BLUST DE GEEST NIET UIT
1 Thess. 5:19
In de week voor pinksteren las ik in de kerkbladen van verschillende kerkverbanden beschouwingen over het pinksterfeest. Het viel mij ook dit jaar op, dat heel wat scribenten dan hun best doen om aan te tonen, dat wij geen pinksterervaring meer nodig hebben. Wij hebben de Bijbel, zo betogen ze dan, en dat moet ons genoeg zijn. De uitstorting van de Geest op de pinksterdag was bedoeld om de apostelen te bekwamen het Woord juist te brengen. Dat Woord is op schrift gesteld. Dat is de stolling geweest van het door de apostelen gepredikte woord. De schrift is het einde van de werking van de Geest. Alle Geestesuitingen van de jonge kerk waren slechts bedoeld om de Schrift te doen geboren worden.
Waarom dat niet duidelijk in de Schrift?
Ik zou meteen bereid zijn deze theorie te aanvaarden, wanneer ze door de Schrift zelf geleerd werd. Immers wanneer de Schrift het einde is van de Geestesuitingen, dan mogen we toch verwachten dat de Geest ervoor gezorgd zou hebben dat zulk een belangrijk gegeven dan ook in die Schrift zou zijn vermeld.
Maar eerlijk, ik kan zulk een tekst of iets wat erop lijkt, niet vinden. Ik heb in ons blad vaak tegenover de r.-k. kerk geargumenteerd: „Wanneer het de bedoeling van de Geest was, dat aan de pausen de onfeilbare verklaring van de Schrift zou worden toevertrouwd, dan mogen we toch verwachten dat zulk een beslissend beginsel duidelijk in de Schrift zou worden vermeld. Je kunt toch moeilijk aannemen dat de Heilige Geest vergeten heeft dat te vermelden of dat het Hem onverschillig zou zijn".
Ik meen dat deze argumentatie steekhoudend is. Maar precies hetzelfde moet ik ook zeggen tegen hen die beweren dat alle Geestesuitingen zoals we die aantreffen in de jonge gemeente, krachtens het heilsplan Gods zouden ophouden, toen de Schrift eenmaal tot stand was gekomen.
Hij onthoofdde één van zijn 17 vrouwen
Ik heb de indruk dat deze broeders-scribenten zich te veel laten leiden door de zorg over excessen, die ze bij sommige pinksterkringen bemerken. Maar zijn er ook niet excessen in de gereformeerde gezindte? .En evengoed als het onjuist is, wanneer iemand de gehele gereformeerde gezindte zou beoordelen (en veroordelen) vanuit die excessen, evenzeer is het van onze kant onjuist, wanneer wij alle pinkstergemeenten over één kam scheren en hen allen beoordelen (en veroordelen) vanuit de excessen die daar in sommige kringen voorkomen.
Soms denk ik dat dit nog een nawerking is van de verschrikkelijke gebeurtenissen rondom de doperse beweging, die leidden tot de ondergang in Munster. Prof. dr. G. P. van Itterzon schrijft hierover in „Geschiedenis der kerk", deel III: „Jan Beukelszoon die in Leiden kleermaker was geweest, voerde nu in Munster de veelwijverij in, hield er zelf zeventien vrouwen op na, waarvan hij er een eigenhandig heeft onthoofd en waarbij de andere vrouwen, in een kring erom heen staande, zongen: Aan de hoge God alleen zij de eer!
De wreedaard liet zich tot „koning van Zion" kronen, maar heeft van zijn waardigheid zeer kort genoten. In 1535 viel de stad in handen van de vijand; zeer velen werden gedood; Jan van Leiden werd op ijselijke wijze gedood. Zijn lijk werd in ijzeren kooien in de toren van de St. Lambertuskerk in Munster opgehangen" (p. 223).
Een kollektief trauma?
