WIEROOK
In „Katholieke Stemmen" van mei 1977 stond een artikel van prof. mag. dr. J. P. M. van der Ploeg over „De liturgie der kerk in oost en west". Wij nemen daaruit een gedeelte over namelijk dat handelt over de wierook. Prof. vdP. schrijft:
Het is bekend, dat in de oosterse liturgieën veel gebruik wordt gemaakt van wierook. Deze gewoonte is al bekend uit het Oude Testament. Ook de heidenen kenden wierook. De christenen hebben de wierook in hun eredienst aanvankelijk niet benut, maar zij zijn het zeker al sinds de 4de eeuw gaan doen in Syrië, waarna het „wieroken" in de hele Kerk algemeen is geworden. Het Protestantisme, dat van uiterlijke symbolen zo goed als niets wilde weten, maar wel de Eucharistie tot een symbool heeft teruggebracht, heeft de wierook afgeschaft en hetzelfde doen nu weer tal van hervormers binnen de katholieke Kerk.
Wierook is droog plantenhars, niet zelden vermengd met welriekende houtsoorten. De oude Israëlieten lieten de wierook uit Z.-Arabië komen. Oorspronkelijk is het zonder twijfel gebruikt om zijn aangename geur. In een land als India is het nog steeds gewoonte op allerlei plaatsen profane wierook te branden, vanwege de reuk, die westerlingen echter niet altijd even aangenaam voorkomt als de oosterlingen en een heel andere is dan wij in onze kerken gewoon zijn, resp. waren. De betekenis van wierook is veelvoudig. Op het grote brandofferaltaar van de tempel van Jeruzalem verbrandde men offerdieren tot „een liefelijke geur" voor de God van Israël, die men daarmee verzoening voor de zonden wilde aanbieden; hetzelfde heeft men, op een speciaal altaar, ook met wierook gedaan. De christelijke Kerk heeft dit overgenomen.
Daarmee hangt het samen dat men wierook is gaan branden om iemand, vooral God, te eren. Daarom wordt in de liturgie ook heel bijzonder het altaar bewierookt, dat een symbool van Christus is. In overeenstemming met Ps. 141:2 (Vulgaat 140,2); „Laat mijn gebed wierook voot Uw Aanschijn zijn, het opheffen van mijn handen een avondoffer!" werd in het branden van wierook ook een soort gebed gezien, heel bijzonder een gebed dat men voor de overledenen verrichtte en waarbij men hun zielen bij God aanbeval.
In sommige riten bewierookt de priester zijn handen (resp. laat ze bewieroken) vóór hij de Heilige Hostie aanraakt, waarbij men aan een soort zuiveringsceremonie kan denken. Het bewieroken van een hele kerkruimte, die men vol goede geur brengt, dient ook om deze te reinigen en (symbolisch) aan God aangenamer te doen zijn. Het bewieroken van ikonen heeft ten doel eer te brengen aan de heiligen, dat van personen dient om hen te eren in hun waardigheid of als deelnemers aan de christelijke eredienst.
ONS KOMMENTAAR
Over de opmerking van vdP over de „schaduwliturgie bij de protestanten" schreven we in het artikel: „Schaduw en werkelijkheid". We gaan in dit kommentaar handelen over de opmerkingen van vdP over de wierook.
VdP zegt dat de christelijke kerk dit heeft overgenomen uit het Oude Testament. Maar dan zou ik daarover enkele vragen willen stellen.
Onderhoudt dan de hele wet (van het O.T.)
Allereerst zou ik willen wijzen op de uitspraak van Paulus dat wie op één punt zich stelt onder de oude wet van de ceremonieën, verplicht is de gehele wet te onderhouden: „En ik betuig wederom aan ieder mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen" (Gal. 5:3).
En hoe dat reukwerk bereid moet worden kan men lezen in Ex. 30:34-35. Het moet bestaan uit druipend hars, onyx, galbanum en reine wierook. Het moet aldus gebruikt worden: „Een gedeelte ervan moet ge fijn wrijven en voor de verbondsakte leggen in de tent van de samenkomst waar Ik tot u kom. Ge moet het als hoogheilig beschouwen" (vs. 36). De straf op eigenwillige bereiding luidt:
„Iemand die het namaakt om van de geur te genieten, zal uit zijn volk worden verwijderd" (vs. 38 RKV. De SV heeft terecht: „…zal uitgeroeid worden uit zijn volk").
