ZACHT moedigheid
Betreft: inhoud januarinummer blz. 15, „Zachtmoedigheid"
Bij herlezen en overdenken is het mij opgevallen dat bij monde of geschrift van J . W. H. M. BRUNKLAUS, het woord „ZACHTMOEDIGHEID" herleid wordt to „zacht-van-gemoed" („gemoedelijk"?). Is niet „zacht-van-gemoed" een kwestie van innerlijke vorming door menselijke factoren als :
1e opvoedingswijze;
2e omgeving en omstandigheden;
3e geaardheid?
Om de kern van wet-en-evangelie, de verhouding tussen God-en-mensen óf de verhouding tussen mensen onderling, terug te brengen tot een soort „zachte gemoedelijkheid" lijkt mij op Bijbelse gronden (Sola scriptura!) bepaald onjuist.
Zou niet dat woord een directe samenvoeging zijn van zacht en moedig? Waarbij „zacht" niet op het geweldloze en „moedig" gewoon op „moed" om ondanks alles dóór te gaan?
1. Jezus' houding: „Indien Ik Mijn Vader bidden zou, zo zal Hij Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten". Evenwel zegt Hij tot Petrus: „Steek uw zwaard in uw schede, want allen… enz. enz.
Voor de raad: „doch Hij antwoordde hun niet één woord". „Indien Ik kwaad gesproken heb, zo betuig van het kwade en zo niet waarom slaat gij Mij?"
2. De discipelen tegenover hun vervolgers. De uitstorting des Heiligen Geestes heeft de discipelen moedig gemaakt (zie Handelingen 4 vers 18 en 19 tot 29, 30 en 31. Ook Handelingen 5 vers 40 tot 42).
3. Maar óók ondanks Christus' eigen woorden: „Leert van Mij dat Ik „zachtmoedig" ben". „De ijver van Uw huis heeft Mij verslonden!" „De ijver is hard als het graf" en „de liefde is sterker als de dood".
4. Paulus (tegenover ex-medebroeders-schriftgeleerden): „Gij gewitte wand! Gij die de wet leert, beveelt hij tegen de wet dat men mij zal slaan?"
Paulus-Petrus: „Wederstond ik hem in zijn aangezicht en zeide tot hem in aller tegenwoordigheid: „indien gij die een jood zijt enz. enz."
Mij dunkt broeders dat in deze tijd dikwijls een zeer verwrongen vorm van „Evangelisch gedrag-en-houding" in praktijk gebracht wordt door velen; in de godsdienst der verschillende kerken èn in de politiek.
Velen zouden hemel en aarde bewegen om voor ieder aanvaardbaar te maken dat, om der wille van (een vals!) evangelie, zij met iedereen mee moeten werken en niet boos worden! „We moeten lief zijn voor mekaar!" Die mensen zouden graag zo ver mogelijk met de duivel meegaan om het Koninkrijk Gods te dienen! En toch: De waarheid verdraagt de leugen niet! Waarom ook gesproken wordt over: compromis! Nee! „Der waarheid getuigenis geven." Daarom ook zachtmoedig? Ja, lees maar: „Jeruzalem, Jeruzalem! Gij, die profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn!" Anno Domini 70! „Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden, gij zijt de witgepleisterde graven gelijk!" „samenknoopsel van ongerechtigheid", „gans bittere gal!" „Zijt vurig van geest" Geest! „Dient elkander door de liefde."
Enerzijds spijt het mij, dat ik deze aanmerking moet maken; anderzijds .beschouw het maar als dienst, dan is het „graag gedaan!" Dat het werk door „In de Rechte Straat" gedaan, velen tot zegen moge zijn.
Borssele
ONS ANTWOORD:
Wij zijn het met de br. W. eens dat in onze tijd het gevaar dreigt dat aan bijbelse woorden een andere inhoud wordt gegeven. Ook wij (ook br. Brunklaus) onderschrijven dat je zachtmoedigheid niet mag vertalen als „alleen maar lief zijn voor elkaar". Ook Christus kende de profetische toorn, de heilige verontwaardiging. Wij moeten Hem ook daarin navolgen. Wat kan Paulus b.v .niet toornen in zijn brieven.
Wel moeten wij onszelf voortdurend onderzoeken of onze toorn en verontwaardiging werkelijk heilig zijn, of dat ze misschien voortkomen uit de troebele bron van persoonlijke gekrenktheid.
En vervolgens: we moeten bij de beoordeling van een bijbels woord niet uitgaan van de ontleding van het Nederlandse woord, want dat is maar een vertaling. Ik meen daarom dat het niet juist is om het woord „zachtmoedig" uit elkaar te halen en te splitsen in „zacht" en „moedig". Bovendien moet dat Nederlandse woord herleid worden tot „zacht van gemoed". Het heeft dus niets te maken met de „moed".
We zullen terug moeten gaan naar die woorden zoals ze in de Bijbel voorkomen. Ik ben daarom maar eens in „Kittel's Theologisches Wörterbuch" nagegaan wat daarin door prof. D. F. F. Hauck en dr. S. Schulz gezegd wordt over het Griekse woord „praus" (zachtmoedig) en „prautès (zachtmoedigheid). Zij vertellen ons:
In het Oude Testament
In het O.T. (de Septuagint) komt het woord twaalf maal voor. In het hebreeuws stamt het van een werkwoord dat betekent: „zich in een kommervolle, nederige, geringe staat bevinden". Daarom wordt dit woord in het O.T. nooit van God gebezigd; dit in tegenstelling met het profane Grieks.
