Het grondpatroon van de reformatie
III
Het derde thema is: „Tot Christus behoren".
Ik heb wat geaarzeld over de volgorde van punt drie en vier. (vier is: „door de Heilige Geest herboren"), maar u zult wel merken waarom ik begin met „tot Christus behoren". Christus was voor Rome geworden tot een - Luther zegt het graag zo: - een soort Mozes, tot een wetgever en voorbeeld, die we na moeten doen. Maar nu ligt hier de slagader van de reformatorische prediking: Christus is principieel en fundamenteel anders en meerder dan iemand die voorschriften geeft! Christus is Degene die zegt: „Ik zal het doen en Ik zal het volbrengen en Ik heb het volbracht".
Hier klopt het hart! De prediking van de reformatoren wordt lyrisch en jubelend van toon als ze over Christus begint. Typisch voor de reformatietijd is, dat de ambtenleer zoveel aandacht krijgt, dus de leer dat Christus Koning, Profeet en Priester is.
Dat is een geweldige greep geweest van de reformatoren: het werk van Christus komt zo omvattend mogelijk aan de orde en ter sprake. Luther stelt Christus graag tegenover Mozes. „De duivel verandert zich graag in Christus. Hij bedriegt ons en hij sleept ons als een buit mee. En dat doet hij door het kleed van een valse Christus aan te trekken; want de duivel, die schalk en tegenstander, kan ons maar nooit een andere Christus leren en tonen dan alsof Hij een wetgever, een aanklager, een rechter was, zoals ook de Paus dat heeft gedaan. (Wat hebben wij vandaag toch dikwijls nog weinig geleerd, want wat spreken ook wij nog dikwijls over Christus alsof Hij een soort tweede aanklager en wetgever is!) Maar Christus is de verkondiger van het Evangelie aan de armen. Hij is de Heiland, de Middelaar en Trooster van bedroefden en ellendigen, die gekomen is om zalig te maken".
Ziet u, Christus is voor Luther niet de Man die zegt: „Nu kom Ik u een handje helpen"maar Christus is degene die de Overwinnaar is van zonde, dood en duivel en wet. Want al die machten zijn uitgewoed op het vlees van Christus.Zij dachten op Golgotha (en in Gethsémané en in het graf van Christus) te overwinnen, maar het is precies andersom! En nu hebben de dood, de duivel, de hel en de zonde hun recht, hun volmacht verloren. Het behoren tot Christus - en nu begrijpt u waarom ik dat toch vooraf laat gaan aan het vierde punt „door de Heilige Geest herboren" - vangt niet eerst aan in de wedergeboorte, maar dat ving aan in het 1 even, in het lijden, het sterven en in de opstanding van Christus; je kunt zelfs zeggen, dat ving aan van eeuwigheid. Als Luther preekt over de tekst: „Ik ben met Christus gekruisigd", (Paulus zegt eigenlijk: „Ik ben met Christus medegekruisigd") dan tekent Luther daarbij aan: „Paulus spreekt hier van die verheven medekruisiging, waardoor de zonde, de duivel en de dood in Christus, niet in mij, gekruisigd zijn. Hier verricht Christus alles". Nu begrijpt u denk ik ook wel, waarom Kohlbrugge, toen ze aan hem vroegen: „waar ben jij bekeerd", kon zeggen: „Op Golgotha". Daar heeft Jezus het volbracht, toen ik nog niet geboren was, toen wij nog vijanden waren; toen is Christus te Zijner tijd voor goddelozen gestorven. Wat Christus deed, dat mag men nooit losdenken en afdenken van Zijn Lichaam, dat is Zijn Gemeente. Wat Hij deed, verrichtte Hij voor en met Zijn Kerk! Hij droeg als het Lam van God de zonden van de wereld en Hij droeg in Zijn Middelaarshart heel Zijn Gemeente bij Zich! Hij is immers de Zaakwaarnemer! Hij is immers de Plaatsbekleder! Luther zegt graag: „Hij deed het „pro deo", Hij deed het voor mij" en dan roept hij zijn gemeente toe: „Fúr dich, fúr dich"!, d.w.z. voor u, voor u heeft Hij het gedaan, schrijft dat met grote letters:
„VOOR U, in uw plaats." Daarom zegt Luther:, Je moet die duivel altijd van je af verwijzen; je moet zeggen: bij mij moet je niet zijn, schalk en bedrieger, je moet bij mijn Christus zijn". Dat is het beroep op wat Luther noemt „de vrolijke verwisseling" „de vrolijke ruil": Christus is op deze aarde gekomen en Hij heeft die zondaren aan de kant geschoven en gezegd: „Geef heel je vijandschap maar aan Mij; dan krijg je van Mij wat anders ervoor in de plaats: Mijn leven, Mijn gerechtigheid, Mijn voldoening, Mijn verzoening". Zegt Paulus het niet precies eender (trouwens het Griekse woordje verzoening betekent ongeveer: verwisseling), als hij spreekt over verzoening in 2 Korinthe 5: „Hij Die geen zonde gekend heeft, Die heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem". Daar hebt u het hart van het hele„Evangelie. Dus Luther kan niet over Christus spreken als een abstractie; wat Hij deed, deed Hij in mijn plaats: „De één zondigt (de mens) en de Ander doet genoeg (Christus). De Eén komt de vrede toe (Christus) maar de ander krijgt haar (de zondaar). Die de vrede hebben moet, Die krijgt de straf en, wederom, die de straf hebben moet, die heeft de vrede, ja, het is een zwaar ding om te verstaan wat Christus is".
