VAN SCHADUW NAAR WERKELIJKHEID
Wij beschouwen op grond van de Bijbel juist de r.-k. liturgie als een terugkeer van de werkelijkheid naar de schaduwendienst. En ik citeer daarvoor de r.-k. Bijbelvertaling:
„… hoewel dezen ( = de priesters van het Oude Testament. H. J. H.) dienst verrichtten in een heiligdom dat slechts een kopie en een schaduw is van de hemelse werkelijkheid" (Hebr. 8:5). „De wet laat slechts een schaduw zien van de goede dingen die komen moesten, niet hun ware gedaante" (Hebr. 10:1). En ook Paulus, wanneer hij spreekt over de ceremoniën van het O.T., zegt: „Dit alles is slechts een schaduw van de werkelijkheid die nog komen moest: de werkelijkheid zelf wordt gevonden in Christus" (Kol. 2:17). SV: „Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus". Inderdaad staat er in het Grieks „lichaamsoma". De SV heeft dus een letterlijke vertaling zoals meestal. Maar „lichaam" staat hier tegenover „schaduw" en betekent dus inderdaad „werkelijkheid" tegenover „voorafbeelding".
Ook in de brief aan de Galaten bestraft Paulus deze gemeenten, omdat ze zich door de joods-christelijke ijveraars voor de onderhouding van de wet met haar ceremoniën enigszins hebben laten wegtrekken van de volle Werkelijkheid, de heerlijkheid van Christus, naar Wie alles in het O.T. als een schaduw heenwees. „Maar nu, nu ge God hebt leren kennen, of liever, door God gekend zijt, hoe kunt ge u nu opnieuw keren tot die zwakke en armzalige krachten (SV: beginselen)? Wilt ge weer van voren af aan hun slaven worden? Ge houdt u aan bepaalde dagen en maanden, tijden en jaren … Ik ben bang dat ik me vergeefs voor u heb afgetobd" (Gal. 4: 9-11).
De hemelse Werkelijkheid is in ons
Maleachi profeteert over „de Zon der gerechtigheid" die zal opgaan (Mal. 4:2) en bedoelt dan heel duidelijk Christus. Maar waarom zouden wij nog bij kaarslicht leven, terwijl de Zon in volle kracht staat te stralen aan de hemel van het Nieuwe Testament.
Ik ben overtuigd dat vdP de diepe zin van het geloof niet heeft begrepen. Het geloof wordt ons in de Bijbel beschreven als iets wonderbaars. Het verandert de hele mens. Door het Woord heen spreekt God tot de mens en ontdekt hem aan zichzelf, aan zijn zondige en verworden bestaan. Maar door dat Woord heen en in dat Woord openbaart God ook Zijn Zoon Jezus Christus en de grote barmhartige liefde die Hij in deze Geliefde aan ons bewezen heeft. Wanneer dan de mens niet weerstaat aan de werking van dat Woord en van de Geest en hij komt tot1 verootmoediging en neemt met een verbroken hart zijn toevlucht tot Jezus Christus als tot Zijn enige hoop, dan ontstaat een totaal nieuwe relatie in deze mens tot God. Hij treedt uit zichzelf. Zijn leven verplaatst zich in Christus. „In Christus", dat is een uitdrukking die heel veel door Paulus gebruikt wordt. „Uw leven is met Christus verborgen in God" (Kol. 3:3); dat is heel kort samengevat het geheimenis van de mens die door Woord en Geest tot geloof in Christus is gebracht.
En dat geheimenis is onuitsprekelijk. Het is hemelse werkelijkheid. Het is ik in Christus en Christus in mij: „Ik in hem en Gij in Mij" (Joh. 17:23); „Wie in Mij blijft en lk in hem, die draagt veel vrucht" (Joh. 15:5).
„Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; onderzoekende op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus die in hen was, beduidde" (1 Petr. 1: 10-11). „Naar dat heil hebben reeds profeten gezocht en gevorst, toen zij profeteerden over de genade die voor u bestemd was. Zij vroegen zich af op welk tijdstip en welke omstandigheden de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij voorspelde al het lijden dat over Christus komen zou, en daarop volgende heerlijkheid" (RKV).
Ceremoniën geven niet het eeuwige leven
En nu wil prof. v. d. Ploeg ons terug brengen naar die schaduwendienst van 't Oude Testament? Wil Hij ons terugbrengen naar het zoeken en vorsen van de profeten, terwijl wij het volle antwoord voor ons hebben in Christus: „God, voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon" (Hebr. 1:1)?
