Wat is bidden?
Bidden is het mooiste wat bestaat. Bidden is onuitsprekelijk heerlijk. Bidden is verrukking.
Ik wil proberen uiteen te zetten wat bidden is. Dat is heel moeilijk. Je kunt eigenlijk geen uiteenzetting geven over wat bidden is.
Hoeveel mannen en vrouwen zijn er niet die elkaar waarachig liefhebben. Maar vraag ze eens een uiteenzetting te geven over wat liefhebben is; dat kunnen ze niet. Liefde is leven. Liefde is existentie. Liefde is een bepaalde vorm van zijn. Liefde is liefhebben.
Zo ook met bidden, bidden is gemeenschap met God. Ja, dat kun je wel zeggen. Maar wat héb je dan eigenlijk gezegd ? Immers nóg niet veel.
Daarom geloof ik dat de enige manier om een beetje duidelijk te maken wat bidden is, daarin bestaat dat ik een beschrijving van het bidden probeer te geven. Zulk een beschrijving is uiteraard dan sterk persoonlijk gekleurd, maar ze kan desondanks getoetst worden aan wat de Bijbel over het bidden zegt.
Het eerste wat ik over het bidden wilde zeggen, is dat het eigenlijk niet een doen is, maar iets veel diepers. Het is een levenshouding, het is een vorm van bestaan, het is een bepaalde gerichtheid van heel je persoonlijkheid. Bidden is een biddend mens zijn.
Man en vrouw gaan toch óók niet op bepaalde momenten van de dag elkaar liefhebben. Als het goed is, dan is de liefde een blijvende houding tegenover elkaar. Die liefde is als een warmte en een dynamiek, die al hun levensuitingen doortrilt: hun denken, hun willen, hun voelen en hun doen.
Zo is het ook rnet het bidden. Ik bid eigenlijk heel de dag, omdat mijn gehele wezen blijvend gekeerd staat naar mijn God. Ik rust in Hem. Ik weet mij volstrekt afhankelijk van Hem. Ik ben Hem onuitsprekelijk dankbaar voor wat Hij aan mij gedaan heeft.
Soms druk ik dat uit in woorden, dat is het bidden van de daad. Maar veel échter is het woordeloze bidden. Dat is een zich bevinden voor Gods aangezicht. Dan richten onze ogen zich op de Heere, „die in de hemel troont" (ps. 123:1).
De dichter van psalm 62 drukt dat zó uit: Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil" (ps. 62:2). Dat is ook de vredige sfeer die ons getekend wordt in psalm 23 „De Heere is mijn Herder; mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederïïggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren".
Kent u die zeer stille wateren van het gebed? Kent u die vrede van Gods aangezich. Een mens kan deze vrede alleen maar smaken, wanneer hij tot de erkentenis is gekomen dat hij de toorn Gods heeft verdiend, maar dat die toorn als een storm zich heeft uitgeraasd boven het Hoofd vol bloed en wonden, boven Jezus Christus.
De grondvoorwaarde voor het echte bidden is het weten dat je uit genade een kind van God bent geworden.
Want in het bidden leer je de heilige God kennen, dan zie je hoe Zijn gebod door je heentrekt. Zijn gebod is absoluut. Het golft door je heen als heldere lichtstoten. Maar tegelijk ervaar je dat die golven van Gods geboden overal op weerstand in jezelf stuiten. Zo vaak wil ik iets anders dan Zijn wet, en als je dat goed ontdekt, kun je niet meer bestaan voor Zijn heilige en machtige wil. Er komt een gevoel van ontzetting over je, je durft niet meer naar deze eisende God te zien. Je durft je ogen niet meer naar Hem op te heffen. Dat was ook de ervaring van Petrus, toen hij de goddeijke heerlijkheid van Christus had gezien in de wonderbare visvangst. Toen riep hij uit: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Luk. 5:8). Maar diep in mij weet ik door het geloof, dat Christus mijn Middelaar en Borg is. Dat is een blijvende zekerheid. Geen intellektuele zekerheid, maar een vertrouwvolle zekerheid van mijn hart, een zekerheid die in mij gewekt is door de Heilige Geest die in mij getuigt dat ik een kind van God ben en de vergeving ontvangen heb van mijn zonden.
Ik vraag daarom ook altijd weer om de vergeving der zonden. Zo heeft Jezus het ons geleerd in het Onze Vader: „En vergeef ons onze schulden". Maar dat vragen betekent geen twijfel, dat vragen is de uitdrukking van mijn volkomen afhankelijkheid van de genade. In dat vragen om de vergeving zeg ik tegen de Heere dat ik daar geen enkel recht op heb, maar dat ik er tóch zeker van ben, omdat ik Zijn liefde ken, die Hij mij betoond heeft in Jezus Christus. Ik spreek het dan voor mijn God uit, clat Hij uitsluitend welbehagen heeft in mij, omdat Hij mij door het geloof verbonden heeft met Christus, de zoon van Zijn eeuwig welbehagen.