De doodstraf voor aanmatiging
Vervolgens zou ik willen wijzen op de straf die degenen ontvangen, die zonder daartoe gerechtigd te zijn het reukoffer brengen. Daarover kunnen we lezen in de geschiedenis van de opstand van Koran, Dathan en Abiram in Num. 16:1-50 (r.-k. Bijbel Num. 16:1 - 17:15).
Zij meenden voor zich ook het recht om offers te brengen te mogen opeisen, ofschoon de Heere dat uitsluitend had toegestaan aan het geslacht van Aaron. Dathan en Abiram en hun aanhang worden door de aarde zelf verslonden. De grond scheurde onder hun voeten. De aarde sloot zich boven hen en zo werden zij met hun gezinnen uit het midden van Israël uitgeroeid. Korach en zijn aanhangers (250) werden door vuur des Heeren verteerd.
Op bevel van Mozes gaat dan Aaron wierook branden in de vuurpan om aldus verzoening te doen voor het gehele volk, want de toorn des Heeren was ontbrand. „En hij legde reukwerk daarin en deed verzoening over het volk". Zo werd de ramp gestuit, maar intussen waren er reeds 14.700 doden gevallen.
Hoe kunnen de priesters van de r.-k. kerk bewijzen dat zij wél wierook mogen branden voor het aangezicht des Heeren? Ze zijn immers geen afstammelingen van Aaron. Waaruit weten zij dat zij niet eenmaal voofr eeuwig gestraft zullen worden in het onuitblusbare vuur, omdat zij zich dit recht hebben aangematigd zonder dat er een aanwijsbare grond voor te vinden is in Gods Woord? Denken ze dat de God van het Nieuwe Testament het niet zo' nauw meer neemt als de God van het Oude Testament?
Paulus zegt dat het precies andersom is. Vroeger kon God nog wel verdraagzaam zijn en zag Hij nog wel eens iets door de vingers (Rom. 3:25). Zijn volle toorn heeft zich ontladen boven Christus. Daardoor hebben zij die onder het kruis schuilen, niets meer te vrezen, maar zij die een eigenwillige godsdienst (Kol. 2:23) menen te mogen vormen, vallen onder de toorn Gods, waarvan de kracht zich op Golgotha heeft geopenbaard.
De Heere riep het volk op om zich los te maken uit die kring van de opstandige drie: „Scheidt u af uit het midden van deze vergadering en Ik zal hen als in een ogenblik verteren" (Num. 16:21). Dat is een heel ernstige waarschuwing, die ook in het N.T. herhaald wordt namelijk in 2 Kor. 6:14-18.
Ceremoniële wetten met als straf de hel
Hoe meer ik mij na mijn uittreden uit de r.-k. kerk verdiepte in de Bijbel, hoe meer ik de overeenkomst zag tussen de r.-k. kerk en het Israël dat de gerechtigheid verwachtte van de onderhouding van Gods geboden.
Ook wij, priesters, waren onderworpen aan zeer minitieus uitgewerkte ceremoniële bepalingen. Je deed er wel een half jaar over, voordat je al die voorschriften over het opdragen van de mis enigszins onder de knie had. Niet alleen moest je al die voorschriften van buiten leren, maar je moest ze bovendien praktisch oefenen in een zogenaamde droge mis.
Je handen moesten komen tot schouderhoogte en schuin naar binnen gericht zijn. Er waren drie verschillende buigingen: de diepe voor de naam van Christus, de middelmatige voor de naam van Maria en de lichte voor de naam van de andere heiligen. Er waren regels over de vingers die het geconsacreerde brood hadden aangeraakt. Die mochten namelijk niet met andere voorwerpen in aanraking worden gebracht, maar moesten eerst met water en wijn worden afgewassen, voordat ze weer vrij waren voor profaan gebruik enz enz.
Volgens ons moraal-handboek (Aertnijs-Damen II, p. 177 e.v.) waren wij over het algemeen onder straffe van doodzonde en hel verplicht die regels te onderhouden. Maar als het om voorschriften ging die van minder belang werden geacht, dan was het mogelijk dat de overtreding daarvan alleen maar een dagelijkse zonde was, met als straf het vagevuur. Als gevolg daarvan was er dan weer een ingewikkelde casuïstiek (leer van de gevallen), waarin uitgemaakt werd op welke voorschriften als straf de hel of alleen maar het vagevuur stond, wanneer je ze zou overtreden. Zo was het dagelijkse zonde, wanneer je de voorgeschreven buigingen niet verrichtte of bepaalde gebeden oversloeg of bij het knielen niet de grond raakte. Maar het kon toch ook weer doodzonde worden, wanneer je dat te vaak deed.
