In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Ik zal Mijzelf aan hem openbaren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ik zal Mijzelf aan hem openbaren

8 minuten leestijd

Daar ik reeds lang van plan was om u om raad, of voorlichting te vragen betreffende een tekst in het Heilig Evangelie van Johannes 14 vers 21 laatste gedeelte: „en Ik zal mijzelven aan hem openbaren".

Ik heb veel moeite gehad met mijzelf. Hoewel de Heere Zich niet onbetuigd heeft gelaten, en mij van mijn jeugd af heeft opgezocht en liefderijk mij in het rechte spoor heeft willen leiden, was ik bijna altijd tegen Zijn wil in. Het is onbegrijpelijk dat Hij Zich, trots alle zonden, nog wil inlaten met zulke mensen.

Ik mag en durf spreken van Gods onwankelbare trouw, en grote liefde. Maar dit is nu mijn vraag eigenlijk niet. Met al mijn ervaringen en godsdienst vrees ik soms, met grote vreze: Dat de wortel der zaak niet in mij wordt gevonden. De laatste tijd smeek ik de Heere dat Hij Zich in Zijn grote barmhartigheid aan mij wil openbaren.

Nu weet ik niet of dat wel geoorloofd is, want ik heb een predikant gehoord die dat gebed afkeurde, als teken van ongeloof. Maar het geloof moet ons de Heere geven, want het geloof is een gave Gods.

Wat dunkt u van deze dingen? U behoeft mij niet persoonlijk te schrijven. Daar wij al jaren een abonnement hebben op het maandblad „In de Rechte Straat" kunt u, als u wilt dat ivel beantwoorden in genoemd blad, dan vernemen wij vanzelf wel uw antwoord, en heeft, misschien, een ander er ook nog wat aan. H. F.M.

POGING TOT ANTWOORD

Want meer dan een poging kan het niet zijn. Deze tekst, zoals trouwens de gehele afscheidsrede — beter: afscheidsgesprek van Christus, heeft iets teers. Christus spreekt daar over de liefde en de liefde is diep, maar ook kwetsbaar. De mens die niet liefheeft, staat in de verdediging. Hij sluit zich op in zijn vesting. Hij laat nooit de ophaalbrug neer. Tussen hem en de anderen onderhoudt hij diepe grachten en kloven.

De mens die liefheeft, opent zichzelf, treedt de ander met warmte tegemoet, durft zichzelf te riskeren in de wijde vlakte.

Zo heeft Christus Zichzelf ook volkomen kwetsbaar opgesteld. Hij heeft Zichzelf aan ons gegeven tot in de dood. Hij wist, toen Hij Zich in de open vlakte van deze zondige wereld waagde, dat Hij zou worden neergeveld, meedogenloos. Als een woeste horde zou het zondige mensdom op Hem aanvallen. Maar fier in de liefde trad Hij Zijn aanvallers tegemoet: „Staat op, laat ons gaan, ziet, hij is nabij, die Mij verraadt" (Matth. 26:46).

Bewaren - koesteren als iets kostbaars

Maar we komen nu terug op deze tekst. Die luidt in zijn geheel: „Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren" (Joh. 14:21).

Wat betekent hier: „…die ze bewaart?" Dat is een bijbelse manier van spreken. Het woord bewaren zit vol warmte, is geladen met de energie van de liefde. Bedoeld is: wie Mijn geboden bewaart als een kostbaar iets, wie er altijd aan denkt, wie Mijn geboden ziet als hét grote sieraad in zijn leven en die daarom ook steeds zich zal inzetten om die geboden zo goed mogelijk te volbrengen.

Van zulke mensen zegt Jezus, dat Hij en de Vader hen liefheeft. Niet dus van mensen, die Zijn geboden beschouwen als een lastig karwei, waarmee ze loon moeten verdienen. Jezus houdt niet van zure ploeteraars, wier begeren naar de zonde uitgaat en die in de grond van hun hart eigenlijk Zijn geboden haten, omdat die een sta-in-de-weg zijn om zich helemaal uit te leven, om hun driften te kunnen vieren. Zulke mensen eren Hem misschien „met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij" (Matth. 15:8).

De liefde Gods: een warmte in je

Laat ik er meteen bijvoegen, dat wij uit onszelf ons niet tot zulk een liefde omhoog kunnen werken. Wij groeien op in de kilte van de zelfverdediging. Een kind is al vroeg gedwongen zich verdedigend op te stellen. Het voelt zich overal bedreigd. Het vecht voor de handhaving van zichzelf. Daarom heeft het niet de vrijheid om lief te hebben, werkelijk lief te hebben, zonder egoïstische bijbedoelingen. Die liefde daalt als een geschenk van boven in onze harten. „De liefde Gods is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is" (Rom. 5:5.) De Heilige Geest maakt de liefde van God voelbaar in ons. Dat is Zijn getuigenis in onze harten, dat wij werkelijk kinderen van God zijn (Rom. 8:16). Hij onderwijst ons niet alleen, wat de liefde Gods is, maar wijst die liefde Gods ook in ons aan. Hij doet ze ons ervaren. Die ervaring behoeft niet met emoties gepaard te gaan, maar ze is in elk geval veel en veel meer dan een leerstellige uiteenzetting van wat de liefde Gods is.

