Kinderen Gods of… slavenzielen?
Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, betekent steeds brandmerken. Het stamt nl. van het woord „kautèrion = brandijzer". Aldus dr. Harting in zijn „Handwoordenboek op het Nieuwe Testament". In Kittels WZNT laat Dr. Schneider zien dat dit woord (kaustèriazomai) dat slechts eenmaal in het N.T. voorkomt nl. in 1 Tim. 4:2, in het Grieks van die dagen steeds diezelfde éne betekenis had.
Het opdrukken van een brandmerk gebeurde vooral bij de slaven om weglopen te verhinderen en als ze waren weggelopen, om ze dan weer gemakkelijk bij hun eigenaar te doen terugkeren. Dat merkteken werd aan het voorhoofd aangebracht en was onuitwisbaar.
Deze dwaalleraars van 1 Tim. 4 hebben dat brandmerk van de slaaf opgedrukt gekregen van hun bazen „de duivelen". Paulus schrijft: „Doch de Geest zegt nadrukkelijk dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leringen der duivelen". Wat is de dwaling die zij verkondigen?
De schepping is goed
1. Zij ontkennen de goede schepping. Dat is een bijzonder slimme truc van de duivel, wanneer hij ons daartoe kan brengen. Dan hebben we immers een verontschuldiging voor onze zonden. We kunnen dan zeggen: „Wij willen wel goed, maar God werkt ons tegen, doordat Hij in Zijn schepping zelf reeds de verleiding heeft gelegd".
Paulus keert zich daar radikaal tegen. Hij zegt: „Alle schepsel is goed en er is niets verwerpelijk" (vs. 4). Hij gloeit van verontwaardiging tegenover hen, die aldus de heilige Naam van de Scheper belasteren.
„Dat had God nooit moeten doen"
2. In twee punten wijzen deze dwaalleraars de fout van God aan. De Heere zou nl. er verkeerd aan hebben gedaan dat de mens zichzelf in stand moet houden door te eten te drinken. Daaraan is immers genot verbonden. En datzelfde geldt voor de voortplanting van het leven in het huwelijk. Ook aan die gemeenschap tussen man en vrouw, waardoor het kind ontvangen wordt, heeft de Heere genot verbonden, ook lichamelijk genot. Dat had de Schepper nooit moeten doen, zo menen deze dwaalleraars, want zo wordt de menselijke ziel naar beneden getrokken en aan het lichaam gekluisterd.
U voelt waarschijnlijk al dat achter deze dwaalleer een dieper liggende dwaling schuilgaat nl. van de scheiding van ziel en lichaam die in het heidense denken van die tijd nog al opgeld deed en die later gevoerd heeft tot de gnostiek, deze levensgevaarlijke dwaling die de jonge kerk dodelijk bedreigde.
Deze dwaling is geheel in strijd met het bijbelse denken. Paulus antwoordt daarop: Alles wat God geschapen heeft, is goed, zeer goed (zie Genesis 1). De Heere reikt die goederen van Zijn mooie schepping uit aan de gelovigen. Die moeten er gebruik van maken als geschapen goederen, dus als gaven die ze van God hebben gekregen, en waarvoor ze dus moeten danken.
Geheiligd en gereinigd
En een tweede antwoord van Paulus: „Want het ( = wat geschapen is) wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed" (vs. 5).
Het woord „geheiligd" betekent allereerst afgezonderd voor, toegewijd aan God. Mensen die gelovig luisteren naar het Woord van God en de vertrouwelijke omgang met Hem kennen in het gebed, betrekken heel hun leven op de Heere. Zij beleven alles onder Gods ogen, dus ook hun eten en drinken en de gemeenschap met elkaar in het huwelijk. Ze weten zichzelf het eigendom van Christus, gekocht door Zijn bloed. En daarom beschouwen ze ook alles wat ze doen of laten, als aan Christus behorend. Alles in hen en aan hen is zodoende gewijd. Ze weten dat de Heere hen heeft opgenomen in Zijn heilig genadeverbond. Ze gaan door het leven, zuchtend om de zondelast die hen nog drukt, en zingend om de genade die hen telkens bevrijdt en verlost, zuchtend en zingend als kinderen van het Verbond.
