Luther's dood
In Eisleben preekte Luther verschillende malen in de kerk en hield er het Heilig Avondmaal. Toen zag het volk, dat de krachten van de Hervormer waren uitgeput. Zij had het goed gezien. Het einde van zijn leven was gekomen. En daar, waar hij werd geboren, zou hij het moede hoofd neerleggen. Hij was er zich van bewust, dat hij zou sterven want hij zei tot zijn vrienden: „Hier ben ik geboren en gedoopt, indien ik hier nu ook eens blijven moest om te sterven!"
Hij was pas 63 jaar oud, maar zijn krachten waren gesloopt. Zijn levenswerk was echter ten einde.
Op 17 februari 1546 kreeg hij na het avondeten een hevige maagpijn. Het duurde niet lang of hij kreeg een hevige benauwdheid in de borst en Luther begreep dat zijn einde daar was. Toen stortte hij zijn hart uit voor God: „O God, mijn hemelse Vader, Vader van onze Heere Jezus Christus, God van alle vertroosting, ik dank U, dat Gij mij uw Zoon Jezus Christus hebt leren kennen. Ik heb in Hem geloofd; ik heb Hem beleden; ik heb Hem lief gehad; ik heb Hem verkondigd en van Hem getuigd, ofschoon de paus te Rome en de goddeloze menigte Hem vervolgen en onteren. Ik smeek U, Heere Jezus Christus, neem mijn ziel aan! o hemelse Vader, al wordt ik thans weggerukt uit dit leven, en al moet ik mijn lichaam afleggen, toch weet ik zeker dat ik voor eeuwig bij U wonen zal, en dat niemand mij uit Uw hand rukken kan."
Tot driemaal toe herhaalde hij, telkens met een zwakkere stem: „In Uwe handen beveel ik mijnen geest; Gij hebt mij verlost, o God der waarheid."
Toen kwam het einde. Kalm en vredig stierf de man, die door God was uitverkoren om het licht van Zijn Woord weer op de kandelaar te plaatsen. Duizenden en nog eens duizenden werden door genade toegebracht tot de gemeente die eenmaal zal zalig worden, en dat niet uit verdiensten maar enkel en alleen uit vrije genade. Een licht aan de kerkhemel was ondergegaan. Niet Luther, maar God komt alleen de eer toe, Die het zo eeuwig waardig is.
De Hervormer had een rusteloos leven geleid. Steeds moest hij de strijd voeren tegen de paus en zijn trawanten, maar niet alleen tegen de paus, ook de grote vijand de satan had zijn ziel vele malen benauwd. Het is bijna onbegrijpelijk, dat deze man, die vogelvrij was verklaard, toch nog op zijn bed mocht sterven. Eens zei hij: „Gij allen, paus, duivel, koningen, vorsten en heren, gij zijt Luthers vijanden; en toch kunt gij hem geen kwaad doen! Zo is het niet met Johannes Hus gegaan. Ik ben er zeker van, dat in de jongste honderd jaar niemand zo fel gehaat is geworden als ik."
Gedurende de laatste vijfentwintig jaar, sinds de rijksdag te Worms, hadden de keizerlijke ban en pauselijke vloek hem altijd boven het hoofd gehangen en toch had niemand hem kwaad kunnen doen. Desondanks was Luther een gewoon mens. Alleen om het eeuwig welbehagen en op grond van de aangebrachte gerechtigheid van Christus is Luther de eeuwige zaligheid ingegaan.
Op de 22e februari werd de grote dode in de slotkerk van Wittenberg bijgezet. Een groot man was heengegaan … maar hij leeft. Eeuwig mag hij zich verlustigen in Zijn Heere, Die hem kocht met Zijn dierbaar bloed.
Uit „Mbuma"; Zie ook ons artikel „Uit brieven".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