Het kan ook stammen van andere werkwoorden:
1. „Zich in de positie van een knecht bevinden." Het geeft dan aan: iemand die geen eigen grond bezit en daarom voor het verwerven van zijn levensonderhoud aangewezen is op arbeid in dienst van een ander; vandaaruit krijgt het woord dan ook de ondertoon van „deemoedig". 2. „Zich in een gedrukte toestand bevinden"; later wijzigt zich die betekenis voornamelijk in deze zin: „zich tegenover God als knecht ervaren (weten) en zich daarom stil en zonder tegenspraak aan Hem onderwerpen."
Er is nog een ander belangrijk verschil tussen het bijbelse en het profaan-griekse gebruik van het woord. De Oud-Testamentische gelatenheid wortelt steeds in God. Het overwinnende vertrouwen en blijven uitzien naar God is de keerzijde van de zachtmoedige gelatenheid (Jes. 2 6 : 6 ) . Dat heeft dus niets te maken met een hooghartig afstand nemen zoals we dat bij de filosofen aantreffen. De Oud- Testamentische zachtmoedigheid heeft haar grond in de eschatologische verwachting (de verwachting van de uiteindelijke en glorieuze komst van het Koninkrijk Gods). Zie ps. 76:10. Zij geloven dat de Heere eenmaal richten zal (ps. 147:6; 149:4) en dat dan de gebogenen d.i. degenen" die de Heere verwachten, de aarde erfelijk zullen bezitten" (ps. 37:9). En zodoende staat er in vs. 11: „De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over grote vrede". „Vrede", hier te verstaan in de Oud-Testamentische rijke betekenis van alomvattende rust en vreugde.
Bij Mattheus
Bij Mattheus komt het woord „zachtmoedig" (praus) drie keer voor: 5:5; 11:29; 21:5. De zending van Jezus voltrekt zich op aarde in nederigheid en zwakheid. Zijn leven wordt niet gekenmerkt door een verkeer in de hogere kringen, door een onderhouden van allerlei protocollaire voorschriften en conventionele regels. Integendeel, Hij openbaart Zich als „nederig (tapeinos) van hart" (Mat. 11:29), d.i. als Iemand die geheel op God is aangewezen. Maar juist daarom kan Hij met volmacht uitnodigen: „Komt (deute) herwaarts tot Mij…" en: „Neemt (arate) Mijn juk op u" (Mat. 11:28-29).
In Mat. 21:5 wordt Jezus als „zachtmoedig" afgeschilderd, omdat Hij Zijn intocht houdt, gezeten op een ezel, en zo de profetie van Zach. 9:9 in vervulling doet gaan, waar de Messias getekend wordt als een Heilskoning en Vredevorst, die een weerzin heeft tegen geweld en oorlog. Daardoor distantieert Jezus Zich principieel van alle zeloten en van hen die een politiek messianisme verkondigen. In de zaligspreking (Mat. 5 : 5 ) worden de zachtmoedigen ons voorgesteld als mensen, die op de basis van hun toestand van druk en geringheid niet hun eigen wil volgen, maar de grote en genadige wil van God als enig richtsnoer nemen.
Aan hen belooft Jezus de aarde van de komende aeon, de periode van de volkomenheid van het Rijk Gods. In tegenstelling met de „armen van geest" in vs. 3 wordt de blik van de zachtmoedigen niet op het heden, maar op de toekomst gericht (Aeon = onafzienbare tijdruimte).
Bij Paulus
Ook bij Paulus heeft de zachtmoedigheid een heel andere achtergrond dan de zachtmoedigheid in de Griekse deugdenleer. Hij ziet haar als een vrucht van de Geest (Gal. 5:22 en 6:1). Ze is dan ook allerminst een teken van zwakheid of weekheid.
Paulus had heel wat redenen om toornig tegen de Korinthiërs uit te varen vanwege hun aanmatiging en hun staan op hun zogenaamde rechten. Hij smeekt hen bijna het hem niet onmogelijk te maken de zachtmoedigheid van Christus te betrachten (2 Kor. 10:1; 1 Kor. 4:21). De prautès (zachtmoedigheid) staat in Gal. 5: 22 tussen de pistis (geloofsvertrouwen) en de egkrateia (matigheid, zelfbeheersing, letterlijk: het (zichzelf) en = in de kratos = macht hebben). Daardoor is een gelovige in staat om een broeder terecht te wijzen zonder bitterheid of woede (Gal. 6:1).
In 2 Tim. 2:25 wijst Paulus erop dat een Evangeliedienaar „degenen die tegenstaan", met zachtmoedigheid moet onderwijzen, opdat „zij wederom ontwaken mochten uit de strik des duivels, onder welke zij gevangen waren tot zijn wil". En in Titus 3:2 worden wij vermaand tot zachtmoedigheid „jegens alle mensen."
Bij Jakobus
In Jak. 1:21 wordt de zachtmoedigheid gesteld tegenover de toorn van vs. 20. Ze geeft de deemoedig-zachtmoedige bereidheid aan om zich te laten onderwijzen door het Woord Gods, zonder meteen op te stuiven, wanneer dat Woord ons aan onszelf ontdekt.
De zachtmoedigheid is het teken van de oprechte vrome, die bezield is door de goddelijke wijsheid (3:13). Zij openbaart zich in heel de levenswandel van de vrome. Zij doet weldadig aan en staat tegenover „de bittere nijd en twistgierigheid" (3:14).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
