwe gemeenschap die hier en nu tot volmaaktheid wordt gebracht en die Gods zegevierende volk zal zijn bij de verlossing op de jongste dag. (p. 127-128).
Blijf niet alleen staan
Ook al heeft Griffiths (en anderen met hem) dan kritiek op de kille struktuur van veel bestaande kerken, hij veroordeelt vanuit de Schrift evenzeer hen die zich afzijdig houden en zich niet bij een kerk willen aansluiten.
Er zijn van zulke mensen die alleen hun persoonlijke stille tijd houden en als het zo uitkomt nu eens naar deze kerk gaan en dan weer naar die samenkomst of meeting. Ze grasduinen zo hier en daar wat, overal en nergens, al naar het uitkomt, zonder ooit echt in een gemeente van Gods volk op te gaan. Zulke mensen missen iets wezenlijks. Ze zullen zich als christenen nooit goed ontwikkelen en volwassen worden, evenmin als het kind en de aap zich normaal zullen ontwikkelen die in volstrekte isolatie in het laboratorium zijn grootgebracht. Hun ontbreekt de wezenlijke kommunikatie en onderlinge omgang met hun medegelovigen. We kunnen meelij met ze hebben, maar mogen hen ook helpen (p. 79).
Geestelijke intimiteit
Griffiths laat op prachtige wijze de heerlijkheid van de Gemeente van Christus zien, zoals die ons in de Bijbel getekend wordt en hij roept iedereen op om zich in te zetten voor de omvorming van de bestaande kerken naar dat ideaal. Hij schrijft: Steeds weer wanneer ik andere christenen ontmoet in vreemde landen ben ik intens blij met wat Paulus zegt in Efeziërs 2 : 1 9 : „Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods". Deze uitdrukking „huisgenoten Gods" en de daarop lijkende uitdrukking „geloofsgenoten" in Galaten 6 : 1 0 (letterlijk staat er in het Grieks: huisgenoten van het geloof) zijn een goed beeld van de intimiteit van het huisgezin met zijn warmte en bescherming. En dat mag de Gemeente nu precies voor ons zijn: een plaats waar we ons veilig voelen, waar we onszelf kunnen zijn en ons niet hoeven te verschuilen achter een fa^ade; een plaats waar er voor ons gezorgd wordt en wij voor elkander zorgen. Er zijn heel wat meer uitdrukkingen in het nieuwe testament waarin de intimiteit van het huisgezin doorklinkt, maar sommige zijn zulke cliché's geworden dat we hun intieme warmte niet meer voelen. Denk alleen maar aan uitdrukkingen als „om vele zonen tot heerlijkheid te brengen"; „daarom schaamt Hij zich niet, hen broeders te noemen"; „Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden der Gemeente zal ik U lofzingen"; „ziehier, ik en de kinderen die God mij gegeven heeft". Dan beseffen we dat, hoewel de woorden en het onderricht er wel zijn, wij ze zo vaak beroven van hun oorspronkelijke spanning en warmte, (p. 81).
Aanbidding volgens C. S. Lewis
Bijzonder blij was ik met een citaat uit het boek van C. S. Lewis: „Reflections on the psalms", dat door Griffiths wordt aangehaald. Ik heb namelijk de protestantse erediensten altijd zo arm aan aanbidding en lofprijzing gevonden. Griffiths schrijft: In een van zijn typische levendige passages bekent C. S. Lewis hoezeer hij vroeger twijfelde aan de mogelijkheid dat God zelf ons zou vragen om Hem te prijzen. Hij vond toen dat dit leek op iemand die zei: Wat ik het liefste wil is dat men mij zegt hoe goed ik ben en hoe groot.
„Ik had er destijds geen oog voor dat al onze blijdschap spontaan overgaat in een lofprijzing, tenzij (soms zelfs: als) anderen het verhinderen door ons opzettelijk verlegen of bang te maken dat we hen vervelen. De wereld weerklinkt van de lofprijzingen: minnaars die de lof zingen van hun geliefde, lezers die het doen van hun lievelings-dichter, wandelaars die het landschap prijzen, spelers die hun lievelingsspel loven — de lofzang op het weer, op wijnen, schotels, toneelspelers, auto's, paarden, universiteiten, landen, historische personen, op zijn kinderen, bloemen, bergen, zeldzame postzegels, zeldzame kevers, soms zelfs op politici of geleerden. Ik had er niet op gelet hoe de nederigste en tegelijk meest evenwichtige en ruime geesten de grootste lofzangers zijn… Ik had ook niet gemerkt dat, zoals mensen spontaan de lof zingen van iets waaraan ze veel waarde hechten, ze ook spontaan bij ons aandringen om mee te doen: „Is zij geen schoonheid?" Was het niet geweldig? Vind je dat niet magnifiek? De psalmdichters die iedereen zeggen dat ze God moeten prijzen, doen daarmee hetzelfde wat iedereen doet als hij spreekt over iets wat heel ziin hart heeft".
Woorden als „fabelachtig", „fantastisch", „eindeloos" zijn de taal van spontane lofprijzing omdat men de waarde van iets inziet. Dat is verering en aanbidding! In de lofprijzing, verering en aanbidding wisselen wij wederzijds onze vreugde uit over alles wat ons tot zegen is geweest. Als we met vrienden samen zijn, vertellen we hun graag iets over de beste boeken die we onlangs gelezen, de mooiste l.p.'s die we gehoord hebben, de zeldzame vogels die we gezien, of de vlinders die we gevangen hebben en de grootste vis die ons juist ontsnapt is. Precies zo willen ook christenen wanneer ze bijeen zijn, spontaan spreken over de wonderbare rijkdommen van Gods wezen en genade, en over Zijn aandacht voor het kleinste detail van Zijn verlossingsplan, ver boven ons bidden of denken, (p. 125).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
