Het unieke van Pinksteren
Vaak heb ik de indruk dat velen het unieke van het pinksterfeest uit het oog verliezen. Zij zien niet het grote verschil met de andere heilsfeiten.
De rots van ons behoud buiten ons
Bij Goede Vrijdag, Pasen en Hemelvaart staan de schijnwerpers van de Openbaring Gods gericht op Jezus Christus. Op de pinksterdag is de Heilige Geest de handelende Persoon. Uitvoerig wordt dan verteld, hoe Hij neerdaalde uit de hemel en de discipelen vervult en wat daarvan het gevolg was.
De heilsweldaden van Christus blijven buiten ons. Ze worden ons toegerekend. En juist omdat ze buiten ons blijven, zijn ze ons vaste rustpunt. Het kruis van Christus blijft eeuwig staan en behoudt zijn geldigheid voor de hemelse Vader, ondanks onze voortdurende zonden. Als ons geweten ons aanklaagt, mogen we toch altijd zien naar dat kruis, naar het sterven van Christus waardoor wij met God verzoend zijn eens en voor altijd.
We kunnen vermoeid zijn van de strijd en moedeloos door nederlagen. Maar Christus is opgestaan uit de doden en Hij is opgevaren ten hemel, ook voor ons. Hij is de Eersteling en wij zullen volgen. Die zekerheid is niet gebaseerd op iets in ons, op een of andere bevinding, maar die zekerheid ligt vast in iets buiten ons, in Iemand buiten ons, in Jezus Christus, in wat Hij in onze plaats gedaan heeft.
Maar de Heilige Geest is in ons
We lezen daarom in de Bijbel dat wij mede gekruisigd zijn met Christus, mede opgestaan met Hem en dat we mede met Hem een plaats hebben in de hemelse gewesten (zie o.a. Ef. 2).
Maar nergens lezen we dat we mede nedergedaald zijn met de Heilige Geest. De overige heilsweldaden worden ons van buiten af toegerekend, maar pinksteren moet zich voltrekken in en aan ons. De nederdaling van de Heilige Geest wordt ons niet toegerekend. De Heilige Geest heeft niets voor ons verdiend. Dat heeft Christus alleen gedaan als Middelaar. Maar de Heilige Geest deelt uit wat Christus voor ons verdiend heeft. Zo verheerlijkt Hij Christus.
Pinksteren is de bekroning en de bezegeling van het werk van Christus. Johannes de Doper had het gezegd: Hij die na mij komt, zal dopen met de Geest (letterlijk staat er: in de Geest). En de Heere heeft daar nog op gewezen vlak voor Zijn hemelvaart. Zie Hand. 1:5.
Ook daaruit blijkt weer het geheel andere van het pinksterfeest. Dan doet Christus iets aan ons. Hij doopt ons in de Geest. Dan zendt Hij Zijn Geest naar ons toe.
Pinksteren een luisterrijk begin
Een derde verschil tussen het heilsfeit van pinksteren en de andere heilsfeiten bestaat daarin dat het sterven, de opstanding en de hemelvaart van Christus eens en voor goed (ephapax) zijn geschied en zich op geen enkele wijze meer herhalen. Het offer van Christus aan het kruis behoudt zijn eeuwige geldigheid en hoeft niet door de (r.-k.) kerk opnieuw te worden opgedragen aan God, omdat wij anders niet aan de vruchten van dat offer zouden kunnen deelhebben. Vooral de brief aan de Hebreeën legt daar telkens de nadruk op: Christus heeft eens en voor altijd Zijn offerande voor onze verzoening met God gebracht.
Maar dat woordje „ephapax" wordt niet in verband gebracht met de vervulling met de Heilige Geest.
Wel is pinksteren in zoverre niet meer herhaald dat die uitstorting van de Geest gepaard ging met het talenwonder, waardoor mensen uit al die verschillende volken de apostelen hoorden spreken eenieder in zijn eigen taal.
Pinksteren is dus het grote, solemnele begin. Toen heeft God openlijk waar gemaakt dat Christus inderdaad, in tegenstelling met Johannes de Doper, de Doper is in de Geest.
Maar dat begin moet doorgaan. Dat zien we duidelijk bij Cornelius. Petrus verdedigt zichzelf juist met het feit dat de Heilige Geest op Cornelius en de zijnen viel op precies dezelfde wijze als op de apostelen bij de pinksterdag.
Bovendien lezen we in Hand. 2:4: „En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest". Maar datzelfde lezen we in Hand. 4:31 en daar waren ook Petrus en Johannes aanwezig, die toch ook reeds op de pinksterdag met de Heilige Geest vervuld waren.
Pinksteren is dus het grote, luisterrijke begin van de vervulling met de Heilige Geest, die sindsdien bestemd is voor allen die geloven in de belofte: „En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (Hand. 2:38).
