Gods volk en de aardse rijkdom
Een evangelisatie die zich richt op Latijns Amerika, zal zich diepgaande moeten bezig houcien met het vraagstuk, waarmee men worstelt in Latijns Amerika: Is het juist dat een handjevol mensen zwemt in de weelde, terwijl in datzelfde land kinderen bij massa's sterven van de honger? Is het juist dat het ene land steeds meer toeneemt in luxe, welvaart en overvloed, terwijl het andere land steeds verder verpaupert? Wij menen dat het daarom goed is een boeiend artikel over te nemen uit de „Latin American Evangelist" (maart-april 1976), waarin Peter Davids vanuit de Bijbel probeert een antwoord te geven op die vragen.
Het recht om kapitaal op te hopen en te genieten van de daaraan verbonden macht is door veel christenen als iets vanzelfsprekends aanvaard en gepraktizeerd. We kunnen daarom wel enigszins begrijpen dat Marx christendom en kapitalisme in eikaars verlengde zag liggen.
Maar hoort kapitalisme noodzakelijk bij het christendom? Geeft de Bijbel misschien een andere oplossing?
Het antwoord op die vragen kunnen we alleen dan vinden, wanneer we eerst nagaan wat de Bijbel verstaat onder „volk Gods".
Theokratisch socialisme
Vaak worden de christenen het volk Gods genoemd. In 1 Petr. 2:9 wordt b.v. deze benaming aan de gelovigen gegeven. Maar de wortels van deze aanduiding liggen in het Oude Testament. De uitdrukkingen „Koninkrijk van God" en „volk van God" werden aan Israël gegeven lang voordat er christenen waren.
We kunnen de visie van het Oude Testament op het volk Gods samenvatten in twee stellingen.
Allereerst dit: het O.T., tekent ons het volk van God niet als een monarchie (in de zin van het koninkrijk van Saul, David en Salomo) maar als een theokratie.
De ideale weergave van hoe het volk Gods behoort te zijn, vinden we in de vijf boeken van Mozes. Daar treffen we een soort theokratisch socialisme aan. Het land werd door het lot verdeeld en toegewezen aan de stammen en de families. Maar het eigendomsrecht van de grond behoorde de Heere toe. Hij alleen beschikte over de economische bronnen (Lev. 25:23).
De Beschermer van de armen
Als enige rechtmatige Eigenaar gaf Hij vooral drie grondregels voor Zijn volk.
Allereerst moest een percentage (3.4%) van de opbrengst van het land direkt aan de armen worden gegeven (Deut. 14: 28-29). Vervolgens moest de opbrengst van elk zevende jaar bestemd worden voor de arme (Ex. 23:11). In de derde plaats: de grond kon niet voor goed bezit worden van een ander; elke 50 jaar zou het weer terugkomen aan de familie die het oorspronkelijk bezat (Lev. 25). Vanwege deze bepaling was er, behalve in de centra van de grote steden, geen verkoop van grond mogelijk; de grond kon alleen gedurende een beperkt aantal jaren van bezitter wisselen. Daarom was een opeenhoping van kapitaal uitgesloten. Grootgrondbezitters waren een onmogelijkheid in Israël vanwege de wetten, die de Heere Zelf aan Zijn volk gegeven had.
Bovendien waren er andere wetten die gunstige voorzieningen bevatten voor de economisch bedreigden. Zo moesten elke zeven jaar de schulden worden kwijtgescholden; de nalezingen van de oogst moesten worden overgelaten aan de armen en de vreemden; het nemen van rente was verboden; enz.
Achter dit sociale systeem stond echter een bepaalde openbaring van God. De Heere openbaarde Zich als een God die de armen en verdrukten liefheeft (Deut. 10: 12-22). De welvaart van Israël is een teken van Gods genade en niet van menselijke verdienste. Het ideaal blijft de algehele uitroeiing van de armoede (Deut. 15).
De taal van de opgravingen
Wel moeten we eerlijk vaststellen dat deze wetten nooit helemaal gepraktizeerd werden in Israël. En evenmin mogen we onze ogen ervoor sluiten dat de joden wél rente konden vragen van vreemdelingen en dat ze ook slaven mochten bezitten (ook al mochten ze een volksgenoot niet langer dan zes jaar in slavernij houden). We erkennen ook dat de dorpsgewijze samenleving zulk een economisch systeem zeer vergemakkelijkte.
Maar de archeologie toont aan dat deze bepalingen van de periodieke terugkeer van de grond aan de oorspronkelijke bezitter alsmede deze wetten ten gunste van de armen zeer sterk de economische gelijkheid bevorderd hebben in de beginperiode van het volksbestaan van Israël.