Het is te begrijpen dat deze tragedie (en deze misdaad) een diepe indruk heeft gemaakt in die tijd. De rooms-katholieken triomfeerden: „Zie je wel, daartoe leidt het beginsel van het Sola Scriptura — de Schrift alleen. Dan heeft de eerste de beste zonderling het recht om als ketter met zijn letter er vandoor te gaan. Ieder mag dan de vreemdste theorieën verkondigen. Leve daarom het onfeilbaar leergezag van de paus!"
En veel christenen van de Reformatie zullen geen antwoord hebben geweten op die uitdagende vraag van de r.-k. kerk. Dat triomfantelijke roomse: „Zie je nu w e l ! " is als een verwonding (trauma) in hun zielen gezonken en heeft als een kollektief trauma zijn negatieve invloed uitgeoefend tot in onze tijd toe.
Men is gaan zeggen: „Dat nooit meer!" Men is zo bang geworden voor alles wat op Geestesuiting lijkt, dat men het zo radikaal mogelijk uit de kerken gebannen heeft.
Gelukkig hebben de broeders van de Nadere Reformatie opnieuw gewezen op het werk van de Heilige Geest in de harten. Zij hebben vanuit de Schrift aangetoond dat geloof en bekering geen objektieve (voorwerpelijke) grootheden zijn. Ze hebben betoogd dat die als een zegen van boven in de ziel neerdalen en daar ervaren, bevonden worden. Zeker, die bevinding ontspruit aan de Schrift en wordt erdoor genormeerd. Zo leerden althans de broeders van de Nadere Reformatie.
Maar helaas kwam ook hier weer de ontsporing en in sommige kringen werd zozeer de nadruk op de bevinding gelegd dat ze een zelfstandig leven begon te leiden, los van de Schrift. Men ging allerlei regels en regeltjes opstellen over wegen en weggetjes van bekering, die niet uit de Schrift waren gepuurd, maar uit allerlei bekeringsverhalen van „groten in het Koninkrijk Gods" of althans van hen die als zodanig beschouwd werden.
Vlucht in de objektiviteit
Op dergelijke ziekelijke uitwassen moest natuurlijk weer een reaktie komen. Het kollektieve trauma van de Reformatie begon opnieuw te werken met daarachter de triomfantelijk opgeheven roomse vinger: „Zie je wel!"
Door sommigen werd nu niet slechts de ziekelijke, maar ook de echte bijbelse bevinding afgewezen. Men vluchtte in de loutere objektiviteit (voorwerpelijkheid) van de Schrift. Van een predikant van zulk een richting werd verwacht dat hij liefst zo zakelijk mogelijk de Schrift zou verklaren in de zondagse diensten. Elke persoonlijke doorleving van het Woord moest hij uitzuiveren. De kerkgangers werden de hemel binnengepraat, louter op grond van objektieve gegevens zoals het Verbond en de Doop. Elke bekommering, elke onrust over de eigen staat van de ziel, werd weggewuifd met een verwijzing naar die objektieve grootheden. Wanneer iemand overweldigd werd door de heerlijkheid van Christus en door de kracht van de Geest en hij wilde daaraan uiting geven, dan werd dat meteen verdacht gemaakt: ziekelijke bevinding!
Triomf van de duivel
De uitspattingen van de wederdopers van Munster, die zich niet op de Schrift beriepen, maar op hun „inwendige licht" dat ze van de Heilige Geest zouden hebben ontvangen, en vervolgens de ziekelijke uitwassen van hen die een bevinding predikten, los van de Schrift, zijn een triomf geweest (en zijn het nog) van de duivel. Hij heeft vele christenen ertoe gebracht om menselijke zekerheden te gaan inbouwen in de gemeente van Christus. Ze zijn ertoe gekomen om niet in theorie, maar wel in de praktijk het Sola Scriptura van de Reformatie te verlaten.
Ik kan me namelijk niet voorstellen dat — ik heb daar al eens meer op gewezen — wij een advies van Paulus: „IJvert om de geestelijke gaven, maar meest dat gij moogt profeteren" (1 Kor. 14:1) mogen omkeren in het tegendeel: „Wees op uw hoede voor de geestelijke gaven en streef er niet naar om ze te ontvangen en bidt er ook niet om. Bidt liever dat u zulke geestesgaven als waarover Paulus schrijft in 1 Kor. 12 en 14 bespaard blijven, want ze zijn uitermate gevaarlijk voor onze tijd".