Pinksteren heeft de gemeente van Christus gemaakt tot een energieke en dynamische gemeenschap „energoon dunameis" - „Die u de Geest verleent en krachten onder u werkt" (Gal. 3:5). Daarom vergelijkt Paulus de gemeente wel met een gebouw, maar een gebouw dat groeit: Het „wast op tot een heilige tempel in de Heere, op welke ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest" (Ef. 2: 21-22). Een kerk waar alles z'n slappe, traditionele sleurgang gaat, beantwoordt dus niet aan de hoogheid, waartoe Christus Zijn gemeente bestemd heeft.
Een steen valt in de vijver
Wij kunnen wel zeggen dat de gemeente van Christus, althans in haar Nieuw- Testamentische vorm, ontstaan is op de pinksterdag. Maar dan mogen we daar beslist niet mee bedoelen dat de gemeente van Christus toen „geïnstitueerd" werd.
Pinksteren heeft niets weg van een notariële akte of van een plechtige ceremonie zoals ook bij ons plaats heeft, wanneer een kerkgebouw in gebruik wordt genomen. Pinksteren is beweging. Christus vergelijkt de Geest met de wind.
Misschien kunnen we de vergelijking maken met een steen die in een vijver valt. Dan ontstaan ringen van golven daaromheen die zich voortplanten naar de rand van die vijver.
Zo lezen we ook meerdere keren dat de Heilige Geest op iemand valt. Petrus zegt dat op de pinksterdag de Geest werd uitgestort.
Sindsdien is het golven van de Geest begonnen en plant zich voort naar het einde der tijden. Er is alleen dit verschil: de golvende ringen rondom de plek waar de steen in de vijver viel, worden steeds zwakker naarmate die ringen verder van de plek verwijderd zijn en de rand van de vijver naderen. Maar dat is niet het geval met de Heilige Geest. Zijn golven blijft krachtig en vermindert niet naarmate het einde der tijden nadert.
Wanneer wij van dat golven minder bespeuren, dan ligt dat dus niet daaraan dat de kracht van de Geest langzamerhand uitgeput zou raken. Dan kan dat liggen aan ander oorzaken bijvoorbeeld: omdat de Heilige Geest dat soeverein zo beschikt; of omdat wij te weinig geloof hebben in de belofte des Geestes.
De belofte van pinksteren ook voor ons
Dat golven van de Geest door de eeuwen heen kunnen wij in meerdere of in mindere mate opvangen naar de mate van het geloof dat de Heere in ons bewerkt, naar de mate dat wij gehoor geven aan de oproep om volstrekt te vertrouwen in Gods belofte die ons bij de Doop verzegeld wordt nl. dat wij niet slechts de vergeving der zonden, maar ook de gave van de Heilige Geest zullen ontvangen zoals die op de pinksterdag is uitgestort. We zullen de verzen Hand. 2: 38-39 zó moeten verstaan. Petrus heeft immers eerst gewezen op de vervulling van de belofte van Joël op de pinksterdag en wanneer hij dan aan het slot spreekt over de belofte: „Gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen", dan zullen we dat, gezien de kontekst, moeten verklaren als de belofte dat ook aan ons op dezelfde wijze de Geest zal geschonken worden, wanneer wij in die belofte geloven.
We zeiden reeds: Ook Petrus verdedigt zo het feit dat hij aan Cornelius en de zijnen de Doop heeft bediend: „Kan ook iemand het water weren dat dezen niet gedoopt zouden worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?" (Hand. 10:47). Zie ook 11:16-17.
Meegenomen in en door de Geest
Dat golven van de Geest heb ik ook zelf mogen ervaren. Zoals ik al schreef, is dat in mij gegroeid door het luisteren naar Gods Woord. Daar zag ik de Heilige Geest bezig. Daar leerde ik Hem kennen in Zijn heilige werkzaamheid. Hij trad mij tegemoet, niet rechtstreeks, maar steeds door het Woord. Hij bracht de diepe Godsverbinding tot stand in mij. Hij deed Christus leven in mii. Hoezeer ik Hem ook als een persoon in mij ervoer, toch wees Hij altijd van Zich af naar Christus en in Hem naar de Vader. Hij is de juichkreet om het heil van Christus in mij. Door Hem klopt het leven Gods in mij. Door en in Hem heb ik de volstrekte zekerheid dat God mij genadig is. Hij is als het spreken Gods in mij. Hij aanbidt God in mij. Zijn verzuchtingen zijn inderdaad onuitsprekelijk (Rom. 8:26). Je kunt ze meevoelen, meezingen, méér niet. Maar juist daarom is deze ervaring zo geweldig. Juist die woordeloze eenheid is veel dieper dan de eenheid door woorden. Er is een innerlijk wederzijds begrijpen. Ik voel mij opgenomen in de Heilige Geest en door Hem ben ik in Christus en door de eenheid in Christus ben ik in de Vader. Nogmaals, die eenheid met en in de Heilige Geest is anders dan de eenheid in Christus. De eenheid met Christus is rechtstreeks. Ik spreek met Christus, niet met de Heilige Geest. Ik wordt gedreven door de Heilige Geest naar Christus. Hij wiegt mij op Zijn stroom. Ik wordt gedragen op Zijn golven.
