DUIDELIJKE TAAL VAN NEDERLANDSE BISSCHOPPEN
U hebt het allen in de pers kunnen lezen: de Nederlandse bisschoppen hebben zich gedistancieerd van de twee concept-verklaringen van de interkerkelijke werkgroep „Intercommunie en ambt". De bisschoppen hebben uitgesproken dat moet worden vastgehouden aan de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de mis (transsubstantiatie), aan de leer dat de mis een waarachtig offer (Trente: „een echt en waar verzoeningsoffer") is, dat alleen de priesters die een geldige wijding hebben gekregen (dus niet de dominees) het sakrament van het Avondmaal kunnen bedienen (een Avondmaalsbediening door een dominee is volgens Rome geen echt sakrament), en dat de paus onfeilbaar is en het hoogste gezag heeft over alle gedoopte christenen.
Bedroefd en blij
Van de ene kant zijn we daar bedroefd om. Het is een nieuwe bevestiging van oude dwalingen. We kunnen dus vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse Katechismus nog niet schrappen. De bisschoppen hebben uitgesproken dat het door de priester gewijde brood met de hulde van de aanbidding moet omgeven worden, die tot uitdrukking wordt gebracht o.a. doordat men er voor neerknielt en doordat degenen die de mis bijwonen, uitgenodigd worden om tegen het opgeheven brood te zeggen: „Mijn Heer en mijn God".
Van de andere kant kunnen we er in zekere zin blij om zijn, omdat hierdoor een stukje meer duidelijkheid gekomen is. Er zat voor mij iets onwaarachtigs in, wanneer de vroegere bisschoppen die de dokumenten van het tweede Vatikaanse Concilie mee hadden ondertekend, waarin de onfeilbaarheid van de r.-k.kerk opnieuw was uitgesproken, toch deden alsof men aan die ondertekening geen waarde behoefde te hechten. Ik houd niet van mensen die zo vlot hun handtekening onder iets zetten en er zich daarna niets meer van aantrekken. Ik heb liever te maken met mensen bij wie nog steeds geldt: „een man een man, een woord een woord", ook al staat mijn overtuiging lijnrecht tegenover de hunne. Ik houd niet van mensen bij wie alles wat ze zeggen, glibberig is.
Priester reageert in Trouw
In Trouw reageerde de r.-k. priester H. Verbeek op deze uitspraak van de Nederlandse bisschoppen. Hij zegt dat hij, en veel rooms-katholieken met hem, het niet eens zijn met deze uitspraak. Helaas is dat niet, omdat hij het eens is met de reformatorische opvatting. Hij ziet in het sterven van Christus helemaal geen plaatsvervangend offer tot genoegdoening van onze zonden om ons aldus weer met God te verzoenen. Hij schrijft:
„De criteria die beslissen over het reclit doen aan het Paasmaal met de gedode rabbi, zijn niet leerstellig maar historisch. Wie deelt met wie? Dat is beslissend". „Dit is mijn lichaam", zei de rabbi Jezus: „voor deze strijd zet ik mijn leven in". Zo volledig als dat offer is, zo kort is het onder woorden gebracht". „Priesterschap dat ononderbroken geketend wil zijn aan het gemartelde lichaam van de Joodse mensenvriend, is onmiddellijk herkenbaar aan de inzet van eigen leven".
Gevaarlijk idealisme
In dat artikel van Verbeek proef ik van de ene kant iets heel moois, iets bijbels. Dat is de verkondiging dat wij met Christus moeten sterven aan ons egoïstische ik om met Hem op te staan tot het nieuwe leven.
En tóch is het ook weer niet bijbels en is het zelfs een levensgevaarlijk idealisme, omdat het losgemaakt is van het plaatsbekledende lijden en sterven van Christus. Er zijn in de loop van de geschiedenis meer van die idealistische stromingen geweest. Denkt u maar aan de Franse revolutie met haar prachtige ideaal: „Vrijheid, gelijkheid en broederschap". Maar u weet ook hoe snel daarna het schrikbewind is gekomen, weldra opgevolgd door de diktator Napoleon met zijn bloedige oorlogen. We weten ook hoe het communisme eveneens de gelijkheid van allen verkondigt, maar in de landen waar het zich gevestigd heeft, zijn stromen bloed vergoten en is de vrijheid tot het uiterste aan banden gelegd.
De wet van de graankorrel
De reden daarvan, is deze: Wij kunnen onszelf niet waarachtig inzetten voor een ander, tenzij we tot geloof in Christus zijn gekomen en Hem hebben aanvaard niet alleen als mensenvriend, maar voor alles als onze Hogepriester die Zichzelf gaf als Offerlam, omdat wij anders terecht ons vonnis zouden ondergaan, dat is de eeuwige dood.
Ons ik moet waarachtig sterven, anders kan het geen honderdvoudige vrucht dragen. Evenals de graankorrel moet het in de aarde om daar te vergaan.
Dat waarachtige sterven van je eigen ik heeft slechts dan plaats, wanneer wij onze zonden voor God erkennen in de volle zwaarte; wanneer wij oprecht belijden dat wij een oneindige straf hebben verdiend, dat wij dus misdadigers zijn, die terecht veroordeeld zijn, niet tot levenslang of tot de lichamelijke dood, de strop bv., maar tot de eeuwige dood. Tot zulk een schuldbelijdenis kunnen we echter alleen komen, wanneer de Heilige Geest ons door het Woord heeft laten zien, wie God is en wie wij zijn.
Zulke mensen zijn innerlijk verbroken. Ze hebben geen enkele pretentie meer. Ze zijn mild en barmhartig, omdat ze zelf de barmhartigheid Gods ervaren hebben in Jezus Christus. Ze weten dat er uit hun natuurlijke ik geen goed kan tevoorschijn komen, maar ze weten ook dat de Heilige Geest in hen woont en dat die Geest vrucht in hen voortbrengt: „liefde, blijdschap enz.„ (Gal. 5:22). Ze zijn dan ook zachtmoedig en nederig van hart, evenals hun Meester (Mat. 11:29). Niet dat ze de zonde niet meer als een macht in zich voelen; dat wél, maar ze weten het is een door Christus overwonnen macht. En ze leven niet uit eigen overwinning, maar uit Zijn overwinning.
Zonder Christus aanbidden we onszelf
Hoezeer ik op zichzelf ook het mooie ideaal van Verbeek (en anderen) waardeer en ermee instem, toch moet ik hem zeggen dat hij zonder dit geloof in Jezus Christus als Offerlam in onze plaats niet ontkomt aan de cultus van het eigen ik. Je proeft uit heel dat stuk tegelijk dat Verbeek zichzelf heel wat beter vindt dan die vele anderen, „de welvoorzienen van het Westen, met hun geloof in groei en bezit". Die houding kennen we uit het Evangelie: „O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen". Maar „de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig" (Luk. 18: 9-14).
Wij maken Verbeek daar geen verwijt van, want hij kan zichzelf niet veranderen, evenmin als wij onszelf kunnen veranderen. Er is er Eén die ons anders kan maken. Dat is Jezus Christus. Hij brengt een verandering in ons tot stand, die zo diep is, dat Hij ze vergelijkt met een nieuwe geboorte. Hij brengt die wedergeboorte tot stand door Zijn Woord en door Zijn Heilige Geest. Wél is het dus onze schuld, wanneer wij weigeren ons door Hem te laten veranderen, wanneer wij weigeren ons in gelovig vertrouwen aan Hem alleen over te geven. Daarom klinkt de oproep: „Bekeert u en gelooft het Evangelie" (Mark. 1:15).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
