Een vaste Burcht is onze God
In „Le Bon Combat" ( = De Goede Strijd) een evangelisch maandblad dat in Parijs verschijnt, las ik een getuigenis van een gewezen kloosterzuster. Graag wil ik dat voor u vertalen.
Ik ben geboren en opgegroeid in een gemengd huwelijk. In mijn kinderjaren ontving ik goed bijbels onderricht, maar daarna volgde het onderwijs in de r.-k. leer. Toen ik elf was, deed ik de plechtige kommunie, waaraan verbonden is de vernieuwing van de Doopbeloften.
Toen ik ouder werd, wilde ik in elk geval mijn zaligheid zeker stellen. Ik zocht de volkomen toewijding aan de Heere.
De pastoor van mijn parochie drong er bij mij op aan dat ik naar het klooster zou gaan, want daar zou ik de gelegenheid vinden om mij totaal aan de Heere te geven en om aldus zeker te worden van het eeuwige leven.
Daarom trad ik in het klooster en wel op de leeftijd van 21 jaar. Gedurende het noviciaat (proefjaar) werd ik overspoeld door allerlei voorschriften en regeltjes. Ik oefende mijn wilskracht op allerlei wijze. Ik wilde volmaakt gehoorzamen, vroeg verlof voor alles zoals dat was voorgeschreven. Ik probeerde in de oversten God Zelf te zien van Wie zij immers de vertegenwoordigers waren, zoals beweerd werd. Het werd een kwelling voor mij. Dat voortdurend wroeten in mijn geweten: „Heb ik geen slechte gedachten of begeerten in mezelf toegelaten? Ben ik niet jaloers geweest op zuster X?". En terwijl ik zo mijn uiterste best deed, meldde zich alweer een andere vraag: ,.Probeer je niet alles veel te goed te doen? Tracht je niet uit te blinken in volmaaktheid, niet vanwege de liefde tot God, maar uit ijdel zelfbehagen?" Ik dreigde er volkomen moedeloos door te worden.
Bovendien moest ik in het klooster de leerstukken van de r.-k. kerk grondiger bestuderen. En de dogma's en beschouwingen die mij vanuit de encyclieken en concilies tegengrijnsden, schokten mij en kwetsten mij.
Toen de tijd aanbrak dat ik mijn geloften zou afleggen, sprak ik met mijn oversten over mijn angsten. Ik vroeg of ik een priester mocht raadplegen. Maar een priester is een man. Als non kun je toch niet zo maar een diepgaand gesprek met een man hebben in de spreekkamer. (Dat is in Nederland allemaal veranderd. H.J.H.). Ik durfde mij niet meer terug te trekken. Ik legde de eeuwige geloften af met angst in het hart. Terwijl ik in het koor plat op de grond lag onder de Litanie van alle heiligen, voelde ik mij door God verworpen op hetzelfde moment dat de kerk mij prees en verhief tot de eer van de „eerwaarde zuster". God liet mij toen al zien de onmogelijkheid om die geloften te volbrengen. Hij toonde mij ook Zijn toorn vanwege mijn aanmatiging en zelfverheffing, omdat ik meende daarmee Hem te kunnen behagen. Maar het leven ging verder.
Zes jaren van stilte en eenzaamheid gaven mij echter ook de gelegenheid om mij te verdiepen in de Schrift. En dat levende Woord van God ging een beslissende rol in mijn bestaan spelen. Het ging alles omver werpen.
Ik die in het klooster mijn zaligheid had gezocht, vond in de Bijbel alleen maar veroordeling, „mijn" veroordeling, de vloek Gods over mij.
Christus had gebeden voor Zijn discipelen opdat zij geheiligd zouden worden in de wereld (Joh. 17:15; Matth. 5:15) en wij ontvluchten de wereld. Hij was arm geweest en onze kloosterorde was ontzettend rijk. Wij wilden „wandelen in lange klederen" en hielden van de „begroetingen op de markten" (Luk. 20:46), terwijl de Heere had gezegd: Wacht u voor zulke mensen. Ik zocht een rechtvaardigmaking op grond van mijn werken (de stilte, de eenzaamheid, de kastijdingen in het klooster), maar de Heere God verwierp mij daarom, omdat een zondig mens alleen door genade kan gerechtvaardigd worden.
In mijn kloostercel smeekte ik vaak op de knieën om verlossing. Maar altijd weer kreeg ik te horen: „Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit werken opdat niemand roeme" (Ef. 2:8-9).
„De rechtvaardige zal door geloof leven" (Habakuk). Toen brak het volle licht in mijn ziel door.