Het Jeruzalem dat in slavernij verkeert
Er is veel in de r.-k. kerk veranderd. Allerlei voorschriften waaraan vroeger als straf de hel was verbonden, wanneer je ze zou overtreden, zijn nu afgeschaft. Maar de grondinstelling is gebleven: de mens ontvangt niet het eeuwige leven door te geloven (in Christus), maar dodr te doen; en dat „doen" bevat twee dingen: het onderhouden van de morele geboden en het onderhouden van de door de r.-k. kerk voorgeschreven ceremoniën. Aan deze twee soorten „doen" is volgens Rome het heil gekoppeld.
Zeker, men leert dat ook het geloof in Christus noodzakelijk is voor het ver krijgen van het eeuwige leven. Maar ook dit geloof is weer tot een „doen" misvormd; het is niet het eenvoudige „ontvangen" zoals de Bijbel het geloof tekent. Daarom moeten we van Rome zeggen dat het op één lijn staat met het Jeruzalem dat in de dagen van Paulus het Evangelie had verworpen en Christus niet wilde aanvaarden als enige en volkomen Zaligmaker. Van dat Jeruzalem zei Paulus dat het in slavernij verkeert (Gal. 4:21-31).
Maar met Paulus juichen wij: „Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder". „Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte evenals Izaak was".
Vlees tegen Geest
En gelijk de kinderen van dit hemelse Jeruzalem die alleen maar roemen in de genade, vervolgd werden door het Jeruzalem van de Schriftgeleerden en farizeeën, zo werd dit hemelse Jeruzalem vervolgd in de dagen van de Reformatie ten bloede toe en zal ook altijd door het Rome van de wet, van het „doen", vervolgd worden zodra dit Rome daartoe weer de kans krijgt. Dat is een innerlijke wetmatigheid, want het gaat hier over een strijd tussen geest en vlees. „Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods, want het kan dat oolk niet; wie in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen" (Rom. 8:7-8).
Met het „vlees" bedoelt Paulus de zondige menselijke natuur die het eeuwige leven niet als een puur genadegeschenk wil ontvangen, maar het wil verdienen door eigen goede werken. Hoe deze poging op een rampzalige mislukking moet uitlopen, beschrijft Paulus in Rom. 7. Maar in Rom. 8 zingt hij dan: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods" (1-2).
Deze instelling van het vlees (de poging door eigen werken God te behagen) en van de geest (het ontvangen van het welbehagen Gods uit loutere genade om Christus wil) staan tegenover elkaar. Ze verdragen elkaar niet. Daarom schrijft Paulus: „Doch gelijk toen zij die naar het vlees geboren was, degene vervolgde die naar de Geest geboren was, alzo ook nu" (Gal. 4:29).
Geen nieuw slavenjuk
Het Jeruzalem van boven is vrij, zo schreef Paulus. Lezer, bent u een kind van die moeder? Leeft u werkelijk vanuit de vrijheid van Christus? Of laat u zich toch knechten door een aards Jeruzalem, door een kerk (dat kan ook een orthodoxe jeformatorische kerk zijn) of een groep die u onderwerpt aan allerlei voorschriften? i'aulus roept ons allen toe: „Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen" — „laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen" RKV. (Gal. 5:1).
Hij voegt er wel aan toe: „. . .alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees" (Gal. 5:13). Wij, mensen, zijn zo geraffineerd dat wij onder de leuze van de vrijheid in Christus ons aan bandeloosheid kunnen overgeven. Maar dan is dat volgens Paulus een duidelijk bewijs dat we niet de vrijheid van Christus hebben, maar een vrijheid die ons eigen zondige vlees ons heeft voorgespiegeld. „Want het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegenover elkander" (vs. 17).
Is vs. 20-21 beschrijft Paulus dan de werken die uit het vlees voortkomen: „Overspel, hoererij, onreinheid, ontucht" enz. In vs. 22: „Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede" enz.
„En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet" (Gal. 5:16).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 1978
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