Wij nemen de continuïteit, de eenheid van Oude en Nieuwe Testament aan. Hoe kunnen we dan zulk een diepgaand verschil, zulk een discontinuïteit, aannemen tussen de beginperiode van het christendom en nu, dat een uitdrukkelijk uitgesproken positief advies voor onze tijd veranderd zou zijn in een even nadrukkelijk negatief advies?
Het Oude Testament wijst heen naar het Nieuwe als naar de periode van de volheid, omdat Christus dan zal zijn gekomen die Zijn Geest blijvend zal uitstorten op de gemeente. Petrus wijst er juist op dat de profetie van Joël vanaf de pinksterdag in vervulling is gegaan: „Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees… en zij zullen profeteren" (Hand. 2:17-18).
Nergens vind ik in het Oude Testament een heenwijzing naar onze tijd als naar de periode dat dan de boeken van de Bijbel compleet zullen zijn.
Ik zou deze broeders die zich zozeer keren tegen elke Geestesuiting in onze tijd, willen vragen: Hebt u nooit de mogelijkheid overwogen dat u aldus de Geest uitblust? U laadt een zware verantwoordelijkheid op u, wanneer u in zulk een ernstige zaak tegen de Schrift zou ingaan. Moogt u zo maar op grond van uw menselijke redeneringen de uitingen van de Heilige Geest belemmeren? Nogmaals, wanneer u werkelijk overtuigd bent dat de Schrift ons oplegt om niet meer te streven naar of te bidden om de Geestesgaven, dan moet u dat ook zo verkondigen. Maar hebt u dat misschien te gemakkelijk aangenomen op grond van de gangbare opvattingen in de kerk, waartoe u behoort?
Ondanks drie jaar en veertig dagen onderricht van Christus
Om ons heen sterven miljoenen mensen zonder ooit het Evangelie te hebben gehoord, althans niet in een persoonlijk gesprek met een gelovige. Wij geloven dat zij die geweigerd hebben Christus te aanvaarden, voor eeuwig verloren gaan. Wij mogen daarin niet berusten vanuit een oppervlakkige, strak logische uitverkiezingsleer. Want Paulus die zelf zo helder de uitverkiezing preekte, stelt toch deze vragen: „Hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden zijn?" (Rom. 10:14-15).
Ieder van ons heeft de zending om het Evangelie te verkondigen aan hen die Christus nog niet kennen. Dat is niet een taak die we mogen afschuiven op de dominee of op de evangelisatie-commissie. Maar hoe zullen wij de kracht krijgen om van Christus te getuigen zonder die bijzondere vervulling met de Geest van pinksteren? Krijgen we die kracht enkel vanwege goed Bijbelonderricht? Maar we lezen dat de Heere veertig dagen lang zijn discipelen gesproken heeft over „de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan" (Hand. 1:3)
Dat deed Hij als opgestane Heiland, nadat Hij hen eerst drie jaar Bijbelonderricht had gegeven.
Daar kan geen professor of docent aan een Bijbelschool tegen op. Stel je voor: dagelijks Bijbelonderricht van Christus Zelf, zodat je Hem rechtstreeks iets kunt vragen, wanneer je het niet begrepen hebt.
En tóch ging er van hen niets uit. Zelfs een week na de opstanding, terwijl de Heere hen toch al op de eerste paasdag verschenen was, zitten ze nog met gesloten deuren uit angst voor de Joden (Joh. 20:19, 26).
De Heere zegt hen dan ook dat ze die kracht pas zullen ontvangen nadat de Heilige Geest over hen is gekomen. Zouden wij dan echte getuigen van Christus kunnen zijn, enkel op grond van het goede Bijbelonderricht dat we hebben gekregen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