Ik snelde naar de abdes om haar te zeggen dat ik eindelijk de vreugde des heils had gevonden en niet, omdat ik alles verlaten had en de keuze had gedaan voor een streng kloosterleven, maar omdat God in Zijn genade mij gegeven had het geloof in Jezus Christus als mijn enige en volkomen Zaligmaker. Ik zei haar: „Er is geen andere Naam door Welke wij zalig moeten worden" (Hand. 4:12).
Mijn overste werd woedend, toen ze dat hoorde. En nu brak een strijd aan van vier jaar, waarin het mij onmogelijk werd gemaakt om het klooster te verlaten, vier jaar van lijden temidden van de algemene vijandigheid van de kloostergemeenschap, vastgekluisterd als het ware aan de machtige abdes.
In 1975 bereikte de strijd een hoogtepunt. De overste was tot de overtuiging gekomen dat ik onverbeterlijk was. Ze brandmerkte mij als een opstandelinge, als iemand die schadelijk is voor de kloostergemeenschap. Ze sommeerde mij om mijn bijbelse overtuiging op te geven. Ze zei: „Uw ziel is in gevaar. U zult verdoemd worden met zulk een leer, wanneer u die met volle bewustzijn aanhangt en met volle vrije wil. Maar ik geef er de voorkeur aan te veronderstellen dat u geestesziek bent".
Vanaf dat moment werden mij allerlei medicijnen toegediend. Een psychiater die geraadpleegd werd, weigerde mij echter in behandeling te nemen, daar ik volgens hem geestelijk volkomen gezond was. Een tweede psychiater zei kortweg: „Ik wil niet meer dat u bij mij terug komt."
Tenslotte verklaarde een derde zich bereid mij onder handen te nemen. Dat deed hij als een buffel. Hij probeerde zich in mijn ziel binnen te dringen en sloeg mij daar zelf aan het kruis. Hij verscheurde mij. Hij trapte op mijn teerste gevoelens. Hij maakte mij ten prooi aan de vertwijfeling. De klaagzangen van sommige psalmen die ik in het koor zo vaak gezongen had, werden nu diepe werkelijkheid voor mij. Ik riep tot mijn God: „Waarom hebt Gij mij verlaten?"
Maar in 1976 kwam de bevrijding. De overste werd zozeer geprikkeld door mijn herhaalde smeekbede om het klooster te mogen verlaten, dat ze mij op zekere dag een veel te grote dosis medicijnen liet toedienen. Ik zakte in elkaar en terwijl dat gebeurde, flitste het door mij heen: „Nu is alles voorbij. Dit is het einde".
Drie nonnen droegen mij in een auto en zo werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Inderdaad leek het erop dat ik nu voor altijd in de gevangenis zat en dat ik er nooit meer uit zou raken.
Maar er gebeurde iets vreemds. De direkteur van het ziekenhuis werd plotseling weggeroepen omdat zijn vader stervende was. Een jonge psychiater nam de behandeling over. Hij liet mij helemaal uitpraten en stopte toen meteen de medische behandeling. Twee dagen later kwam hij in mijn kamer en zei: „Zuster, ik heb uw familie gebeld. Morgen komen ze u halen." „Maar dokter, wat zal de bisschop doen? Als ik zonder verlof uit het klooster vertrek met de bedoeling er niet meer terug te komen, ben ik in de kerkelijke ban." „Zuster, ik ben hier maar vier dagen als plaatsvervanger. Daarna zal het te laat voor u zijn en komt u hier nooit meer vandaan. Ga hier weg en kom er nooit meer terug." De volgende dag vertrok ik. De Sterke Jakobs had mij verlost.
Maar ik had niets meer: geen werk, geen kleding, geen identiteitspapieren; ik was niet ingeschreven in de sociale verzekering. Maar de Heere heeft mij niet alleen gelaten. Twee leraren van wie ik vroeger onderwijs had gekregen, hebben mij gehuisvest en mij met alle zorg en liefde omringd. Spoedig vond ik werk.
Deze vrienden wilden mij niet alleen op maatschappelijk terrein verder helpen. Ze brachten me in kontakt met een protestantse vriendin. Want zij waren tot de konklusie gekomen dat daar een antwoord zou gevonden moeten worden op mijn geestelijke problemen, omdat de spanningen in het verleden immers voortgekomen waren uit mijn overtuiging die ik uit de Bijbel had opgedaan.
Zij nam mij mee naar de samenkomsten van haar kerk. Daar ontmoette ik broeders en zusters die dezelfde innerlijke bevrijding hadden doorleefd: de wedergeboorte door genade alleen. Op 26 juni 1977 werd ik, na gedoopt te zijn, opgenomen in de volle gemeenschap met de kerk.
Ik moge besluiten met deze uitnodiging van ps. 34:4:
„Maakt de Heere met mij groot en laat ons Zijn Naam samen verhogen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 november 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