Het woord „geheiligd" heeft als tweede betekenis „gereinigd". Dat is een gevolg van het eerste. Wie afgezonderd leeft voor de Heere, en dagelijks vertrouwelijk met Hem omgaat door het luisteren naar Zijn Woord en door het gebed, wordt innerlijk gereinigd.
Want wél is er het gevaar - niet vanwege een slechte schepping, maar vanwege onze eigen verdorven aard - dat wij het genot van eten en drinken alsmede het genot van de gemeenschap tussen man en vrouw tot een afgod kunnen maken. Dan worden we in meerdere of mindere mate sexmaniakken en vraatzuchtigen.
Het Woord van God echter bewaart ons daarvoor. Dat Woord verkondigt ons immers de liefde en het schenkt ons de liefde door de Heilige Geest (Rom. 5:5). Daardoor wordt ons lichamelijke genieten (in eten en drinken alsmede in de huwelijksgemeenschap) altijd weer gericht op de ander. „Ze (de liefde) zoekt zichzelve niet" (1 Kor. 13:5). Ook het lichamelijke sexuele genot wordt aldus doorgloeid van de echte liefde, die dat genot gebruikt als middel om tevens de ander wel te doen. „Tevens", dus niet uitsluitend. Nogmaals wij mogen ook zelf genieten van de aangename lichamelijke gevoelens, die de Heere verbonden heeft aan de instandhouding van ons leven door te eten en te drinken, alsmede aan de voortplanting van het leven door de huwelijksgemeenschap. Maar het moet tegelijk (tevens) gericht zijn op de ander.
Maar deze reinigende werking heeft het Woord alleen, wanneer wij er biddend naar luisteren dwz. wanneer wij bidden om de Heilige Geest, die eigenlijk de heiligende en reinigende werking van het Woord in ons bewerkt.
Ze willen zichzelf vrijmaken
3. De derde grondtrek van deze dwaling bestaat daarin dat ze zichzelf onder de wet hebben geplaatst. Daartegenover stelt Paulus: „Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom. 6:14).
Zij verwachten hun heil van de volbrenging van de wet. Ze voelen natuurlijk ook wel de zondige neigingen in zichzelf, maar ze willen niet erkennen dat die voortkomen uit henzelf, uit hun diepste bedorven natuur. Zoals we al zagen, ze beweren dat de schuld daarvan ligt in de schepping zelf.
Daarom gaan ze zich van allerlei dingen onthouden zoals eten en drinken en het huwelijk. Maar daardoor worden ze nóg meer slaaf, slaaf van de wet en door de wet slaaf van de zonde; niet krachtens de wet, want die is in zichzelf heilig en goed, maar door hun eigen bedorven natuur.
Ze willen zich niet uitsluitend laten vrijmaken door Christus. Dat is hun eer te na. Ze willen zichzelf vrijmaken, en zo ploeteren en zwoegen ze onder de wet, niet als vrije kinderen Gods, maar als slaven.
PRAKTISCHE TOEPASSINGEN
t.o.v. het roomskatholicisme
Heel duidelijk is de dwaalleer van 1 Tim. 4 terug te vinden in het rooms-katholicisme.
Wat eten en drinken betreft, in het (vroegere) gebod van de onthouding van bepaalde spijzen (vlees) op bepaalde dagen. Wat het huwelijk betreft, in het verplichte celibaat van de priesters. In het algemeen: in allerlei voorschriften van onthouding, afsterving en zelfkastijding in het klooster, terwijl zulk een kloosterleven als de volmaaktheid van het christelijke leven werd voorgesteld.
Zoals u weet heb ik jarenlang (14 jaar) in het klooster vertoefd. Ik heb echter de waarheid ondervonden van wat Paulus schreef: „Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht" (Rom. 7:8). Ik wilde uitstijgen boven iedere binding aan het lichaam. Ik schaamde mij voor het genot bij eten en drinken. Voor mijn gevoel was de lichamelijke gemeenschap tussen man en vrouw een neerhalen van mijn hogere „ik", ondanks alle tegenovergestelde theorieën. Maar ik bemerkte dat mijn zucht naar lekker eten en drinken steeds sterker werd en dat ik steeds minder rein over een vrouw kon denken.