In de eeuwige sferen
„En dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt" (Joh.17:3). Inderdaad, dit kennen van God door De Heilige Geest en in Christus heft je enigszins buiten de tijd uit. Je vertoeft in de sferen van de eeuwigheid, waar God woont. Je ervaart dan de Heilige Geest als „onderpand van onze erfenis". Zijn aanwezigheid betekent dan een verzegeling, dat je die erfenis eenmaal deelachtig zult worden (Ef. 1: 13-14).
Door die Geest word ik nu reeds enigszins meegetrokken naar de diepten Gods, „want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods" (1 Kor. 2 : 10). „En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het), dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden die het een mens niet geoorloofd is te spreken". „En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen" ( 2 Kor. 12: 3-4, 7 ).
Dat opgetrokken worden uit jezelf is de overweldigende heerlijkheid, die de Heere aan Paulus in grote mate heeft geschonken en die hij ook aan ons niet wil onthouden, zij het in mindere mate. Dat opgetrokken worden geschiedt door de Geest Gods.
„Want wij weten dat … wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. Want ook hierin zuchten wij verlangende met onze woonstede die uit de hemel is, overkleed te worden … opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. Die ons nu hiertoe bereid heeft, is God die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft" (2 Kor. 5:1-5).
De toekomst zingt in ons
Het is dan alsof die eeuwige toekomst reeds in ons zingt, reeds in ons is neergedaald. Dat is het onderpand des Geestes. (Het Griekse woord „onderpand" betekent hier: je krijgt reeds een gedeelte als een verzekering van de volle som die je straks krijgt. Het heeft niet de betekenis van een pand geven b.v. een gouden horloge om geld te lenen, waarbij je dan straks dat horloge weer terugkrijgt als je het geld terugbetaalt).
De heerlijkheid die ons straks wacht, is niet totaal anders dan de heerlijkheid die nu reeds ons deel is door het geloof. Ze ligt in het verlengde daarvan. Ze is er het openbloeien van. Het geloof gaat dan over in aanschouwen. Maar dat zal gebeuren door diezelfde Geest, die ik nu reeds in mij ervaren mag.
En het is eenzelfde soort aanbidding die ik dan èn nu reeds aan de Heere breng. Wanneer ik in de Openbaring lees van de lofzangen die opgezonden worden naar Hem die op de troon gezeten is en naar het Lam dat voor ons is geslacht, dan voel ik mij nu reeds opgenomen in dat koor van de verlosten der eeuwen, in die hulde van de vierentwintig oudsten en van de vier dieren. Dan heb ook ik „geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, die was en die is en die komen zal" (Openb. 4:8). Dan brandt datzelfde lied in mij en wil uitbreken om zich te voegen bij deze zuivere aanbidders voor de troon van God en van het Lam. Dat visioen van Johannes werkt dan als een magneet dat de aanbiddingen van al Gods kinderen op aarde, ook die van mij, naar omhoog trekt. Dat gebeurt door de Heilige Geest die alles overziet. Hij is de grote Dirigent van het koor dat de Vader in de Zoon verheerlijkt.
De Dirigent van het koor van de verlosten der eeuwen
Het is zulk een wonderbare ervaring te mogen weten dat je staat onder die grote Dirigent en dat je door Hem in gemeenschap wordt gebracht met al de heiligen der eeuwen, met de vele gelovigen die in de eenheid met het lijden van Christus altijd weer hun harten omhoog hebben geheven, die op de Heere zijn blijven vertrouwen door hun tranen heen, die zich in diepe ootmoed voor Hem bevonden, doordrongen van hun onwaardigheid en zondigheid, en tegelijk vol dankbare verwondering om de genade die zij mochten aanvaarden. Zij hebben de fluisteringen van de Boze in zich gehoord: „Gij zult als God wezen" (Gen. 3:5). Ze hebben er zich over bedroefd dat die engel des satans nog steeds kontakt met hen kan krijgen om hen met vuisten te slaan. Maar ze hebben hem steeds in de kracht des Geestes vol verontwaardiging afgewezen. Altijd weer bogen ze zich neer en uit hun harten borrelde steeds opnieuw de bede naar boven, onweerstaanbaar: Aan U, o God, alleen zij de eer!
Onuitsprekelijke heerlijkheid
De lezer zal wellicht gevoeld hebben en het er in elk geval mee eens zijn, dat het hier gaat om in wezen onuitsprekelijke dingen. Dat is de overweldigende rijkdom van het geloof in Christus. „Hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Rom. 8:32).
Paulus zegt daarvan: „Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben; doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest" (1 Kor. 2:9-10).
„Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam, zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid" (Openb. 5:13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
