„Wandelt in de liefde"
(Efeze 5:2)
We gaan in dit nummer verder met de beantwoording van de vraag van de ouderling van de gereformeerde kerk van Dalfsen. Zie ons vorige nummer op p. 20. We toonden reeds aan dat de liefde tot God een eerste gevolg is van de vervulling met de Geest.
De waarachtige liefde is uit God
„Ieder die liefheeft, is uit God geboren" (1 Joh. 4:7).
„En Het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Mat. 22:39). Maar versta mij goed: het gaat hier om de liefde als vrucht van de Geest, dus niet als vrucht van onze prestatie, de liefde, niet als een slaafse gehoorzaamheid aan een gebod dat dreigend buiten en boven ons staat, maar als een wet die geschreven is in onze harten (Hebr. 10:16; Ter. 31:33).
Paulus heeft immers duidelijk aangetoond dat wij de liefde als gebod nooit kunnen volbrengen. Wij zouden dat slechts kunnen proberen vanuit onze dóór en dóór egoïstische en zondige natuur. We zouden slechts kunnen trachten lief te hebben uit angst voor de straf die God aan de overtreding van dat gebod heeft verbonden, of uit begeerte om er de hemel mee te verdienen en er dus zelf beter van te worden. Dat zou dus een liefde uit egoïsme zijn, maar een liefde die voortkomt uit zelfzucht en persoonlijke berekening, is geen liefde meer.
Wanneer de Geest Gods over ons komt en in ons gaat wonen, dan brengt Hij wél de waarachtige liefde in ons voort. En naar de mate dat wij vervuld worden met de Geest, naar die mate verdwijnt ook de angst in ons en gaan we ons steeds minder bekommeren om de vraag of ik wel eenmaal zalig zal worden: „Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn en die vreest, is niet volmaakt in de liefde" (1 Joh. 4:18).
Wij krijgen de volmaakte liefde in ons uitgestort door de Geest die ons gegeven is (Rom. 5 : 5 ) . Maar ik moet er onmiddellijk aan toevoegen: die volmaakte liefde Gods kan zich nooit volmaakt in ons uiten, omdat ze neerdaalt in een zondige natuur. Dat noemt Paulus „de oude mens" in ons. Dat is dat andere „ik" in ons dat zich tegen Gods wet blijft verzetten.
Liefde is het open venster van de ziel, de heenkeer naar de ander, de overgave aan God.
Maar wanneer wij vervuld worden door de Heilige Geest, dan vergeten we even die zondige natuur. Dan leven we ons helemaal in in de schoonheid van de liefde. Op dat moment leeft Christus in alle hevigheid in ons. Dan roepen we met Paulus uit: „Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij".
Haat tegen de zonde, zonder verdringing
Paulus weet echter ook van het „vlees", de zondige natuur in ons die we nooit helemaal kwijtraken. En hij voegt er dan ook aan toe: „En hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Ik doe de genade Gods niet teniet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven" (Gal. 2: 20-21).
Paulus bedoelt (naar ik meen) dit. Er zijn twee dingen in mij als wedergeboren mens. Allereerst het eigenlijke; dat is mijn leven in Christus en het leven van Christus in mij. Daardoor is de Heilige Geest, de liefde Gods, in mij. Dat is ook mijn eigenlijke ik: „… hetgeen ik haat, dat doe ik. En indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe dat zij goed is. Ik dan doe dat nu niet meer, maar de zonde die in mij woont" (Rom. 7: 15-17).
Dat tweede „ik", dat „vlees", dat zondige „ik", gaat heel mijn leven mee. Ik haat het, dat is waar. En die haat neemt toe naarmate ik heen groei naar en in Christus. (Die haat wordt echter geen verdringing, die neurose ten gevolge zou kunnen hebben, omdat die haat niet voortkomt uit mijzelf, uit mijn eigen wilsinspanning, maar uit de Geest die in mij woont en werkt en die mij steeds weer het beeld van Christus toont, de volle Zichzelf wegschenkende liefde van Christus).
Hebt u zich radikaal overgegeven?
Hoe is het mogelijk dat deze liefde in ons wordt gewekt door de Heilige Geest? Dat is alleen mogelijk, doordat wij sterven aan dat zondige „ik". Nogmaals, dat betekent niet dat we dat zondige „ik" kwijt raken. Dat blijft in ons, maar het is een tweede „ik" geworden. Met ons diepste, ons herboren „ik" dat één is in de Geest, één in Christus, zeggen we „ja" tegen Christus, „ja" tegen de liefde Gods, „ j a " tegen de leiding door de Heilige Geest. En met datzelfde herboren „ik" zeggen we tegelijkertijd „nee" tegen de zonde die nog in ons woont, „nee" tegen allerlei vormen van zelfzucht, tegen de haat, de verbittering, de jaloersheid, de achterdocht, de onreinheid, de bandeloosheid, de wereldse gezindheid, kortom: „nee" tegen het „vlees".
