In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Geachte redactie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geachte redactie

7 minuten leestijd

Het november-nummer doorgebladerd, met een hoop dingen goed eens, maar op blz. 28 schijnt het me toch een misduiding wanneer daar van GOD gezegd wordt: „Gij wordt en zijt"; ook wanneer daar gezegd wordt: „Gij spreekt en Gij geschiedt"; ook wanneer daar gezegd wordt: „Gij maakt u één met al wat lijdt"; ook wanneer daar gezegd wordt: „Gij maakt u één met al wat lijdt"; ook wanneer daar gezegd wordt: „Gij hebt Uw liefde uitgeraasd". Want immers God „wordt" niet, Hij spreekt en „het" geschiedt, God maakt zich niet onderscheidloos één „met al wat lijdt", en hoe durft men bij en ten aanzien van het Wezen Gods van „razernij" te spreken?!

Zijne liefde is van eeuwigheid tot eeuwigheid, en niet als een stormvlaag die maar op komt zetten, en bovendien alsdan meteen voorbij gaat!

De plaatsing van dit gedicht in die vorm was toch wel even een vergissing.

Overigens met vriendelijke groeten, Ds. A. v. d. Kooy, Woerden.

ANTWOORD:

Vriendelijk dank voor uw opmerkingen. Die geven mij de gelegenheid om mijn bedoeling nader te verklaren.

We moeten niet vergeten dat een gedicht heel iets anders is dan een theologische uiteenzetting. Een gedicht is niet een soort berijmd theologisch handboek.

Een gedicht begint waar de logica eindigt. Iemand gaat over tot de dichtvorm, wanneer hij het gevoel heeft dat hij in de gewone logische taal niet voldoende kan uitdrukken wat hij ten diepste ziet en beleeft. Een gedicht is een andere dimensie dan een logische verhandeling. In een gedicht beginnen de woorden te leven. De verstolling wordt tot vloed en gloed. Alles hangt daarom in een gedicht met elkaar samen. Je kunt daar niet zo maar een zinnetje uitnemen en het los van het geheel beschouwen.

In dat gedicht heb ik geprobeerd iets van de grootheid Gods weer te geven. Ik zou dat ook wel hebben kunnen proberen met proza, zoals ik dat vaker doe in ons blad. Maar het proza heeft grenzen die een gedicht niet heeft. In een gedicht gaan de toppen van je vingers tintelen en breng je iets van het Woordeloze onder woorden.

Theologie, wees ootmoedig

Ook de theologie moet zich van haar grenzen bewust blijven. Anders wordt ze dorre en aanmatigende scholastiek. Dat is juist het mooie van onze belijdenisgeschriften. Daar worden enkele duidelijke lijnen getrokken, maar door heel die belijdenisgeschriften heen klinkt ook het lied der aanbidding voor de Onuitsprekelijke, die ons verblijdt „met een heerlijke en onuitsprekelijke vreugde" (1 Petr. 1:8).

In de eerste eeuwen hebben de christenen moeizaam geworsteld om het geheim van Christus onder woorden te brengen. Ze zijn toen tot de overtuiging gekomen dat je aan de Schriftgegevens niet voldoende recht zou doen, wanneer je alleen over drie verschijningsvormen van God zou spreken. Ze hebben hun overtuiging vastgelegd in de leer van één God in drie Personen.

En inderdaad, ik stem volledig met die belijdenis in. Maar we moeten nooit denken dat we daarmee een kijk zouden hebben op het innerlijke wezen Gods. We kunnen eigenlijk niet veel meer zeggen dan dat wij met onze menselijke, gebrekkige woorden dit ontzagwekkende geheim niet beter kunnen uitdrukken. Maar in zichzelf blijft het een ondoordringbaar mysterie. En zo is het met alle stukken van onze belijdenis. Daarom is die belijdenis ook zo boeiend. Ze is geen wiskundesom of een diskussiestuk. Ze is belijdenis, dat is: ootmoedige en dankbare lofzang op de God van de genade, die ons Zijn erbarming geschonken heeft in Jezus Christus.

En nu uw konkrete punten.