Opgravingen in Israëlietische dorpen bewijzen deze gelijkheid in levensstandaard en welvaartspatroon. De huizen van de tiende eeuw vóór Christus hadden allemaal ongeveer dezelfde omvang en dezelfde inrichting. Je kunt daaruit zien dat elke familie op ongeveer dezelfde wijze leefde, woonde en werkte als de buren naast hen.
Dat wordt des te opvallender, wanneer we de restanten van de huizenbouw uit de achtste eeuw voor Christus bestuderen. Dan zien we dat de huizen van de rijken solieder gebouwd en groter zijn en ook dat ze niet op dezelfde plaats zijn opgetrokken als de wijken, waar de hutten van de armen samengedrongen zijn. (Aldus Roland de Veaux in „Ancient Israël: its Life and Institutions").
„…de koning die over u regeren zal" (1 Sam. 8:11)
Onze tweede stelling luidt: De monarchie heeft het economische aanzien van Israël radikaal veranderd, ofschoon de bestemming van Israël bleef nl. Gods volk te zijn, d.i. openbaring van de Heere te zijn in deze wereld met alle sociale gevolgen daarvan. Volgens 1 Sam. 8 was de vraag om een erfelijk koningschap tevens de verwerping van de theokratie; daardoor zou een economische en sociale onderdrukking ontstaan als nooit tevoren.
De stuwende kracht van deze grondige economische omwenteling was een strak centraal gezag; en daarmee ontstond tegelijk de urbanisatie (= de groei van grote steden).
De centrale regering legde belastingen op. De grond van degenen die de belasting niet konden betalen, werd verkocht. De rijksambtenaren, het dienstpersoneel en de beroepssoldaten deden de omvang van de steden snel toenemen (in de steden was toegestaan dat de grond voorgoed overging naar een andere bezitter); daardoor ontstond de noodzaak van de handel (voor de voedselvoorziening van de stadsbewoners); die centrale regering kreeg ook steeds meer bezittingen als gevolg van veroveringen of verbeurdverklaringen door de koning. De centrale regering (de koning) nam aldus de plaats in van God. Men voelde zich steeds meer afhankelijk van de koning in plaats van afhankelijk van God.
De vroegere zorg voor de armen kon niet goed gedijen in deze atmosfeer. Maar de Heere bleef de God van de armen en van de bezitlozen. Daarom donderde Amos tegen hen „die de rechtvaardige verkopen voor geld en de nooddruftige om een paar schoenen" (2:6) en hij striemde „de koeien van Basan", „gij die de armen verdrukt, die de nooddruftige verplettert; gij die tot hunlieder heren zegt: Brengt aan, opdat wij wijn drinken" (4:1). Jeremia gispte hen die de oude wetten ten gunste van de armen gebroken hadden (Jer. 34: 8-22).
De verwerping van God als Koning en de aanvaarding van de menselijke monarchie was oorzaak geworden dat Israël zich niet meer gedragen kon als volk van God. Afval van de levende God en sociale onderdrukking gaan hand in hand. De profeten veroordelen evenzeer deze opeenhoping van het kapitaal ten nadele van de armen als de afdwaling van de afgoderij. Gods volk zijn betekent Gods zorg voor de armen weerspiegelen en verwezenlijken; het afwijzen van de armen is evenzeer een afwijzen van God.
Christus: een gereserveerde houding tegenover het geld
Met de komst van Christus veranderde de situatie van het volk van God geheel en al. Vroeger was het volk Gods heel konkreet aan te wijzen als die bepaalde ( Joodse) natie met dat bepaalde economische stelsel. Nu echter verspreidt het volk Gods zich over heel de wereld en door alle volken heen. Maar we zien dat de grondtrekken van het vroegere economische stelsel van Israël terug te vinden zijn in de geboden, die de Heere gaf voor dit nieuwe internationale volk Gods. Ook dat nieuwe volk Gods is een sociaal geheel.
Jezus verkondigde dat allen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan. En wie dat doet, wordt daardoor discipel van Christus. Maar dat discipelschap brengt ook bepaalde konsekwenties mee ten aanzien van het bezit van aardse goederen. Volgens de Heere is het bezit van rijkdom zeer gevaarlijk en lijkt bijna niet verzoend te kunnen worden met een algehele overgave aan God. Daarom lezen wij uitspraken als deze:
„Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen" (Mark. 10:23). „Gij kunt niet God dienen en de Mammon" (Mat. 6:24). „Alzo dan eenieder van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn" (Luk. 14:33).
Deze nieuwe levenshouding is niet een verwerping van het gebruik van eigen bezittingen (dus geen ascetisme) maar wel de verwerping van de afhankelijkheid van de bezitsdrift (het verzamelen van goederen). En de grond voor deze nieuwe houding ten aanzien van aardse bezittingen is het besef dat alles het eigendom is van de Heere. Omdat God Zijn volk liefheeft, daarom wil Hij in hun noden voorzien.