En als zo die liefde Gods in ons ervaren wordt door het getuigenis van de Heilige Geest, dan gloeit die liefde door heel onze ziel heen en verspreidt overal haar warme stralen, dus ook in de verhouding tot de medemens.

Hij herkent Zichzelf in ons

Die liefde bedoelt Jezus ook, wanneer Hij het heeft over het bewaren van Zijn geboden. Die liefde is de samenvatting en de kern van alle geboden (Rom. 13:10; Matth. 22:37-40).

Misschien is de voornaamste reden, waarom Jezus iemand die Zijn geboden bewaart, liefheeft, gelegen in het feit dat Hij Zichzelf in zo iemand herkent: „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt" (Joh. 13:34).

„Gelijk Ik u heb liefgehad…" Het is die gelijkenis met Hem, die de Heere blijkbaar zo erg boeit, een gelijkenis die Hijzelf in ons tot stand heeft gebracht. Hij verlustigt Zich dan in Zijn eigen creatie, het kunstwerk van Zijn verlossershanden.

En door en in die liefde openbaart Hij dan Zichzelf. Ik dacht niet dat dit een aparte openbaring is. Juist wanneer wij Zijn geboden onderhouden en liefde uitstralen naar de anderen, juist dan leren we Hem meer kennen. Als je zelf geduldig blijft, wanneer anderen je honen of afsnauwen, begrijp je iets meer van Hem. Wanneer je de grimmigheid in jezelf niet toelaat, word je gelijk aan Hem, in Wiens voetstappen wij moeten treden, die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt (1 Petr. 2:21-23).

Die liefde is een vrucht van Zijn Geest (Gal. 5:22) en in en door die Geest leren we Hemzelf ook beter kennen.

Verwarm uzelf aan Hem

Daarom zou ik u de raad willen geven: als u in de Bijbel leest, zoek daarin dan niet in de eerste plaats naar „iets"„ naar een gedachte, een leerstuk. Zoek daarin naar Hem. Laat de warme adem van Zijn liefde vanuit het Woord naar u toekomen. Probeer u in te leven in Zijn liefdevolle levenshouding. Koester uzelf in die zon van Zijn Zichzelf vergetende liefde.

En probeer dan eenzelfde liefde in uw eigen-leven te verwezenlijken. Probeer blijdschap en vrede uit te ademen. Probeer vriendelijk, geduldig, begrijpend, zachtmoedig en hartelijk te zijn jegens uw naaste. Probeer uzelf te beheersen, als u woede en geprikkeldheid in u voelt opkomen.

En dan zult u Christus in u bemerken. Dat is Zijn Zelfopenbaring aan u. Dan ziet Hij met behagen naar u; niet omdat we volmaakt zouden zijn of vanwege eigen prestaties, maar puur omdat Hij Zichzelf herkent in die liefde, die Hij ook in u werkzaam ziet, de liefde als vrucht van Zijn eigen Geest.

Wij willen nu zélf de liefde

Ik heb in het voorafgaande er telkens op gewezen, dat die liefde een gave Gods is, een vrucht, niet van eigen inspanning, maar van de Geest. Zo leert de Bijbel het. Maar al is het dan niet een vrucht van eigen inspanning, toch verwezenlijkt zich die liefde in ons niet zonder onze inspanning.

Wij verstaan de Bijbel en ook onze belijdenisgeschriften verkeerd, wanneer wij een uitsluitend afwachtende houding aannemen. De Dordtse Leerregels zeggen over de wedergeboren mens: „En alsdan wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf" (III-IV, art. 12).

En het gevolg van de wedergeboorte is, „dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil" (art. 11).

Broeder, zuster, die dit leest, wil dan ook! Wil zélf de liefde in uw leven!

Geef u niet over aan gramschap, bitterheid en haat. Laat u niet drijven op uw slechte humeur, uw boze buien. En dat alles met het godslasterlijke smoesje: De liefde moet mij immers gegeven worden. Want dan maakt u God tot de eigenlijke auteur van uw zonde. Hij is dan de schuldige, want Hij wil u die liefde niet schenken. Zo redeneert u dan onbewust.

Maar zó spreekt de Bijbel nooit. Als u zondigt, is dat omdat u wilt zondigen. De zonde in ons leven is niet alleen onmacht, maar ook onwil.

Kom toch tot de heerlijkheid Gods! Heb lief en u zult door God geliefd worden. De Vader en de Zoon zullen dan woning in u maken (Joh. 14:23): „Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Ik zal Mijzelf aan hem openbaren

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978

In de Rechte Straat | 32 Pagina's