De Bijbel zegt beslist niet dat wij slechts aan God kunnen behagen, wanneer wij volmaakt zijn en er geen zondige roerselen meer in ons naar boven komen. Nee, voortdurend wordt daarin verkondigd dat wij uit genade moeten leven. „Wee mij want ik ben onrein!".
Maar die Bijbel stelt ons wél de vraag: Wat is uw diepste „ik"? Bent u werkelijk wedergeboren? Is het waar dat Christus met Zijn liefde in u woont? Hebt u een haat tegen het zondige „ik" in u of koestert u dat?
Vele christenen die regelmatig in de kerk komen en zeker als ze regelmatig de Bijbel lezen, zullen een bepaalde weerzin tegen de zonde hebben, maar die vage weerzin kan toch ook gemakkelijk samengaan met een compromis. Ze hebben het op een akkoordje gegooid. Ze zijn niet helemaal van de wereld, maar ook niet helemaal van Christus. Ze willen wel wat geven en wat doen voor Gods Koninkrijk, maar precies in de mate die ze zelf hebben vastgelegd. Ze hebben zich nooit onvoorwaardelijk aan Christus overgegeven .En daarom gaat er geen kracht van hen uit. Het zijn gezeten burgers in Gods Koninkrijk, die zich dan ook heel burgerlijk gedragen en daarom een aanstoot zijn voor de niet-christenen.
„Ik zal u uitspuwen"
Bovendien leven ze in een gevaarlijke situatie. Ze glijden gemakkelijk af tot de toestand van de geestelijke lauwheid, waarvan Christus heeft gezegd: „Ik weet uw werken dat gij noch koud zijt noch heet; och, of gij koud waart of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen" (Openb. 3: 15-16).
Moest niet iedere christen opschrikken van dat woord? Het is dus mogelijk dat wij Christus belijden zoals ook de gemeenteleden van Laodicea dat deden, en dat Christus toch van ons walgt vanwege onze lauwheid en ons zou willen uitspuwen.
In zulk een toestand van lauwheid kan een mens overigens alleen maar leven, wanneer hij maar weinig besef heeft van de heiligheid Gods. Wie God werkelijk door het Woord heen heeft gezien, kan alleen maar sidderen voor Hem of juichen in de vergeving der zonden. Anders maken we bovendien het kruis tot een bespotting. Je kunt niet genoeglijk met elkaar zitten te bakkeleien onder dat kruis, waarlangs het bloed van Gods Zoon naar beneden druipt. Je kunt tegenover dat kruis niet in een compromis-houding gaan staan, in deze geest: „Ik wil wel graag van die eeuwige dood verlost worden. Daarom geloof ik in de Gekruisigde. Maar het moet me niet al te veel kosten. Ik wens mij niet onvoorwaardelijk aan die Gekruisigde over te geven. Ik wil nog zoveel mogelijk van het walletje van de wereld eten en tegelijk van de Tafel des Heeren, waar ik Zijn bittere dood herdenk en verkondig".
De wortel van de liefde is de ootmoed
„De vrucht van de Geest is liefde …". De liefde bloeit ook op uit een verbroken hart. Dan laten we onze pretenties varen.
De hoogmoed, de zelfvoldaanheid, is de oorzaak van alle twisten en ruzies. Hoevelen doorleven wat ze belijden? Wij belijden dat wij begenadigde misdadigers zijn. We belijden dat we de eeuwige dood hadden verdiend, maar gratie hebben gekregen. Aan hoeveel christenen merk je dat ze weten dat ze veroordeeld waren tot de strop, ja erger: tot de hel en dat ze om niet de vrijspraak hebben gekregen, doordat Christus die straf in hun plaats droeg en de schuld wegnam?
Ik bedoel niet dat wij dus met sombere gezichten moeten rondlopen; juist niet! Begenadigde mensen kunnen alleen maar ontzettend blij en dankbaar zijn. Maar het is een bepaald soort blijheid. Het is evangelische vreugde, die heel wat anders is dan de vrolijkheid van de wereldse mens.
De evangelische vreugde maakt ons ootmoedig. Daardoor worden we vanzelf ook vol van barmhartigheid, vol van zichzelfvergetende en opofferende liefde voor de medemens die in nood verkeert, dicht bij of ver af.
„De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid" (Gal. 5:22).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
