Voortgaande politisering van theologie en geloof
In 1971 klonk in het „Getuigenis" het protest door tegen de „verpolitisering en vermaatschappelijking van het Heil in de zin van de omverwerping der huidige strukturen".
Die woorden, evenals het getuigenis als geheel, zijn nog bijzonder aktueel. Het lijkt in de zeventiger jaren wat rustiger te zijn geworden in studentenkringen en wellicht ook in de theologie. Het aktivisme der zestiger jaren lijkt te zijn gedoofd. Maar de geest werkt wel door. Wie meent dat de politisering van kerk en geloof een zaak van het verleden is, vergist zich deerlijk. In toenemende mate zijn er predikanten en theologen die de theologie misbruiken voor politieke doeleinden en die liever op de stoel van de politicoloog of jurist willen zitten dan op die van hun eigen vakgebied — en dat terwijl een aantal dezer theologen de hoogmoedige opvatting hebben dat elke inmenging door leken in hun vakgebied ongeloofwaardig is.
Maar goed, om dit laaste gaat het mij hier niet. Het gaat mij om een mentaliteit die de kerk wil omzetten in een politieke partij. De kerk wordt door de moderne ideologen steeds een politieke keuze opgelegd. Wie als gemeentelid of als kerk zwijgt over de neutronenbom, reactoren voor Zuid Afrika of Brazilië („Almelo"), mondiale economische orde of zelfs de klassenstrijd (veelal nog in aangepaste zin, dat wil zeggen dat de huidige economische struktuur als „onrechtvaardig" wordt afgeschilderd, terwijl het socialisme als middel tot de oplossing der problemen wordt behandeld) die wordt onderdeel van de conservatieve status quo ideologie. Overgeplaatst naar de tijd dat de Heere Jezus op aarde rondwandelde: degenen die zich Zijn volgelingen noemen moesten dan wel op zijn minst lid zijn van een „progressieve" partij, deelnemen aan demonstraties, tegen de Romeinse overheid en het Romeinse belastingstelsel de burcht „Antonia" bezetten, oproepen tot boycot van handelswaar uit Rome, enz. Stel, dat de discipelen des Heeren dat zouden hebben gedaan! Dan zou er nu, anno 1978, niet over de kerk kunnen worden gesproken, eenvoudig omdat er geen kerk zou zijn geweest. Dan zouden we nu nog in het heidendom zijn gedompeld, eenvoudig omdat de leerlingen van Christus zoveel energie in politieke en maatschappij-kritische aktiviteit hadden gestopt (de een zou aanvoerder van een guerrillabende zijn geworden, de ander partijvoorzitter, weer een ander hoofd van een aktiegroep tegen Romeinse sinaasappels…) dat ze aan de werkelijke verkondiging van het Evangelie zelf niet toe waren gekomen.
Het Evangelie transformeert mens en maatschappij op gans andere en gans ingrijpender wijze dan alle politieke en maatschappelijke demonstraties bij elkaar. In Barmen werd stelling genomen tegen de demonie van het derde rijk. Niet door
politieke leuzen of politiek geweld, maar door heel eenvoudig, maar met alle nadruk, te wijzen op het Woord Gods dat onveranderd is.
En de profeten dan? Onlangs verscheen er weer een fraai boekje onder de titel „Prophetische Predigt. Reich Gottes in dieser Welt?" Sölle heeft geschreven over de noodzaak der politieke prediking en Gollwitzer heeft een boekje uitgegeven met „politische Predigten". In die publikaties valt op hoe maar al te vaak tussen profetie en politiek een „is-gelijk" teken wordt geplaatst. De profeten zouden maatschappij-kritici zijn geweest, eigenlijk niets meer.
Múntzer, Marx, Engels, Lenin, Mao Tse-tung en Troelstra dachten en handelden in het verlengde van een profetische traditie. Dit laatste wordt nog niet door een ieder zo gesteld, maar over — laat ik zeggen — tien jaar zijn ze wél zo ver gekomen dat ook die uitspraak voor de theologisch benevelden die ons in toenemende mate omringen geheel aanvaard is.