Het eeuwige leven is niet te vinden in ceremoniën. Het eeuwige leven is in Christus: „En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon" (1 Joh. 5:11), dus niet in welke liturgie ook. En dat leven wordt ons deel, niet door de sakramenten of door een of andere rite, maar door het geloof: „Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47). Geloven is leven in en uit Christus. Geloven is je totaal afhankelijk weten van Hem, is daarom altijd opzien naar Hem. Geloof is daarom ootmoed, dankbaarheid, vreugde, liefde. Geloven is doortrokken zijn van de Geest van Christus, is die Geest inademen en uitademen, is doorwoeld zijn van het Woord. Wie in Christus gelooft, hangt aan het Woord, spreekt dat Woord altijd weer in zichzelf uit, koestert dat Woord, keert het om en om, draagt het aan zijn hart als een heilige schrijn, omdat dit Woord Christus bevat.
Totdat Hij komt …
En dat geloof beleef ik op intense wijze bij de viering van het heilig Avondmaal. Naast de Doop is dit de enige ceremonie, die Christus ons heeft achtergelaten. In dat Avondmaal vieren we de hemelse Werkelijkheid Jezus Christus, maar beleven we tegelijk de schaduw van het nog komende: de bruiloft met het Lam dat geslacht is. „Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult, drinken, zo verkondigt de dood des Heeren totdat Hij komt" (1 Kor. 11:26). „Totdat Hij komt …", daarom heeft het Avondmaal ook nog iets van de schaduwendienst, is het voorafbeelding van iets dat nog komen moet.
Zo zit ik ook aan de Avondmaalstafel. Van de ene kant schouw ik dan in de ogen van mijn Heiland die mij dan door die tekenen verzekert dat God mij genadig is in en door Hem, Christus die mij daardoor in herinnering roept wat Hij voor mij gedaan heeft, hoe Hij Zichzelf voor mij geofferd heeft in de verschrikkelijke kruisdood. Die tekenen dragen mij naar Christus toe. Ik beleef Hemzelf in die tekenen, Zijn grote liefde voor mij.
Mar die tekenen dragen mij ook als op vleugelen heen naar de eeuwige morgen, als de bruidegom komt en wij, Zijn gemeente, voor altijd met Hem verbonden zijn, niet meer Zijn bruid, maar Zijn vrouw. En (de engel) sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams" (Openb. 21:9).
„Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid" (Openb. 19:7).
Wanneer zijn wij waardig ?
Het is ook duidelijk dat vdP niets heeft aangevoeld van de beleving van de gelovige reformatorische christenen. Anders had hij nooit kunnen schrijven: „De protestanten hebben de Eucharistie teruggebracht tot een symbool".
Hij weet blijkbaar niet dat de kerken van de gereformeerde gezindte steeds een zondag „voorbereiding" hebben op de viering van het heilig Avondmaal. Zij zijn zozeer ervan doordrongen dat Christus in de tekenen en zegelen van het Avondmaal werkelijk tot hen komt, dat ze zich een hele week onderzoeken of ze Zijn ontmoeting in het Avondmaal wel „waardig" zijn. Daar is de voorbereidingspreek dan ook op gericht.
Wel moet ik er meteen aan toevoegen dat dit onderzoek naar de „waardigheid" een heel ander karakter heeft dan bij de r.-k. prediking. Ik weet niet of vdP daarvan op de hoogte is, maar het lijkt mij in elk geval belangrijk om dat verschil voor de overige r.-k. lezers uiteen te zetten.
Volgens de r.-k. leer is een mens alleen dan waardig om aan het Avondmaal aan te zitten (te communie te gaan), als hij zich niet bewust is van een doodzonde die hij op zijn geweten heeft en die hij nog niet gebiecht heeft. Heeft hij geen doodzonde op zijn geweten of heeft hij die aan de priester gebiecht, dan is hij volgens de r.-k. leer ook inderdaad waardig in zichzelf om het geconsacreerde brood te nuttigen. God heeft dan in zulk een mens behagen zoals hij nu is, zoals hij nu door de genade van Christus innerlijk geworden is.
Volgens de reformatie kan een mens in die zin nooit waardig worden om tot God te naderen. Wij zijn diep doordrongen van de heiligheid Gods. Alle zonde en zondige onvolmaaktheid zijn in de ogen van deze ontzagwekkende God een gruwel. En de ergste zonde is het wel wanneer wij deze zondige toestand van ons niet willen erkennen en zelfs menen dat God in welbehagen op ons moet neerzien op grond van wat wij nu zijn (al voegen we er heel vroom aan toe: op grond van wat Christus van ons gemaakt heeft). Dat is volgens ons een heiligschennende aanmatiging.
Als God ons aanziet in Christus
Wij worden alleen maar waardig in Gods ogen om aan het Avondmaal deel te nemen, wanneer Hij ons aanziet in Christus. Zijn Zoon is de enige Geliefde in Wie Hij welbehagen heeft en dat goddelijke welbehagen wordt slechts over ons uitgebreid vanuit die Zoon, wanneer wij met Hem één zijn door het geloof, want door dat geloof leven en zijn wij in Hem en leeft en is Hij in ons.
