de mis
Wij hadden prof. Pulikunnel, de voorzitter van ons comité in India, de brochure Rome-Reformatie gezonden. Wij ontvingen daarop onderstaand kommentaar, dat we graag hier vertaald laten volgen.
Hartelijk dank voor uw brochure. Ik heb ze met diepe belangstelling gelezen. Mag ik enkele opmerkingen eraan toevoegen? Zoals u weet, heb ik geen theologische studies gehad. De meningen die ik hier te berde breng, komen dus slechts voort uit mijn persoonlijke studie van de Bijbel. Als ik onjuist ben, dan ben ik alleen maar blij, als u mij daarop wijst. Ik begin met de mis.
Droegen de apostelen de mis op?
Volgens de r.k.-leer is de mis de slachtoffering van het lichaam en bloed van Christus. Men heeft ons geleerd dat het brood verandert in het lichaam en de wijn in het bloed van Christus, op het moment dat de priester de woorden uitspreekt: „Dit is mijn lichaam-dit is mijn bloed" (Matth. 26 : 26-27; Lukas 22 : 19-20; Markus 14 : 22-24). Elke dag draagt de priester het misoffer op, omdat, zo beweert de r.k.-kerk, hij aldus het gebod volbrengt: ,„Doet dit tot Mijn gedachtenis" (Lk. 22 : 19).
Van de vier evangelisten hebben slechts drie melding gemaakt van dit feit. Johannes die heel lang uitweidt over wat de Here bij het laatste Avondmaal gesproken heeft, zwijgt er helemaal over.
Van de drie vinden we alleen bij Lukas deze woorden: „Doet dit tot Mijn gedachtenis". Het is ook duidelijk dat van de vier evangelisten slechts Mattheús en Johannes aanwezig waren bij het laatste avondmaal met Jezus.
De mis, en bij gevolg de leer van de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus onder de gedaanten van brood en wijn, is een van de meest belangrijke leerstukken, waarop de r.k.-kerk haar aanspraken baseert.
Als dat het geval was, dan zou het van zelfsprekend zijn dat Christus dit zo belangrijke leerstuk voor Zijn kerk ook met nadruk aan zijn discipelen heeft geleerd; én dan ligt het voor de hand dat de apostelen meteen na de dood en de opstanding van Christus begonnen zijn de mis op te dragen zoals dat nu elke dag gebeurt in de r.k.-kerk.
Waarom zweeg Johannes over de mis?
Van de andere kant nemen ook r.k.-theologen aan dat het Johannes-evangelie het laatst is geschreven.
Welnu, wanneer het dogma van de mis en van de transsubstantiatie ^verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus) van fundamenteel belang zou zijn voor het leven van Christus' kerk en wanneer Johannes zelf elke dag de mis opdroeg in gehoorzaamheid aan een bevel dat Christus zou hebben gegeven, dan is het niet te begrijpen dat hij van zulk een wezenlijk punt in de leer en in de dagelijkse godsdienstige praktijk van de jonge kerk van Christus met geen woord rept.
Vervolgens, de joden zouden met nog veel meer klem tegen zulk een dogma van de transsubstantiatie hebben geprotesteerd dan tegen het dogma van de incarnatie (vleeswording van Christus).
Wanneer zij wisten dat de christenen voor dat brood en die wijn neerknielden, dan zouden ze dat zeker streng veroordeeld hebben als afgoderij (=het bewijzen van goddelijke eer aan een schepsel) op grond van wat in de mozaïsche wet geschreven staat (bv. Ex. 20 : 4-5). Maar geen enkele van de nieuw-testamentische schrijvers probeert dat zgn. dogma van de transsubstantiatie te verdedigen tegenover anderen, die het zouden aanvallen. Nergens lezen we ook maar iets van zulk een wondermacht, die zij zouden bezitten en die zij aan de ambtsdragers van de kerk door middel van een wijding zouden kunnen overdragen. En nogmaals: Johannes zwijgt er helemaal over.
Wat bedoelde Christus ermee?
Het paasfeest was voor de joden ingesteld om de bevrijding uit de slavernij van Egypte te herdenken. „En gij zult uw zoon te kennen geven op diezelfde dag, zeggende: Dit is om hetgeen de Heere mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte toog" (Ex. 13 : 8-11).
Jezus is echter gekomen om de mensen te bevrijden uit de slavernij van de zonde. Hij heeft Zichzelf geofferd, Zijn bloed gestort voor de redding van zondaars. Het bloed dat Hij de volgende dag zou plengen, was een teken van het heil.
Tot op dat tijdstip moesten de joden, overeenkomstig het mozaïsch bevel, het pascha vieren als gedachtenis van hun bevrijding uit Egpyte. Toen Jezus zei: „Doe dit tot Mijn gedachtenis", bedoelde Hij daarmee: „Tot nog toe hebt u het paasfeest gevierd als gedachtenis van de bevrijding uit Egypte. Voortaan moet u het vieren als gedachtenis van de bevrijding uit uw zonde. Eerst was het een herinnering aan de verlossing uit een aardse slavernij, voortaan is het de herinnering uit een geestelijke slavernij nl. van de zonde".
