DE GEEST OVERTUIGT VAN ZONDE
Het zien van Gods wet als uitdrukking van Zijn almachtige wil kan alleen maar in ons bewerkt worden door de Heilige Geest. Hij alleen kan onze blinde ogen openen. „Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh. 3:3).
Ook de duivel overtuigt van zonde… maar op een heel andere manier. De duivel heeft tot doel ons tot wanhoop te brengen en tot opstand. Hij jaagt ons op tot beschuldiging van God. Hij probeert ons te suggereren, dat het allemaal aan God ligt. Wij willen wel goed, maar God heeft ons zo slecht gemaakt da twe wel zondigen móeten. Satan brengt ons tot zelfbeklag, tot zwaarmoedigheid, somberheid, medelijden met onszelf.
Judas is een duidelijk voorbeeld daarvan. We lezen dat Judas berouw kreeg; misschien zouden we beter het woord „wroeging" in dit verband kunnen gebruiken. „Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed" (Mat. 27: 3-4).
Natuurlijk gaat die werking van de satan niet buiten God om. God heeft alles in handen; ook het wroeten van de demonische machten ontglipt niet aan Zijn wereldbestuur.
We lezen zelfs dat Gods gezalfden iemand kunnen „overgeven aan de satan, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren" (1 Tim. 1:20). En elders: „Doch ik … heb alreeds besloten in de Naam van onze Heere Jezus Christus … met de kracht van onze Heere Jezus Christus dezulke over te geven aan de satan tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden moge worden in de dag van de Heere Jezus" (1 Kor. 5: 3-5).
(In veel kerken is deze profetische instelling bijna geheel verdwenen. In plaats van een dwaalleraar die na herhaalde vermaning zich niet wil bekeren, in de Naam van Christus over te geven aan de satan, opdat zijn ziel moge behouden worden, blijven wij eindeloos praten en liefdoen en worden zo mede oorzaak dat deze dwaalleraar zich verhardt en verblindt en 'voor eeuwig verloren gaat).
De Geest verbreekt om te helen
Maar het doel van de Heilige Geest is steeds ons te verbreken om ons te helen, ons tot wanhoop te brengen, opdat we onze hoop alleen gaan vestigen op Jezus Christus. Die Geest zal mij overtuigen van zonde, omdat ik niet in Christus geloofd heb. (Joh. 16:9). Dat is de kern van mijn zondigheid. Niet dat ik allerlei geboden van God heb overtreden, maar dat ik de Gezondene des Vaders niet wilde aanvaarden. Dat is het meest verpletterende van het zondebesef, wanneer ik zie dat ik die uitgestoken Hand van God zo lang heb teruggestoten en aldus de liefde en de barmhartigheid Gods in Zijn Eniggeboren Zoon versmaad heb.
Die Geest overtuigt mij echter ook „van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is" (Joh. 16:11). De Geest laat mij dan het oordeel zien dat God heeft uitgesproken over de satan vanwege diens opstand tegen de Heere. In de satan zie ik dan mijzelf, mijn eigen revolutie. Ik zie hoe ik één was met de satan, zonder het zelf te beseffen. Ik zie dan hoezeer ook ik de eeuwige dood heb verdiend net zoals de duivel.
Maar die Geest overtuigt mij ook van de gerechtigheid, die er is in Christus, „omdat ik heenga tot de Vader" (vs. 10). De opstanding en de hemelvaart van Christus, Zijn heengaan naar de Vader, is het bewijs dat God recht doet aan Christus en aan allen die in Hem geloven. „Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is" (Fil. 2:9).
Zilt en zoet tegelijk
De Geest verwondt onze ziel met het tweesnijdende zwaard van het Woord (Hebr. 4:12), maar schenkt tegelijk de balsem van het heil. Hij wijst ons op de satan, wiens oordeel ook wij hadden verdiend, maar ook op Christus die het oordeel voor ons heeft gedragen. Hij wijst ons op onze ongerechtigheid, waardoor Gods vloek op ons ligt, maar ook op de gerechtigheid van Christus die ons om niet wordt toegerekend, wanneer wij ons in gelovig vertrouwen aan deze Zaligmaker en Middelaar overgeven.
De tranen van het berouw dat door de Geest wordt verwerkt, zijn zilt en zoet tegelijk. Eindelijk wordt dan onze opstand gebroken en schreien we onszelf uit voor Gods aangezicht. En terwijl we dat doen, voelen we al de vergevende armen van de Vader om ons heengeslagen.
Zulk een berouw kan een hartstochtelijk snikken worden om ons vergooide, kapotte leven, om onze klein-burgerlijke en geniepige zelfzucht, om onze onwaarachtigheid en veinzerij, om onze voosheid en holheid. Je huilt jezelf dan helemaal uit aan de voeten van zulk een barmhartige en geduldige Vader.
Zoiets kán, maar wij mogen zulk een berouw, ik bedoel: de intensiteit van zulk een berouw, niet als een voorwaarde voor de genade gaan stellen. Maar wel dacht ik dat de groei in het geestelijk leven steeds gepaard gaat met een dieper zondebesef. Immers naar de mate dat je dichter tot de Heilige God nadert, zie je ook meer je eigen onheiligheid. Tegenover Zijn licht steekt je eigen duisternis des te feller af. Tegenover Zijn barmhartige liefde die zelfs Zijn eigen Zoon voor mij gaf tot in de dood van het kruis, staat dan des te rauwer de schreeuw van mijn eigen zelfzucht.
Maar ook de zekerheid van de genade wordt dan des te vaster. „Want wij hebben niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming door Wie wij roepen: Abba, Vader! Deze Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen; erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus" (Rom. 8: 15-17).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