Uw bezwaar dat ik van God heb gezegd: „Gij wordt en z i j t " . Ik heb daarmee willen aangeven dat het zijn van God heel anders is dan het zijn van ons, mensen. In God is de hoogste rust van de onveranderlijkheid en tegelijk is blijkbaar God ook de hoogste beweging. Denkt u maar aan de eeuwigdurende voortbrenging van de Zoon door de Vader, en van de Heilige Geest door de Vader en de Zoon. Dat onbegrijpelijke heb ik proberen weer te geven in: „Gij wordt en zijt". Dat het zijn van God heel anders is dan ons zijn kunnen we duidelijk merken aan de woorden van Christus: „Eer Abraham was, ben Ik"(Joh. 8:58). Wij zouden vanuit ons beperkte menselijke denken gezegd hebben: „Eer Abraham er was, was Ik er al". En dat het zijn van de Heere heel anders is dan het zijn van ons, blijkt ook uit de zegengroet van Johannes: „Genade zij u en vrede van Hem Die is en Die was en Die komen zal" (Openb. 1 : 4 ) . De Heere is blijkbaar tegelijk verleden, heden en toekomst.

Wanneer wij van onszelf zeggen: „Ik ben", dan is dat toch ook weer heel anders dan wanneer de Heere van Zichzelf zegt: „Ik ben". Als we dat uit het oog verliezen, raken we het geheim Gods kwijt. Het Woord Gods draagt ons als op vleugelen in de richting naar de Heere. En door de werking van de Heilige Geest kunnen we Hem ook persoonlijk kennen, maar dat kennen is ten diepste een kennen van het hart, een verbondenheid met Hem in afhankelijkheid en geloofsvertrouwen, een kennen op grond van de levende eenheid met Zijn Zoon Jezus Christus.

Juist omdat wij weten dat wij slechts „ten dele kennen" (1 Kor. 13:9), is er in de gelovige die sterke hunkering naar het ten volle kennen, naar het kennen „aangezicht tot aangezicht" (vs. 12).

Gods majesteit, liefde en toorn

Dat God Zich niet onderscheidloos één maakt met al wat lijdt, weet ik natuurlijk ook, maar dat heb ik ook niet geschreven in mijn' gedicht. Ik wilde daarmee slechts uitdrukken dat de Heere overal is en dat Hij nooit koud-objektief tegenover het lijden staat, welke vorm dat lijden ook mocht aannemen, want het is Zijn schepping, het werk van Zijn handen en van Zijn wil.

Ik heb ook aan God geen razernij toegeschreven in mijn gedicht. Ik heb wel het woord „uitrazen" gebruikt. Daar komt het woord „razernij" etymologisch vandaan, maar het heeft toch een andere betekenis.

U zult het met mij eens zijn dat zowel de liefde als de toorn van God onvoorstelbaar voor ons is. We zien dan ook dat de Heere in de Bijbel allerlei beelden gebruikt om ons Zijn liefde en toorn enigszins duidelijk te maken. Slechts één van de vele voorbeelden : „Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg. Ik ontmoette hen als een beer die van jongen beroofd is" (Hosea 13: 7 - 8 ) . Vooral dat beeld van de berin, die van haar jongen beroofd is, laat ons zien dat de toorn Gods over Zijn volk voortkomt uit liefde. Vanuit die bijbelse gedachte schreef ik: „Gij hebt Uw liefde uitgeraasd in 't offer van Uw Zoon. U hulde Hem in hoon". Maar ik heb er ook aan toegevoegd: „De nacht heeft zich aan Hem verdwaasd". Daarmee heb ik geprobeerd weer te geven de eigen duistere macht van het kwade. Het offer van Christus was tegelijk een verschrikkelijke schuld van de mensen.

Vanzelfsprekend ben ik het met u eens dat Gods liefde voor eeuwig is en nooit meer wijkt van Zijn uitverkorenen. Daarom schreef ik ook dat Zijn liefde zich heeft uitgeraasd op Golgotha. Daar is aan de toorn Gods geheel voldaan. „Het is volbracht". Daarom schreef ik ook over de zonde: „zij heeft zichzelf verspeeld, want Gij hebt Hem weer opgewekt". De zonde heeft haar kansen voor goed aan Christus verspeeld. Haar macht is door de Gekruisigde én Opgewekte voor altijd gebroken en teniet gedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Geachte redactie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's