Nodig de bedelaars uit
Jezus heeft echter ook een positieve houding tegenover de aardse bezittingen geleerd: Christenen mogen zich niet hechten aan de rijkdom, maar ze kunnen die wel gebruiken om anderen te helpen. Jezus spoort ons aan om juist de bedelaars, misvormden, lammen en blinden aan onze diners uit te nodigen (Luk. 14:12-14). Als Jezus spreekt over het verzamelen van schatten in de hemel (Mat. 6:19-21), dan gebruikt hij een beeld voor de liefdadigheid, die de Joden goed verstonden. De opdracht aan de rijke jongeling was om zijn bezit aan de armen te geven. Dat is dezelfde prediking als van Johannes de Doper: „Die twee rokken heeft, dele hem mee die geen heeft; en die spijze heeft, doe insgelijks" (Luk. 3:11).
Wat was het gevolg van dit onderwijs? Voordat de discipelen tot overgave aan Christus kwamen, maakten zij deel uit van het economische stelsel van deze wereld met zijn jagen naar bezit en winst. Maar daarna doen ze althans innerlijk afstand van hun bezittingen. Lukas vertelt wel over welgestelde discipelen van Christus, maar hij laat steeds zien dat ze hun rijkdom deelden met de anderen. Sommige vrouwen van rijken huize volgden Jezus om uit hun eigen overvloed te voorzien in de stoffelijke noden van Jezus en de Zijnen. Zacheüs beloofde niet alleen viervoudig te vergoeden wanneer hij iemand iets had afgeperst, maar ook de helft van zijn bezit aan de armen te geven (Lk. 19: 1-10). In plaats van altijd aan eigen belangen te denken was het de bedoeling van Jezus dat de Zijnen allereerst aan het belang van de anderen zouden denken.
En daarin zien we dan dat Jezus de lijn en de gedachte van het Oude Testament had overgenomen en doorgaf. In het O.T. behoorde het land aan de Heere en alle vrucht ervan werd gezien als een gave God. Het nieuwe volk Gods dat niet meer naturaal begrensd is, belijdt dat alle rijkdom aan God toebehoort en dat Hij hen geeft wat zij nodig hebben. In het O.T. is de Heere vol zorg voor de armen en de onderdrukten en gaf Zijn wetten die tot bedoeling hadden de opeenhoping van bezittingen tegen te gaan en de grond periodiek naar de oorspronkelijke bezitters te doen teruggaan. Jezus predikt een nog verder gaande verdeling van de aardse bezittingen en een nog intensere zorg voor de armen.
Jezus: bewogen met de armen
Jezus is om verschillende redenen begaan met de armen. In de eerste plaats omdat de armen Gods bijzondere liefdevolle aandacht hadden in het O.T. Een arme was tegelijk ook de machte-loze. God openbaarde Zich echter als de verdediger van de machtelozen en van de bezitlozen.
Maar er was nog een tweede reden. Het Evangelie kwam met de radikale eis van totale overgave en van bereidheid om alles op te geven om wille van het Koninkrijk. Zij die verwikkeld waren in de aardse bezittingen en profiteerden van hun rijkdom, vonden die oproep uitermate moeilijk. Daarom leerde Jezus dat alleen door een wonder van God een rijk mens (zoals Zacheus) het Koninkrijk der hemelen zou kunnen binnengaan; doorgaans waren het de minder-bedeelden die graag naar Hem luisterden.
Het nieuwe volk Gods moet herkenbaar zijn aan de onthechting van de rijkdom en aan de bijzondere zorg voor de zwakken en de armen. Hoe was dat zichtbaar in de vroege kerk?
We moeten niet denken dat alles gladjes en zonder moeilijkheden verliep. De brief van Jakobus spreekt bv. over christenen die beweren geloof te bezitten maar intussen volledig aardsgezind zijn en werelds denken. Jakobus roept hen op om van harte uit hun overvloed mee te delen met de armen en om zich los te maken uit die levenshouding van zoveel mogelijk bezit te verwerven. Hij zegt dat zij deze wereld liefhebben en daarom vijanden van God zijn (4:4). Het nieuwe volk kan niet tegelijk God en het geld aanbidden evenmin als het oude volk Gods tegelijk God kon dienen en de afgoden van Kanaan. Jakobus heeft maar één woord voor hen die een compromis zoeken tussen het geloof en de bezitsdrift: Bekeer u! En lees eens over de gemeente van Christus in de eerste tijd na pinksteren (Hand. 2:44-47 en 4:32-37).
De eerste gemeente een commune?