Ik heb er gewoon plezier in om aldus mijn God te roemen om Zijn barmhartige liefde, die in Christus geen grenzen meer heeft. Wanneer ik de heiligheid van Gods gebod door mij heen zie golven, dan heb ik altijd weer als Petrus een neiging om terug te deinzen en om Jesaja die de heerlijkheid van de God van Israël aanschouwd had, uit te roepen: „Wee mij, want ik verga, omdat ik een man ben van onreine lippen en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is, want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heerscharen, gezien" (Jes. 6:5). En vlucht ik niet van deze heilige God weg, omdat Hij dat niet wil. Hij verzekert mij steeds opnieuw dat er in Zijn Zoon volle verzoening is en dat Hij juist wil geroemd werden als de God van de genade.
Ik wil daar sterk de nadruk op leggen dat wij slechts tot God mogen naderen vanuit een gevoel van volstrekte onwaardigheid, want onze God is een verterend vuur, zo zegt de brief aan de Hebreeën (Hebr. 12:28).
Maar diezelfde brief wekt ons ook op: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen" (Hebr. 4:16). En tegelijk is die hele brief één lange en bewogen uiteenzetting dat wij die vrijmoedigheid krijgen, omdat wij in Jezus Christus een Hogepriester hebben, die Zichzelf eens voor goed heeft geofferd voor de genoegdoening van onze schuld.
Dat geeft juist de diepte aan ons bidden. Van de ene kant is daar die huiver om Gods heiligheid, dat gevoel van verplettering om de schuld van mijn zonde die zich dagelijks ophoopt; maar van de andere kant is daar ook dat gevoel van oneindig vertrouwen in God, die om Christus wil dagelijks die zondehoop van mij wegneemt en achter zich werpt en dat eigenlijk al eens en voor goed gedaan heeft op Golgotha
Daarom durf ik mij bijna als eeen kind tegen die grote God aan te vleien en blijf toch ook weer in de spanning van de afstand: Wie ben ik, zondig schepsel, dat ik vertrouwelijk zou mogen omgaan met Hem die mij gemaakt heeft?
„Vertrouwelijk omgang met God", dat is misschien nog wel de beste omschrijving van het gebed. Daarover zingen we in psalm 25:7. „Gods verborgen omgang vinden zielen, waar zijn vrees in woont; 't heilgeheim wordt aan zijn vrinden naar zijn vreeverbond, getoond.
d' Ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten".
Hier heb je dus weer dat merkwaardige: de vertrouwelijke omgang met God wordt niet gevonder) bij hen die een familaire houding tegenover God aannemen, maar juist bij de zielen, waar Zijn vrees in woont.
„En dan wordt het bidden zeer treffend getekend als een algehele levenshouding, wanneer gezegd wordt: d'Ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts om op God te letten".
Gebed is stilte voor God om aldus Zijn stem te kunnen horen. En in dat stille luisteren naar God vernemen wij de meest wonderbare dingen, dan openbaart de Heere ons steeds rijker Zijn heilsgeheimen door Zijn Woord. We leren Hem dan steeds inniger kennen, we letten dan op kleine dingen en zien daarin de zegeningen Gods. We zijn dan dankbaar en blij om de meest gewone dingen, om de lucht die we inademen, om ons dagelijks eten en drinken, om onze kleding, ons verwarmde huis, onze prettige vakantie, om onze man of vrouw en om onze kinderen, om alles.
En vanuit die vertrouwelijke omgang met God leer je ook steeds meer Zijn wil over je leven kennen, zoals twee geliefden elkaar ook steeds meer leren aanvoelen naarmate ze meer met elkaar omgaan.
Bij d'ie vertrouwelijke omgang met God hoort ook dat ik aan Hem al mijn persoonlijke noden voorleg en de noden van anderen, die mij op het hart zijn gelegd. Maar ook daarbij moet de grondhouding zijn de aanbidding en de eenheid met Zijn heilige wil.
Zeker, ik mag met alle aandrang mijn God, mfjn Vader in Jezus Christus, smeken om de verhoring van mijn gebeden. Jezus zelf spoort ons daartoe uitdrukkelijk aan: „Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden" (Luk. 11:9).
Hoe dat mogelijk is dat je van de ene kant met heel je hart vurig bidt om uitkomst in een bepaalde nood b.v. om de genezing van een zieke, en toch tegelijk diep in je hart ook bereid bent om de beschikking van de Heere te aanvaarden, wanneer je bede niet verhoord wordt, weet alleen hij die het waarachtige bidden kent. Bidden is voor hem niet een druk op de knop van Gods belofte, waarna je de lade van je bepaalde wensen maar kunt opentrekken. Bidden is voor hem altijd eerbied, ontzag, onderworpenheid, vreze, aanbidding, vertrouwen vanuit een persoonlijk kennen van God in Jezus Christus.
Dat bidden zou ik u zo graag gunnen. Het is alsof heel je wezen ademt in het gebed, alsof je je met je ganse bestaan opheft naar de hemelse hoogte. Bidden is ontmoeting met God, is rusten in Hem, is vreugde, „onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde" (1 Petr. 1:8). In het bidden bereik je je laatste doel. Wij zijn geschapen om te bidden, om God te laven en te prijzen. Alles in je komt tot een eindvervulling, wanneer je bidt.
Bidt daarom om de gave van het bidden. Bidden is het mooiste wat bestaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