Dat het bij de profeten steeds en altijd om de wederkeer naar JHWH ging, om het réveil, de bekering, de ommekeer en dat profeten altijd optraden als er in kerk en theologie een diepgaand verval was ingetreden — dat wordt door de politieke profeten van onze tijd niet slechts miskend, maar vooral ook verdraaid en politiek uitgebuit.
De profeten waren echter niet lid van enige politieke partij of aktiegroep. Zij sloten zich bij géén van de bestaande en erkende (of niet erkende) verbanden aan. Zij riepen het héle volk op tot bekering, links en rechts. Profeten van onze tijd die slechts goedpraten wat in eigen kring leeft, zijn geen profeten maar zijn broodprofeten die uit zijn op niets dan eigen gewin, populariteit onder gelijkgezinden — kortom, ze hebben dezelfde mentaliteit als de valse profeten in het O.T.
Profeten van het linkse denken die de stem niet laten horen als binnen de eigen kring van gelijkdenkenden voorstellen worden gedaan die de grondslagen van elke samenleving aantasten: vrije abortus, vrije moraal, utopistische defensiepolitiek, enz. Maar die wel moord en brand schreeuwen tegen het CDA, of de neutronenbom, sinaasappels uit Zuid Afrika, enzovoort.
Lid van de PvdA?
Onlangs werd in het dagblad Trouw de vraag aan de orde gesteld of een gereformeerd predikant wel lid van de PvdA kan zijn. Niemand minder dan de auteur van „Revelatie en Inspiratie", prof. dr. J. Veenhof (zoon van de bekende prof. C. Veenhof), geeft op die vraag — samen met ene minder bekende drs. J. A. Montsma — een bevestigend antwoord.
Mijn antwoord luidt: neen!
Een partij die niets begrijpt van de Bijbelse gerechtigheid, die die gerechtigheid heeft nagebootst door een socialistische gerechtigheids-idee, die de abortus en de vrije zeden propageert, is een partij van de revolutie, waartegen nu juist Groen van Prinsteren in de negentiende eeuw gestreden heeft. Wie zulk een partij toebehoort is doorgebroken naar de valse profetie, dat is: het imitatiedenken.
Het ergste — en daar blijkt beider redenering wel het meest te falen — is dat in de argumentatie-pro, de belijdenis van Barmen 1934 van stal wordt gehaald. Maar beide heren zien kennelijk niet dat Barmen nu juist niets te maken wilde hebben met de politieke prediking. Meer dan welke belijdenis ook was Barmen juist gericht tegen de politieke aktiviteit van een (gróót) aantal predikanten die de heersende ideologie (toen een nationaal-socialistische) aan kerk en theologie wilden opdringen. Ik heb dat in meer dan honderd bladzijden in mijn Christus of Ideologie? (De Banier, Utrecht, 1977) voor ieder die het lezen wil ook aangetoond.
De fout van de belijdende kerk later was niet dat zij belijdend tegen de ideologie en de machten daarachter koos, maar dat zij op een gegeven moment zelf politiseerde en zich aansloot bij machten die haar al even vreemd hadden moeten zijn. Een andere fout welke de schrijvers maken is dat zij verwijzen naar een synodebesluit uit 1964 waarin de PvdA niet wordt afgewezen. Alsof er na 1964 niets binnen en met de PvdA is gebeurd!
Nog afgezien van de vraag of een christen wel mag doorbreken naar niet-christelijke partijen die niet-christelijke beginselen aanhangen, dient te worden gesteld dat het lidmaatschap nu van de PvdA de zaak van het Rijk Gods niet dient, maar schaadt, omdat de nieuwe PvdA revolutionair is en steeds revolutionairder, dat is: ideologischer, wordt. Men loopt met CPN en PSP te hoop tegen de neutronenbom — en wie is er niet tegen dit moordwapen?! — maar een massademonstratie ter nagedachtenis van de miljoenen die in Cambodja en Vietnam reeds gedood zijn is er in die kring nog nooit geweest. Met de linkerarm roept men op tegen een wapen dat dood en verderf zal zaaien als het ooit wordt ingezet, met de rechterarm ondersteunt men de beulshand die het ongeboren kind van het leven berooft. Over communistische infiltratie gesproken.
