In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

BENT U WERKELIJK WEDERGEBOREN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BENT U WERKELIJK WEDERGEBOREN?

ANN MEVR. N.N. TE N.

7 minuten leestijd

Ik kan mij voorstellen dat de brief van mevr. R. u diep heeft aangegrepen. Wanneer je al jarenlang de gemeenschap hebt gekend met de levende Heere, dan kan dat enorm pijn doen, wanneer iemand je dan ineens de vraag stelt of je wel werkelijk wedergeboren bent.

Nu kan zulk een emotionele reaktie voortkomen uit gekrenktheid. Je kunt op zulk een vraag fel reageren, omdat je jezelf aangerand voelt, omdat je van een voetstuk, waarop je jezelf had geplaatst, wordt weggetrokken. Dan zou zulk een reaktie zondig zijn, want dan komt ze voort uit geestelijke hoogmoed. Dan zijn we nijdig, want… hoe durft iemand mij die alom geëerd en erkend wordt als een geestelijk hoogstaand kind van God, zo naar beneden halen? Een ieder onderzoeke zichzelf. Maar uit uw brief proef ik allerminst zulk een houding. Integendeel. Ik bespeur er in de droefheid over de mogelijkheid dat u tóch geen kind van God zou zijn. Ik hoor u door de regels heen zuchten: Wat zou dat erg zijn, als de Heere die ik meen lief te hebben, eenmaal tóch tot mij zou zeggen: „Ga weg van mij, ik heb u nooit gekend".

Zulk een droefheid is op zichzelf reeds een aanduiding dat Gods Geest in u woont. Want anders zou uw reaktie alleen maar bitter zijn geweest. Dan zoudt u zich in uw brief vol weerzin hebben uitgelaten over mevr. R. Maar van echte bitterheid tegenover haar merk ik niets in uw brief.

Droefheid over de mogelijkheid dat je door de Geliefde van je ziel toch niet waarlijk gekend zou zijn, kan alleen maar voortkomen uit de levende kennis van Hem. En zulk een kennis heb je niet van jezelf.

Uit de achtergrond van de liefde?

Ik wil nu eens nagaan, waaruit zulk een vraag, waarin iemand de wedergeboorte van een mede-christen in twijfel trekt, voortkomt. Zulk een vraag kan voortkomen uit heel verschillende achtergronden.

Die vraag kan voortkomen uit oprechte bewogenheid met de ander. Helaas zijn er velen, die denken dat ze een kind van God zijn, maar die nooit enige levende gemeenschap met Christus hebben gehad. Zij hebben Hem nooit persoonlijk gekend en dan ligt het voor de hand dat ook Christus eenmaal tot hen zegt: „Ik heb u nooit gekend."

Hoevelen zijn er niet die elke zondag naar de kerk gaan, maar die in hun hart volkomen werelds denken. Christus is in wezen een vreemde voor hen. Als ze Christus horen zeggen: „Ik ben de goede Herder en ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend" (Joh. 10:14), dan verstaan ze dat als een kennen met het verstand, een kennen vanuit de dogma's van hun kerk, vanuit de leer die hen in de katechisatie werd voorgehouden.

Ze hebben nooit hun zonde als persoonlijke schuld voor God beleefd en daarom ook nooit Christus ontmoet als persoonlijke Zaligmaker. Ze kennen de verborgen omgang met God niet. Ze zijn gedoopt en ze gaan naar de kerk en ze doen overigens „hun plichten" en dat moet genoeg zijn, zo redeneren ze onbewust.

Ja, het is goed en de liefde kan dat soms eisen dat we zulke mensen die „met een ingebeelde hemel naar de hel hollen", tot bezinning roepen door zulk een vraag: Bent u wel werkelijk wedergeboren? Weet u persoonlijk dat u een kind van God bent?

Vanzelfsprekend zal zulk een vraag dan met heel veel fijngevoeligheid gesteld moeten worden. Zulk een vraag mag natuurlijk nooit voortkomen uit een geestelijk superioriteitsgevoel. Je kunt een ander slechts zo benaderen vanuit de verwondering dat God jou, zondig mens, altijd maar weer vergeven wil in Christus.

Dat gaat zo maar niet!

Maar zulk een vraag kan ook uit heel andere motieven voortkomen. Een duidelijk voorbeeld daarvan geeft ons de brief aan de Galaten.

Die dwaalleraars hadden onrust onder de Galaten gezaaid. Ze hadden gezegd: „Maar dat gaat zo maar niet. Er moet heel wat gebeuren, voordat je jezelf het eigendom van Christus mag noemen. Dan moet er niet alleen veel geloofd, maar minstens evenveel gedaan worden. Alleen maar geloof in Christus? Zou dat ons zalig kunnen maken, zoals Paulus dat jullie geleerd heeft? Kom, kom, dat meen je toch zelf niet. Je merkt toch zeker wel, hoe elke dag weer je geweten je aanklaagt".