Maar Christus aanvaardt ons slechts dan als Zijn eigendom, wanneer wij ons door Hem laten kopen uit de slavernij van onze zondigheid met de prijs van Zijn bloed. En dat kan alleen, wanneer wij onze toestand van zondigheid en verlorenheid met een oprecht hart belijden. Hij is gekomen als Zaligmaker voor zondaren en niet als een Vriend om Zijn sympathieke vriendjes wat verder te helpen. Wie zijn eigen volstrekte schuld niet wil erkennen, maakt het kruis van Christus tot een tragische grap, tot een bespotting.
De vraag naar de waardigheid in de voorbereidingspreek concentreert zich dan ook op de vraag of hij zichzelf „mishaagt en zichzelf voor God verootmoedigt" en vervolgens of „hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn en de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigen toegerekend en geschonken is, ja zo volkomen alsof hijzelf in eigen persoon voor al zijn zonden betaald en alle gerechtigheid volbracht had". „Allen die alzo gezind zijn, wil God, … voor waardige medegenoten van de tafel Zijns Zoons Jezus Christus houden" (Avondmaalsformulier).
Wij naderen dus tot het Avondmaal met een totaal andere houding dan iemand die konsekwent de r.-k. leer beleeft. Een rooms-katholiek gaat ter communie, omdat hij meent dat hij dat waardig is op grond van wat hij op dat moment is (door Christus gemaakt is). Wij gaan naar de Avondmaalstafel, juist omdat we innerlijk weten dat wij het niet waardig zijn in onszelf, maar uitsluitend omdat wij het waardig zijn in Christus, ondanks onze eigen onwaardigheid.
Daarom betekent de viering van het Avondmaal voor ons zulk een diepe vreugde. Dan zijn we vervuld met een onzegbare dankbaarheid. Dan zien we voortdurend door die tekenen heen naar Christus in Wie wij de waardigheid hebben ontvangen en door Wie wij aangenaam zijn in de ogen van de heilige God.
Wij vertrouwen op de belofte van Christus
Wij hebben dan ook helemaal geen behoefte aan een leer van transsubstantiatie, alsof Christus pas door het machtswoord van de priester in het Avondmaal aanwezig zou zijn. We hebben het immers uit de mond van de Heere Zelf gehoord: „Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (Mat. 18:20). Nergens heeft Hij gezegd: „Ik ben pas dan echt onder u tegenwoordig, wanneer een r.-k. priester de consecratiewoorden heeft uitgesproken over brood en wijn". Mogen wij dan met zulke theologische verzinsels de bovenstaande belofte van Christus ongedaan maken? Mogen wij de troost van Zijn werkelijke tegenwoordigheid afhankelijk maken van de willekeur van mensen, van r.-k. priesters of die namelijk bereid zijn hun zogenaamde machtswoord over brood en wijn uit te spreken ?
Christus heeft beloofd dat Hij in ons midden is, wanneer wij in Zijn Naam vergaderd zijn. Hij heeft daarvoor geen enkele andere voorwaarden gesteld. Wij geloven Hem op Zijn woord en weigeren de theologische praatjes te geloven van hen die aldus de belofte van Christus van haar kracht beroven.
Het spijt me dat ik nu een beetje hard geworden ben, maar ik kan niet anders, want het gaat hier over een in twijfel trekken van de waarachtigheid van mijn Heiland in Zijn beloften. Welke vrouw zou niet kwaad worden, wanneer iemand de oprechtheid en de trouw van haar man in twijfel trekt. Moet dan ook niet de gemeente van Christus verontwaardigd zijn, wanneer aldus de waarachtigheid van haar Bruidegom Christus in twijfel wordt getrokken ?
Leef niet meer bij een schaduwendienst
Tenslotte keer ik echter terug naar ons uitgangspunt. Beste rooms-katholieke vrienden, beste prof. v. d. Ploeg, leef toch niet meer bij de schaduwen van een komende Christus. Hij is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Hij woont in onze lichamen als in een tempel door Zijn Heilige Geest.
En in het Avondmaal doet Hij ons op bijzondere wijze Zijn vertroostende tegenwoordigheid ervaren door die eenvoudige tekenen vol diepe zin. Die tekenen zijn een zichtbare onderstreping van Zijn belofte dat Hij in het midden is van hen die in Zijn heilige Naam vergaderd zijn. Hij is de hemelse werkelijkheid onder ons tot Wie wij toegang krijgen, niet door machtswoorden van mensen, maar eenvoudig door het geloof in Zijn belofte en in Zijn waarachtigheid en trouw.
Een nieuwe wereld, een nieuwe hemel breekt voor u open, wanneer u dat gaat ontdekken. Dan wordt uzelf vervuld met de heerlijkheid Gods. Moge de Heere dat ook aan u uit genade schenken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