De politieke theologie van zovelen is decadent en leidt onherroepelijk naar een ideologische situatie. Zoals dat ook in China en Rusland is gebeurd. Met name in China. Het was in de twintiger en dertiger jaren bijzonder populair in theologische kring om „links" te zijn. Hoogleraren schreven in universitaire bladen uitgegeven door christelijke universiteiten lovende artikelen over Lenin als de grote revolutionair. En toen in 1949 de communisten bijna heel China in handen hfidden gekregen (na een lang proces van ideologische indoctrinatie en terreur), sloten zij zich aan bij de studenten die openlijk voor de nieuwe ideologie kozen.
Na de machtsovername werd de kerk niet meteen uitgeroeid. Dat ging niet zo maar van de ene dag op de andere. Neen, van de predikanten werd echter wel een politieke keuze gevraagd, later zelf geëist, nog later moest die keuze konkreet in politieke propaganda-aktiviteit worden omgezet en nog later werden zij de aanklagers van hen die zulk een politieke keuze niet wilden maken.
In Nederland dreigt eenzelfde tendens. Nu roept men: een predikant mag lid van de PvdA zijn. Wie dat belet tast de vrijheid van de dienst des Woords aan! Mcrgen roept men: Predikanten mogen lid van de PSP of de CPN zijn. Overmorgen is de kreet: Wie niet lid is van een linkse club kan beter ophouden theologie te bedrijven. En tenslotte wordt ce leus: Het oordeel over allen die nog niet politiek gekozen hebben.
Soortgelijke tendenzen treffen wij op wereldniveau aan binnen de grote oecumenische verbanden. Maar in het dagelijks spraakgebruik heet dit: radikalisering, in fasevorm. Groen van Prinsteren, op wiens graf sommigen wel fraaie redes afsteken tijdens herdenkingen, maar van wiens woorden men kennelijk niets meer weet, heeft hierover eens gezegd: „De revolutieleer is het ongeloof in stelselmatige verm. Van gevolgtrekking tot gevolgtrekking werd men op de weg der rampzaligheid geleid. Voortsnellen naar de afgrond is niet te beletten, na het verbreken der betrekking, die aan de Hemel verbindt".
Maar Groen was ook iemand die iets te zeggen had — daarom zwijgen de politieke theologen thans als het graf over hem. Mannen van God die iets te zeggen hebben, moet het zwijgen worden opgelegd. Terwijl zovelen die eigenlijk helemaal niets te zeggen hebben het hoogste woord voeren. Is dat niet juist een duidelijk teken des tijds?
Nú is het nog mogelijk te schrijven en te waarschuwen. Maar er zijn krachten werkzaam die ook dit zoeKen beletten. En die krachten dienen wij niet alleen in de wereld te zoeken. Niet zelden is de eigen kerk of organisatie geïnfiltreerd en wordt dat wat profetisch christelijk was (in oorsprong) omgeturnd tot het tegendeel. Degenen die nog echt een profetisch principieel geluid willen laten horen worden terzijde geschoven door de nieuwe geestelijke nivellering die elke diepte uit de prediking wil wegnemen — elk profetisch getuigenis wil doen verstommen. Dit is een reëel gevaar.
Waar de duivel er in slaagt waarschuwende pennen het zwijgen op te leggen, daar volgt hij een aloude en bekende taktiek. Maar het Woord Gods kan hij niet tot zwijgen brengen. Het heeft geklonken — alle eeuwen door. Ook in tijden van inquisitie of ideologisering der kerk, zoals in Rusland en China. Ook in tijden van geestelijke afval. Oók dus in ónze tijd. Góds Woord houdt stand in eeuwigheid, en zal geen duimbreed wijken. Hilversum
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