Ja, dat wisten de Galaten wel. Ze hadden er verdriet van, dat ze maar niet de volmaaktheid van Christus konden bereiken. Ze wilden zo graag zijn zoals Hij. Maar het lukte maar niet.

Maar Paulus zal hen gezegd hebben dat ook hij nog niet volmaakt was, ook al joeg hij ernaar; en van de andere kant had Paulus hen toch ook voorgehouden dat ze reeds in Christus door het geloof volmaakt zijn (zie Fil. 3:12, 15).

Nee, zeiden die dwaalleraars, dat zijn valse voorspiegelingen. Zeker, je moet wel in Christus geloven als de gekomen Messias, maar juist daarom moet je je met nog meer ijver toeleggen op de wetsvolbrenging. En alleen wanneer je een stipte onderhouding van de geboden aan God kunt voorleggen, mag je misschien geloven, dat je een kind van God bent.

Ze willen u voor hún karretje spannen

Dat was de eigenlijke beweegreden van de dwaalleraars van de Galatenbrief. Paulus schrijft: „Zij ijveren niet recht over u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren" (Gal. 4:17). Ja, dat was hun bedoeling. Ze wilden de rustige Galaten, die reeds enige tijd vol dankbaarheid genoten van de vergeving der zonden in Christus, in de onrust brengen

Daarvoor was allereerst nodig dat het apostolisch gezag van Paulus ondermijnd werd. Dat hebben ze dan ook geprobeerd, ze hadden een beetje meewarig het hoofd geschud: „Och, die Paulus, dat is toch immers geen echte apostel. Dat is een nakomertje. In Jeruzalem, daar zijn de twaalf apostelen, de zuilen van de gemeente van Christus. Maar die Paulus…"

Paulus verdedigt zijn apostolische gezag dan ook met klem, niet omdat hij zich persoonlijk bedreigd voelt, maar omdat het geestelijk welzijn van de Galaten op het spel staat.

En Paulus ontmaskert die dwaalleraars in hun eigenlijke zondige bedoelingen. Ze willen roem oogsten (Gal. 6:13) uit de door hen beoogde ommekeer van de Galaten, wanneer ze hen zouden kunnen maken tot ijveraars voor de zaligheid door de joodse wet.

Zo zijn er ijveraars, die door anderen in de onrust te brengen, hen willen winnen voor eigen kerk of eigen organisatie „om zo roem te dragen op hun vlees", zou Paulus zeggen.

Afgunst?

Veel erger is het, wanneer zulk een twijfel zaaien voortkomt uit jaloersheid. Ze kunnen het niet hebben, dat een ander voortdurend blijdschap uitstraalt. Ze zullen daar wel eens een domper opzetten. Zelf kunnen (beter: willen) ze niet tot die eenvoud komen en daarom ook niet tot de vreugde. Ze vinden zichzelf daarvoor veel te gewichtig. Altijd zijn ze met zichzelf bezig. Daarom komen ze er niet toe om hun hoofden en harten omhoog te heffen naar Christus, van Wie wij alle heil en uitkomst mogen verwachten.

Wanneer ze dan bij een ander bemerken, hoe die tot algehele verbrokenheid is gekomen en nu kinderlijk zijn volle vertrouwen is gaan stellen in Jezus Christus, dan voelen ze dat indirekt aan als een verwijt aan hun adres.

Ik zou mij dan ook nu tot zulke mensen, die verteerd worden door geestelijke jaloezie, willen richten:

Geef toch die zelfhandhaving op. Maak uzelf niet zo interessant. U bent een doodgewone zondaar, die tot bekering moet komen. De Heere hoeft geen aparte wegen met u te gaan. Hij spreekt tot u door Zijn Woord en door Zijn Geest. Misschien wel op dit moment, terwijl u deze regels leest. Misschien ontdekt de Heere daardoor u aan uzelf in uw gewichtigdoenerij. Dat is misschien heel erg pijnlijk voor u. U was misschien zeer in aanzien in uw kring. Men was wellicht bang voor u vanwege uw vlijmscherpe tong, vanwege uw Bijbelkennis, vanwege uw theologische inzichten. Men zag tegen u op. Nu hoort u misschien de Heere tot u zeggen: „Gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt" (Openb. 3:17).

O, als u die stem van de goede Herder hoort, bied dan geen weerstand meer. „Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet" (ps. 95:7-8).

En dan, als u van uw hoge troon bent afgedaald en in ootmoed en verbrijzeling des harten uw schuld voor Hem hebt beleden, dan wacht ook u diezelfde vreugde, die „onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8). Die vreugde bidden wij u van harte toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

BENT U WERKELIJK WEDERGEBOREN?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's