In de befaamde „Heidelberger Disputatie" zegt Luther, als een samenvatting van alles wat hij bedoelt: „Derhalve, in de gekruisigde Christus ligt alle ware theologie en ligt alle ware Godskennis". Kijk, dit borgwerk van Christus betekent, dat Christus mijn hele persoon, deze hele ellendige natuur heeft aangenomen en dat Hij mij Zich eigen heeft gemaakt. En Luther zegt: er zijn mensen die geloven met een historisch geloof aan Christus, zoals de Turken in Hem geloven; maar het rechte geloof maakt uit u en uit Christus a.h.w. één persoon, zodat gij niet meer los van Christus staat, maar aan Hem vast kleeft alsof gij moest zeggen „ik ben Christus" en alsof Hij moest zeggen „Ik ben die zondaar daar, want hij hangt aan Mij vast en Ik aan hem".
Deze zelfde verzoeningsleer vindt u bij Calvijn (en vooral: deze zelfde verzoeningsprediking, want dit alles is prediking): „Christus heeft de persoon van de schuldige en de boosdoener gedragen". Calvijn zegt bij Gelaten 3 vers 13 (Christus is voor ons een vloek geworden): „enerzijds was Christus het onbevlekte Godslam en als zodanig vol van zegen en genade, anderzijds had Hij onze persoon aangenomen, is Hij onze Plaatsbekleder geworden. Daarom stond Hij daar als een vervloekte zondaar, niet op Zichzelf en niet voor Zichzelf, maar omdat Hij daar stond in onze plaats".
En in zijn Institutie treffen wij dit indrukwekkende gedeelte aan: „Daar wij dan zien dat de gehele hoofdsom onzer zaligheid en ook al de delen afzonderlijk in Christus begrepen zijn, zo moeten wij ons ervoor hoeden dat wij zelfs niet het geringste deeltje op een ander overdragen. Indien men dan zaligheid zoekt (en het is alsof je Calvijn ziet staan preken, nietwaar, want hier is hij niet meer bezig met dogmatiek, maar nu is hij bezig de menigerlei genade Gods uit te delen), door de Naam van Jezus Zelf wordt ons geleerd, dat ze bij Hem te vinden is; indien men dan gaven van de Heilige Geest begeert, welke dan ook, in Zijn Zalving zullen ze gevonden worden; zoekt men sterkte, in Zijn Heerschappij is ze; reinheid, ze vertoont zich in Christus' ontvangenis; zoekt men goedertierenheid, wel, in Zijn geboorte is ze, doordat Hij ons in alle dingen gelijk geworden is, opdat Hij ons zal leren mede te lijden; zoekt men verlossing, in Zijn lijden is ze te vinden; vrijspraak, in Zijn veroordeling; kwijtschelding van uw vloek, in Zijn kruis; genoegdoening, in Zijn offerande; reiniging, in Zijn bloed; verzoening, in Zijn nederdaling ter helle, doding van het vlees, in Christus' graf; nieuwheid des levens, in Zijn opstanding uit de doden; onsterfelijkheid, eveneens in Zijn verrijzenis; beërving van het Hemelse Koninkrijk, in Zijn hemelvaart zult gij het vinden; bescherming, onbekommerdheid en overloed en rijkdom van alle goederen, in Zijn Rijk; en zoekt u een rustig verwachten van het Oordeel, u vindt het in de macht die Hem gegeven is om te oordelen. Kortom, daar in Jezus Christus al de schatten van alle soort van goederen zijn, moeten ze tot verzadigings toe uit Hem geput worden, en niet van elders! Want zij die met Christus niet tevreden zijn en hieren gindsheen omdolen, zij houden de rechte weg niet. Hoewel (zegt Calvijn er achteraan), dit gebrek aan vertrouwen kan niet daar binnensluipen, waar eenmaal de overvloed van zijn goederen goed bekend zijn".
Dus voor Calvijn is dit „behoren tot Christus", dit volstrekte geloofsvertrouwen op Hem (voor alles wat ik mis, en ik mis alles, maar Hij heeft alles en wat Hij heeft, dat geeft Hij ook!), dit geen deeltje op een ander overdragen, de vrucht waaraan de boom gekend wordt. Waar Christus' overvloed bekend is, daar kan, zegt Calvijn, geen halfslachtigheid t.a.v. Christus meer binnensluipen; daar zoek ik het niet meer in mezelf. Het lijdt geen twijfel, of voor onze reformatoren is alle godsdienst buiten Christus schade, drek, vuilnis.
Nog weer twee spitsen naar deze tijd:
1. Dit betekent, dat alle geploeter van degenen die, geïnspireerd en gestimuleerd door „Messias Jezus", zoals men zegt, vandaag een „leefbare" wereld aan het beplanten zijn, op een vals messianisme berust! Christus is wel Messias, maar Christus is geen inspiratiebron en geen voortrekker; daarmee is nog niets gezegd! Christus is Redder, Christus is Borg.
2. En dat betekent, binnenwaarts gericht, dat alle bevindelijkheid, die ook maar één deeltje van Christus' algenoegzaamheid afdoet - laat staan een bevindelijkheid, die niet eens aan Christus toekomt (die er helaas ook is) - even verwerpelijk is als vrijzinnigheid en verwerpelijker dan heidendom.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