Het bevreemdde mij, toen ik las dat er wijn werd geschonken bij het paasfeest, terwijl ik mij realiseerde dat er alleen maar ongezuurd (ongegist) brood mocht worden gegeven bij het joodse paasfeest. Waarom dan wel wijn (= gegist druivensap)? Dat was toch ook tegen de gewoonte van de joden?
Waarom?
Melchizedek offerde brood en wijn. Hij was „een priester des allerhoogsten Gods" (Gen.14: 18). Hij zegende Abraham en zeide: „Gezegend zij de illerhoogste God, die uw vijanden in uw hand geleverd heeft".
God heeft satan overgeleverd in de handen van Christus en de mensheid verlost van de zonde. Misschien wilde Christus het laatste avondmaal vieren met Zijn discipelen in de geest van deze priester van de allerhoogste God, Melchizedek.
Het brood des levens (Joh. 6)
De r.k.-kerk baseert haar leer omtrent de mis vooral op de zogenaamde eucharistische rede van Christus over het brood des levens.
In dat zesde hoofdstuk van het Johannes-evangelie lezen we, hoe de Heere door een wonder de vijf broden heeft vermenigvuldigd. De massa's volgden Hem in de verwachting dat Hij telkens weer dat wonder zou herhalen.
Maar Jezus had dat wonder voornamelijk gedaan om Zijn macht en majesteit te tonen, maar minder om hen te eten te geven. Daarom zei de Heere dan ook: „Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt" (Joh. 6 : 26). Toen begon Hij te spreken over Zichzelf als over de spijze die nimmer meer vergaat.
Wanneer wij de woorden van Christus letterlijk opvatten, dan ontkomen we niet aan de konsequentie dat Jezus dan bevolen zou hebben om op een of andere manier mensenvlees te eten en mensenbloed te drinken. Het is waar dat de Heere zegt: „Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven" (vs. 54). Maar Hij zelf zegt aan het slot dat we Zijn woorden geestelijk (dus niet letterlijk) moeten verstaan: „De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven" (vs.63). „De Geest is het die levend maakt", dus niet het (letterlijk) eten van Zijn vlees en het (letterlijk) drinken van Zijn bloed.
Het leven komt dus van Zijn Geest en het wordt ons deel door het geloof: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (vs. 47).
Voorbeelden uit het dagelijkse leven
Vaak gebruikt de Heere voorbeelden uit het dagelijkse leven om aan Zijn hoorders duidelijk te maken, wie Hij is en wat Hij betekent voor hen die in Hem geloven. Zo sprak Hij b.v.: „Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (Joh. 7 : 37-39). Maar dan volgt ook meteen de verklaring: „Dit zeide Hij van de Geest, die degenen ontvangen zouden die in Hem zouden geloven".
En verder: „Ik ben het licht der wereld" (Joh. 8:12). „Ik ben de deur der schapen" (Joh. 10 : 7-9). „Ik ben de goede herder". Bij dat alles gebruikt Jezus voorbeelden uit het aardse leven om Zijn boodschap te verduidelijken. En als Hij dan zegt: „Ik ben het brood des levens", dan moeten we daar geen zwaardere betekenis aan hechten dan wanneer Hij zegt: „Ik ben de wijnstok" (Joh. 15). Nogmaals, Jezus wil op deze manier zo begrijpelijk mogelijk voor de massa's maken wat Hij hen te zeggen heeft. Datzelfde vinden we ook bij het verhaal over de Samaritaanse vrouw in Joh. 4. Hij gebruikt daar het beeld van het water. De vrouw verstaat dat eerst letterlijk, maar Jezus maakt haar geleidelijk aan duidelijk dat Hij dat geestelijk bedoelde.
Brood,drank
De joden zagen vol verwachting uit naar de komst van de reddende Messias. Dat verlangen lag diep verankerd in het onderbewustzijn van de joden. Toen Jezus hen zei dat Hij het brood was dat uit de hemel is neergedaald, bracht Hij daarmee tot uitdrukking dat Hij hun ziele^onger wilde verzadigen. Hij verklaart dat nader in Joh. 4 : 31-4, waar Hij zegt dat het Zijn spijze is de wil te doen van de hemelse Vader.
Jezus wordt ons voedsel en onze drank.Hij is in staat om onze geestelijke honger en dorst te lessen. Door de zonde zijn wij mensen geworden, die nergens meer verzadiging kunnen vinden. „Want allen hebben gezondigd…" (Rom. 3 : 23-25).
Daarom is het in strijd met heel de gedachtengang, die Jezus ontwikkeld heeft, dat Hij erin zou hebben toegestemd altijd weer tegenwoordig te komen onder de gedaanten van brood en wijn, zo dikwijls de r.k.-priesters op heel de wereld de woorden van de konsekratie daarover uitspreken.
Toen Jezus zei: „Ik ben het brood des levens", bedoelde Hij: Ik ben het voedsel voor uw zielen. Ik alleen ben in staat om de diepste dorst van uw zielen te lessen. En de manier, waarop dat gebeurt, is het geloof. Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
