IS TWIJFEL EEN BEWIJS VAN ECHT GELOOF?
Uit een brief:
„Ik ontmoet vaak mensen die zeggen dat ze tijden hebben gekend waarin ze mochten geloven dat de Heere in hen had gewerkt, maar dat het geloofsleven bij hen zo wisselvallig is. Nu eens kunnen ze het wél geloven en dan weer niet. Dan kan het zo ver komen, zeggen ze, dat ze moeten belijden: „Is het wel waar bij me geweest? Het is alles zo donker. De Heere heeft vast nog niet in me gewerkt. Ik ben alles kwijt en ik ga nog voor eeuwig verloren, als het zo bij mij blijft!"
En dan beroepen ze zich op de Bijbel o.a. met die teksten: „Ik zal nog één der dagen in de hand van Saul omkomen" of: „Zijt Gij degene die komen zou of hebben wij een Ander te verwachten" (de twijfel bij Joh.) en Ps. 73. Nu kan ik dat niet plaatsen dominee. Dat is bij mij niet zo. De Heere heeft mij in mijn jeugd getrokken met Zijn opzoekende liefde. Ik voelde toen zo mijn zonden, maar ik zag tevens zo'n ruimte en zo'n veiligheid in de Heere Jezus, dat ik vaak uitriep: „O, welk een macht heeft Uwe liefde!" Toen waren er momenten dat ik zo wel zou willen sterven om eeuwig bij de Heere te zijn. En nu kan ik dat niet meer ,uit mijn geheugen wissen. Dat blijft op de bodem van mijn hart liggen, ondanks zonden en tekorten. Mijn hart blijft naar de Heere en Zijn dienst uitgaan! Maar dan is het volgens die mensen niet goed met me. Dat is niet Bijbels. Nu kan ik die gedachtengang niet plaatsen. Doen we de Heilige Geest daarmee geen verdriet? Blussen we de Geest dan niet uit? Het lijkt een kenmerk van waar geestelijk leven te zijn als ik steeds maar twijfel aan het werk Gods in mij!"
ONS ANTWOORD:
Het lijkt mij goed nog eens te herhalen wat wij al vaak geschreven hebben namelijk dat niemand van ons het recht heeft om aan anderen wetten op te leggen voor zijn geloofsleven. Dat is in wezen rooms. Daar heb ik vroeger ook aan mee gedaan. Als pater redemptorist preekte ik de zogenaamde (binnenlandse) missies. Dat was destijds verplicht krachtens r.-k. kerkelijk recht. De pastoors moesten om de zeven, hoogstens tien jaar zulk een „missie" laten houden.
Wij paters redemptoristen waren daarin gespecialiceerd; alsook de capucijnen; die waren dan ook onze concurrenten.
Wij forceerden het slot van hun geweten
Dan preekten wij tien dagen lang de mensen murw met onze zware boeteprediking over de dood, het laatste oordeel, de hel, de doodzonde enz. En de eindkonklusie was steeds: mensen, willen jullie die verschrikkelijke hel ontgaan, dan moet je je doodzonden bij ons in de biechtstoel belijden. En dan moet je daar berouw over hebben. En dat berouw moet weer aan drie voorwaarden voldoen. Het berouw moet namelijk algemeen, bovennatuurlijk en krachtdadig zijn, dat wil zeggen gepaard gaan met een vast voornemen om die zonde niet meer te doen.
Wat heb ik zo de mensen de stuipen op het lijf gejaagd! Wat heb ik ze vaak sidderend in de biechtstoel voor me zien neerknielen, vooral vrouwen en meisjes.
Ik schaam mij daar nóg over. Wat een aanmatiging! Ik heb op deze manier met zware mokerslagen die zielen van meisjes en vrouwen opengebeukt. Ik kan het gelukkig ook Paulus nazeggen dat „ik het onwetend gedaan heb in mijn ongelovigheid". En ik kan er nu mét hem aan toevoegen: „Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde die er is in Christus Jezus".
