In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Herkennen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herkennen

7 minuten leestijd

Bij het lezen van hoofdstuk 16 van de eerste brief aan de Korinthiërs viel mij opnieuw op dat Paulus zo vaak de term „heiligen" bezigt om de gelovigen aan te duiden. Eerst noemt hij de gemeenteleden van Jeruzalem heiligen (vs. 1), daarna de gemeenteleden van Korinthe (vs. 15). Trouwens zo spreekt hij ook vaak de geadresseerden van de verschillende brieven aan.

Dat deed mij denken aan Brazilië. Daar hadden de protestanten een apart woord om zich aan te duiden, n.1. „crente". Letterlijk betekent dat „gelovige". Ook in het grote Portugese woordenboek: „Dicionario Encyclopedico Luso-Brasileiro" wordt reeds aangegeven dat dit woord betekent het lid zijn van een „protestantse sekte". Tornar-se um crente — dus letterlijk: een gelovige worden — staat gelijk met protestant worden.

De geheimnisvolle aanwezigheid van Christus

Dit was echter niet zo maar een nietszeggende verzamelnaam zoals ons woord „protestant" dat eigenlijk niet veel meer betekent dan: niet-rooms en niet-humanist. Nee, dat woord had een rijke positieve betekenis. Het had een geheimnisvolle klank. Het gaf aan dat iemand persoonlijk Jezus Christus kende en Hem als Zijn volkomen en enige Zaligmaker beleed.

„Sou um crente = ik ben een gelovige" wilde zeggen: ik ben uit de duisternis tot het licht van Christus gekomen. Hij is het centrum van mijn leven geworden.

Wanneer „crentes" elkaar ontmoetten in de trein of waar dan ook en ze herkenden elkaar aan bv. lektuur die ze aan het lezen waren of aan een insigne die ze droegen, dan was daar meteen een vreugdevolle verbondenheid onder hen. Dan wisten ze van elkaar dat ze al hun verwachtingen op die éne Persoon hadden gesteld, Jezus Christus. Dan beleefden ze ook al vrij spoedig dat Hij in hun midden was, want de belofte van Christus: „Waar twee of drie in Mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden van hen" (Mat. 18:20) was volle werkelijkheid voor hen.

Doe gereformeerd; dat is genoeg

Ik genoot intens van die heerlijke gemeenschap in Christus. En toen ik in Nederland kwam, dacht ik ditzelfde te zullen ervaren met gelovige protestanten. (Ik wist natuurlijk wel dat er ook vrijzinnige protestanten waren en met hen verwachtte ik zulk een heilige gemeenschap niet).

Maar dat werd een grote teleurstelling. Zeker, ook hier gebeurde het meerdere malen dat die merkwaardige vonk oversloeg en dat dat herkennen van elkaar in Christus plaats had. Maar ik merkte dat deze „crentes" een beduidende minderheid vormden onder het (ook Schriftgelovige) protestantse kerkvolk in Nederland.

Ik trof in grote trekken twee groepen aan. De eerste groep keek mij verbaasd aan, wanneer ik sprak over mijn persoonlijk kennen van Christus en over de blijdschap die ik mocht beleven in Hem. Ze vonden mij een vreemde vogel. Later leerde ik beter hun gedachtengang kennen. Die kwam ongeveer hier op neer: „Als je toch gedoopt bent, dan moet je aannemen dat je een kind van God bent. Dat hoef je helemaal niet te ervaren. Zorg maar dat je geregeld naar de kerk gaat, dat je het eens bent met wat beleden wordt in de Drie Formulieren van Enigheid en dat je probeert je christelijke plichten te volbrengen en dat is genoeg."

U begrijpt dat dit een ontgoocheling voor me was. Wat mij in het protestantisme van Brazilië zo geboeid had, was niet dat ze een andere leer brachten, maar een ander leven. Zij verkondigden het leven, het eeuwige leven van Christus Zelf, dat de zondige mens om niet ontvangt, enkel langs de weg van de gelovige aanvaarding van Jezus Christus.

De onzichtbare Gast was altijd bij hen

Daarvan getuigden zij ook met gloed. Christus was de onzichtbare gast bij al hun samenkomsten.

Zo herinner ik me dat we met jongeren van de gemeente van São Paulo een uitstapje hadden naar Santos om daar een dag aan het strand door te brengen. En voordat wij in het water doken, gingen we in een kring staan, gaven elkaar een hand, terwijl de predikant een gebed uitsprak. Heel het leven, ook de ontspanning, was doorademd en geheiligd van de Geest van Christus.