Bij een oppervlakkig lezen van deze teksten krijgen we de indruk dat de eerste gemeenten een commune-systeem praktizeerden, waarbij elk privaatbezit was afgeschaft en alleen de gemeenschap iets bezat. Maar als we die teksten nauwkeuriger ontleden, bemerken we dat dit toch niet het geval was. Dan blijkt dat de meer vermogenden slechts dan hun bezittingen verkochten, wanneer dat nodig was voor de voorziening in de nood van de behoeftigen (Hand. 2:45). Dat was de gedragslijn die Barnabas volgde. Maar we zien ook hoe Ananias en Saphira zich hulden in schijn en leugen.
De boodschap van Handelingen is heel eenvoudig, als de Heilige Geest waarachtig werkt in de harten van Gods kinderen, dan zijn zij bereid om zelfs hun bezittingen te verkopen als dat nodig is om de armen te helpen. Zo wordt het ideaal zoals dat in Deut. 15:5 verkondigd was, verwezenlijkt. De gemeente van Christus bracht de mensen niet onder een nieuwe wet, maar zij openbaarde het nieuwe leven dat de Heere in de Zijnen teweeg brengt door de Heilige Geest, waardoor zij werden vrijgemaakt van de gebondenheid aan het economische stelsel van deze wereld, vrij in de nieuwe heilsorde van Christus.
Paulus: er moet gelijkheid zijn
In de jaren 40, 50 van de eerste eeuw had Jeruzalem te kampen met economische problemen. Er heerste zelfs hongersnood. Er was één groep die daar bijzonder onder te lijden had. Dat waren de christenen. Zij werden immers als outcasts (uitgeworpenen) beschouwd en behandeld vanwege hun geloof in de gehate Christus.
Hand. 11: 27-30 laat ons zien hoe de gemeente van Antiochië de broeders en zusters van Jeruzalem te hulp kwam. Maar 2 Kor. 8 en 9 vertelt ons veel meer. Paulus hield een kollekte onder de kerken van Klein Azië en Griekenland om de armen van Jeruzalem te gedenken. Hij riep de christenen op om het voorbeeld van Christus te volgen, wiens leven en hele instelling was: geven. En hij ontvouwt dan de grondbeginselen van waaruit die kollekte moest gehouden worden (2 Kor. 8:13-15).
Het gaat er niet om dat jezelf ontbering lijdt om anderen te helpen; het is een kwestie van gelijkheid. Nü komt uw overvloed hen ten goede, maar er kan een tijd komen dat hün overvloed u ten goede komt. Het doel is gelijkheid; zoals de Schrift zegt: „… opdat er gelijkheid worde; gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig" (8:14-15).
Paulus is in dit punt heel doorzichtig: geen enkele christen mag leven in overvloed, terwijl anderen verkommeren; er moet een vrijwillig overvloeien zijn van de overvloed naar de tekorten, zodat de gemeente van Christus over de gehele wereld in een toestand van gelijkheid verkeert.
KONKLUSIES:
We moesten in dit artikel kort zijn, maar we kunnen uit het voorafgaande toch enkele konklusies trekken:
1. Gods opdracht aan het volk van het O.T. verschilt niet wezenlijk van de opdracht aan het volk van het N.T. Het verschil bestaat daarin dat het nieuwe volk Gods de kracht ontvangt van de Heilige Geest, waardoor hun levens veranderd worden door hun geloof in Christus; en vervolgens dat zij een internationaal volk zijn, niet gebonden aan de grenzen van een bepaald land.
2. De begeerte om rijkdom te vergaren en op te stapelen is altijd een gevaar geweest voor het volk van God. De gemeente van Christus moet ook in onze dagen de reserve in acht nemen tegenover de rijkdom zoals die door Christus gepredikt werd; zij moet er voor oppassen dat ze de radikale geboden van Christus niet gaat terugbrengen tot wat ongevaarlijke geestelijke platvloersheden.
3. Gods volk moet erkennen dat de aardse bezittingen het eigendom van de Heere zijn. Dat is niet zomaar een simpele geestelijke waarheid. Het is ook een praktisch beginsel. Daardoor weigert men zoveel mogelijk bezit te vergaren om zichzelf daarin veilig te voelen. En in géén geval mogen wij rijkdom najagen puur om zichzelf. Een christen hoort een levensstijl te hebben die geheel tegenover die van de wereld staat.
4. In de gemeente van Christus mogen er geen armen zijn. De broeders en zusters moeten met elkaar willen delen. Maar deze bereidheid moet zich ook uitstrekken van land tot land en van continent tot continent. En dat moet niet gebeuren vanuit de verplichting van een wet, waaronder men zucht, maar vanuit liefde en gehoorzaamheid.
5. Gods volk moet het voorbeeld volgen van hun God en Heere in Diens bewogenheid met de armen en de weerlozen van de aarde. De kerkgeschiedenis bewijst dat dit een machtige vorm van getuigen is. Maar de christenen moeten dat niet doen met het oog op die zegenrijke gevolgen, maar eenvoudig omdat ze Hem willen eren van Wie zij verkondigen dat zij Hem willen volgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juni 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