En ik zou het nu met Paulus aan ieder willen toeroepen: „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied…" (1 Tim. 1:13-15).
Het bedroeft mij dan ook zeer dat ik in sommige protestantse kringen hetzelfde verschijnsel zie namelijk dat heersen over de zielen van anderen, dat angst aanjagen, waarbij men de deur van het Evangelie maar op een klein kiertje open zet en de indruk wekt alsof men dat kleine kiertje nog te veel vindt.
„Wat gaat ú dat aan?"
Maar nu een antwoord op die konkrete vraag. Waar staat dat in de Bijbel dat wij allen onze twijfels moeten hebben en dat anders ons geloof niet echt zou zijn? Jacobus 'spoort ons aan om in ons geloof niet te twijfelen (Jak. 1:5-7). Dan zou Jacobus ons dus de weg wijzen naar iets dat geen echt geloof zou zijn. En in Hebr. 11:1 lezen we: „Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet". Dat zou dan eigenlijk moeten luiden: Het geloof is een in twijfel trekken van de dingen die men niet ziet.
Natuurlijk is een echt geloof levend. Dat betekent dat het bij de meesten wel iets van een golving zal hebben, op en neer. Dat ligt dan niet aan de aard van het geloof zelf, maar aan de aard van ons, gelovigen.
Bij velen zal daarom ook wel eens de twijfel opkomen. Maar volkomen onjuist is het om te beweren dat de twijfel bij het echte geloof behoort.
Het geloof is op zichzelf reeds een gave. Waarom kan God dan niet aan sommigen bovendien de gave schenken dat ze niet of nauwelijks twijfelen in hun zaligmakend geloof?
Als Petrus zich er druk over maakt dat Johannes misschien op een bijzondere wijze begenadigd zal worden, dan luidt het antwoord van de Heere heel nuchter en bestraffend: „Indien Ik wil dat hij blijve, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij" (Joh. 21:22).
Groeiende verwondering
De eigen aard van het geloof is dus de zekerheid. Maar een gelovige moet van de andere kant ook niet gaan denken, dat hij niet het echte zaligmakende geloof heeft, wanneer hij soms of misschien heel vaak wordt aangevochten door de twijfel. Nogmaals, het is een aparte begenadiging, wanneer de Heere een gelovige vrijwaart voor de twijfel. Die aparte begenadiging geeft de Heere niet aan iedereen. Misschien — ik zeg het heel voorzichtig —- behoort wel de toenemende verwondering tot het geestelijk leven van een gelovige. Wanneer wij dichter tot God mogen naderen door de overdenking van Zijn Woord, door de verlichting van de Heilige Geest, door de dagelijkse omgang met de hemelse Vader, dan zal bij de meesten (misschien bij allemaal) de verbazing — en daarmee de dankbaarheid — groeien dat God mij altijd maar vergeven blijft, dat Hij het nooit moe wordt, nooit Zijn geduld tegenover mij verliest. Hij ziet toch mijn gestumper in mijn poging tot levensheiliging. Hij ziet, hoe ik voortdurend struikel en hoe langzaam mijn omvorming naar het beeld van Zijn Zoon zich in mij voltrekt.
Maar dat is juist de roem van Gods genade, dat wij ondanks het feit dat we steeds duidelijker onze zondigheid zien en er steeds meer verdriet van hebben, toch met alle zekerheid blijven geloven in Zijn belofte, Zijn trouw, Zijn barmhartigheid in Jezus Christus.
Wij moeten dus niet onze opkomende twijfel met vreugde begroeten als een teken van een echt geloof, maar integendeel die twijfel gebruiken als een springplank naar een hogere sfeer. Juist vanuit ons besef van onwaardigheid kunnen we des te krachtiger zingen: „Want ik ben verzekerd dat… (niets) mij zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere" (Rom. 8:38-39).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