Maar hier? Als ik nu terug denk aan die eerste tijd van mijn kontakt met (heus echte orthodoxe) protestanten, dan weet ik dat menigeen zich over mij verwonderd heeft. Ze zullen hun hoofd hebben geschud: „Daar spreek je toch zo niet over. Dat is overdreven. Dat is overgeestelijk. Dat is toch niet nodig. We zijn toch goed gereformeerd, dat is toch genoeg".

Tóch uit werken?

De tweede groep waar ik mee te maken kreeg, reageerde vaak precies andersom. Zij keken mij aan ofwel met een heilige jaloersheid of met bittere achterdocht. Achteraf kan ik hun gedachten ongeveer zo reconstrueren: „Ja, maar dat kan toch zo maar niet. Er moet heel wat staan te gebeuren, voordat je zonder meer mag weten dat je het eigendom bent van Christus".

Ook deze groep kon ik toen maar moeilijk begrijpen. Ik dacht: Is het dan tóch niet uit louter genade? Is dat dan te hoog gegrepen? Mag je dan tóch niet naar Jezus gaan zoals je bent, in al je ellende, hulpeloosheid en onmacht? Heeft de roomskatholieke kerk dan tóch gelijk gehad, toen zij op het concilie van Trente de leer van de Reformatie onder vervloeking afwees?

Later heb ik begrepen dat zij voor een groot gedeelte reageerden tegen de oppervlakkigheid van de eerste groep, die het leven, de bevinding, uit het geloof hebben gehaald en bij wie de wedergeboorte slechts een kwestie van veronderstelling of van een konklusie uit een redenering is geworden.

„Huisgenoten des geloofs" (Gal. 6:10)

Die tijd in Brazilië zal ik nooit meer vergeten. Je voelde de diepe verbondenheid met elkaar in Christus ook wel vanwege de vervolging. Je was daar een heel kleine minderheid onder de rooms-katholieke massa. Je was veracht, niet in tel. Je behoorde tot een „sekte".

Ik bladerde weer eens in paperassen van mijn Braziliaanse tijd. Ik vond daar ook de copie van een brief, die ik aan mijn familie in Nederland had geschreven, waarin ik mijn overgang naar het protestantisme meedeelde. Ik citeer daaruit:

„Er heerst onder de protestanten van Brazilië een geest van liefde, broederschap, hartelijkheid en behulpzaamheid die je je nauwelijks kunt dromen. Op 8 juli (1948) heb ik het klooster van Tietê verlaten en werd in Säo Paulo opgevangen door ds. F. Nocetti. Nog diezelfde avond vertrok ik per nachttrein naar Rio de Janeiro, naar ds. Adriel de Souza Motta, waar ik het eerste kontakt mee had gehad. De trein was zes uur te laat in Rio. Maar desondanks stond hij mij op te wachten. Tien dagen heb ik doorgebracht in zijn gemeente. Ik had het gevoel alsof ik in een grote familie was opgenomen.

Ik denk dat die geest van eenheid, liefde en saamhorigheid onder de protestanten van Brazilië ook wel voortkomt uit het feit dat ze nier een verdwijnende minderheid vormen. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat er onder de protestanten van Nederland eenzelfde geest heerst. Me dunkt, dan zouden we het toch moeten merken". Tot zover deze brief.

Terug naar de eenvoud van het kind

Hoe kan er ook bij ons zulk een geest groeien van elkaar herkennen in de levende Christus?

Ik meen dat dit alleen maar kan, wanneer we terugkeren naar de eenvoud van het Evangelie. Als ik kijk naar het zwaarwichtige protestantisme van Nederland, dan lijkt het wel of Jezus nooit deze dankzegging heeft uitgesproken: „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en ze de kinderkens hebt geopenbaard, [a, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U" (Mat. 11:25-26).

Of willen de protestanten van Nederland over het algemeen te wijs en geleerd zijn en heeft de Heere daarom voor velen de rijkdom van de vreugde van het Evangelie verborgen? Jezus heeft toch immers gezegd dat wij het Koninkrijk Gods niet kunnen binnengaan, tenzij wij worden als de kinderen.

Natuurlijk is daar niet mee bedoeld dat ons intelligentiepeil moet zakken tot dat van een kind. Ik houd zelf ook van diepgaande theologische en exegetische lektuur. Maar Jezus bedoelt dat wij die houding van eenvoud moeten hebben van een kind. We moeten eenvoudig Hem geloven op Zijn Woord, ons laten trekken door de Heilige Geest naar Jezus toe, zonder te steunen op menselijke systemen, op menselijke redeneringen of op menselijke bevindingen die volgens door ons opgezette wetten moeten verlopen.

Christus heeft in alle klaarheid beloofd: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1978

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Herkennen

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1978

In de Rechte Straat | 32 Pagina's