„Is dan het goede mij de dood geworden?" zo vraagt Paulus in Rom. 7:13. Zijn antwoord is volstrekt afwijzend, maar, zo betoogt hij dan, het afschuwelijke van de zonde in mij blijkt juist daarin dat ze de wet van God gebruikt om mij nog dieper te trekken in het slijk van de zonde.
En door die vertwijfeling ben ik dan ook heen moeten gaan in het klooster. Het celibaat dat mij tot de meest serene reinheid zou moeten voeren, prikkelde juist in mij de begeerte naar de vrouw: de voorschriften over onthouding van eten en drinken prikkelden juist mijn gulzigheid.
Paulus, de farizeeër, de ijveraar voor de voorvaderlijke overlevingen, de man van de wet, heeft dat ook aan den lijve ondervonden. En daarom roept hij aan het eind van dat ontroerende hoofdstuk 7 uit: „Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?" En het antwoord: „Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere".
En bij die dankzegging wil ik mij aansluiten. Het Evangelie heeft mij bevrijd. Het Woord van God en het gebed hebben mij geheiligd. Daardoor ben ik rein kunnen gaan denken. Daardoor nam de liefde Gods gestalte in mij. Daardoor alleen! (We weten dat we de volstrekte reinheid hier op aarde nooit bereiken. We gaan zingend én zuchtend door het leven, maar dus ook zingend).
T.o.v. de protestantse kloosters
Ik kreeg ter recensie toegezonden: „De regel van Taizé" door R. Schutz (ƒ6,50, 88 blz., uitg. Ten Have Baarn).
Er staan mooie dingen in, zoals we die ook vinden in elke r.-k. kloosterregel. Maar… waarom jezelf onder een door mensen gemaakte wet stellen? Is Rom. 7 dan nog niet duidelijk genoeg? Waarom jezelf nóg meer het brandmerk van de slaaf inbranden of laten inbranden?
Natuurlijk komen dan ook allerlei toevoegselen aan de Bijbel in die regel voor zoals de instelling van een biechtvader: „De biecht wordt afgenomen bij een en dezelfde broeder, die in overleg met de prior (kloosteroverste) wordt gekozen" (p. 4 9 ) . De instelling van een prior, aan wiens gezag allen zich moeten onderwerpen: „Laten zij opmerkzaam zijn waar het om zijn ambt gaat" (p. 6 1 ) . „Om niet in de hand te werken dat men elkaar met argumenten overtroeft, draagt de prior de verantwoording ten overstaan van zijn Heer om de beslissing te nemen, zonder aan een meerderheid gebonden te zijn" (p. 2 9 ) . Dat is dezelfde konstruktie als het gezag van de paus, die ook meent dat hij geen verantwoording hoeft af te leggen tegenover de bisschoppen, ook niet als die in concilie zijn bijeengekomen, ook niet wanneer die bisschoppen in grote meerderheid het niet met hem eens zijn. Over het celibaat: „Onkuisheid, zelfs in gedachten, laat psychische indrukken na die niet altijd meteen uitgewist worden door de biecht en door de kwijtschelding van de zonden" (p. 53).
T.o.v. onszelf, reformatorische christenen
1. Leven wij voldoende uit de dankbaarheid? Beseffen wij wel steeds dat de goederen van de schepping, wanneer wij die met dankzegging gebruiken, tot hun einddoel komen nl. de verheerlijking van God? Weten wij dat wij een dubbele dankbaarheid voor Gods goederen verschuldigd zijn: de dankbaarheid omdat ze gaven van God zijn, én de dankbaarheid omdat ze sinds de zondeval genadegaven van God zijn? Elke dag immers opnieuw verbeuren wij door onze zondigheid elk recht op Gods goedheid.
2. Leven wij voldoende uit de vrijheid die Christus voor ons met Zijn bloed verworven heeft? Of laten ook wij ons telkens weer een slavenjuk opleggen (Gal. 5 : 1 ) door de aanvaarding van allerlei buiten-bijbelse wetten en gewoonten, die onze vrijheid der kinderen Gods inperken? Leven we uit de Geest, die vrijheid is en vrijheid schenkt (2 Kor. 3:17)?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
