In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Over en weer over de Doop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over en weer over de Doop

11 minuten leestijd

Het is niet onze bedoeling om in ons blad een diepgaande gedachtenwisseling te beginnen over verschillende doopsbeschouwingen. Wij moeten steeds het doel van IRS voor ogen houden. Tóch lijkt het ons goed, juist ook om de leer Rome-Reformatie te verduidelijken, onderstaande brief op te nemen en te beantwoorden.

Trekt u in IRS van december 1976 niet te gemakkelijk konklusies over de „veronderstelde wedergeboorte"? Deze beschouwing richt zich immers op het werk Gods bij de Doop; en ook de Catechismus zegt, dat de sakramenten dienen tot versterking van het geloof (zd. 25). Daarom gaat Kuiper van de veronderstelling uit dat het „echt" gedoopte kind gewassen is door het bloed van Christus = wedergeboren is. Hij verklaart het dan zó, dat God in het kind reeds de hebbelijkheid of het vermogen van het geloof gelegd heeft. Maar daarop laat hij volgen, en dat vergeet u: „totdat het tegendeel blijkt." U begrijpt dus, dat dit laatste zinsdeel pas mag weggelaten worden, wanneer je persoonlijke heilszekerheid hebt.

Ik weet, er kleven bedenkingen aan deze doopsbeschouwing. Maar geloof me, geen enkele doopsbeschouwing is met de Bijbel in de hand waterdicht. We kunnen het mysterie van dit sakrament blijkbaar niet geheel in één doopsbeschouwing vatten.

A.

ONS ANTWOORD:

Geheel akkoord ga ik met de opmerking dat de rijkdom van de Doop als teken en zegel van het genadeverbond in Christus nooit geheel onder woorden en onder begrippen is te vatten. Daarvoor is dat mysterie al te groot.

Maar laten we dan het mysterie mysterie laten en niet proberen het doorzichtig te maken met menselijke redeneringen. Want menselijke redeneringen brengen scheiding, maar indien wij ons uitsluitend aan het Woord Gods houden, kunnen wij de eenheid van Gods kinderen bewaren.

De Doop verduidelijken met de filosofie van een heiden?

En zonder dat br. P. zich ervan bewust is, gebruikt hij, ter verklaring van het geheim van de Doop, begrippen, die via de scholastiek in de westerse theologie zijn doorgedrongen, maar die afkomstig zijn van de heidense wijsgeer, Aristoteles. Zijn filosofie wordt beheerst door het schema: „actus en potentia" = aanleg en verwerkelijking. Dat is zijn antwoord op de vraag van het worden en het zijn, waarmee de Griekse filosofen worstelden.

Hij heeft dat ook in zijn ethiek doorgevoerd en maakt daar onderscheid tussen de habitus en de daad. Wij hebben daar geen goed woord voor. De vertaling „hebb elijkheid" is wel letterlijk, maar is geen goed Nederlands. De habitus om iets goeds te doen, zou Aristoteles (en de r.-k. scholastiek) een virtus = een deugd noemen. Ik begrijp dat men in protestantse kringen niet graag spreekt over de „deugd" van het geloof, omdat dit onmiddellijk de associatie aan verdienste oproept. Maar daaruit kan men nu juist duidelijk zien, hoezeer wij vastlopen, wanneer wij het geloofsgegeven trachten te systematiseren door gebruik te maken van menselijke, zelfs aan heidense filosofen ontleende, begrippen en stellingen.

Dit scholastieke denken heeft juist de „dood in de pot" gebracht bij de r.-k. theologie. Daardoor kreeg het levende Woord Gods geen kans meer om zijn kracht te openbaren. Gelukkig is daar echter al sinds enkele tientallen jaren een kentering in gekomen. De meeste hedendaagse r.-k. theologen moeten niets meer van deze scholastiek hebben.

Rechtvaardig in ons zelf of in Christus?

Een tweede moeilijkheid, die met deze doopsbeschouwing verbonden is, is dat we dan dicht naderen tot de r.-k. opvatting, dat de mens behagelijk wordt aan God, ómdat hij wedergeboren is.

Dat is immers het diepe, het fundamentele verschil tussen Rome en Reformatie. Rome zegt: God maakt de mens anders en heeft dan de mens lief, ómdat hij niet meer zondaar is, maar rechtvaardige. De grond van Gods welbehagen ligt dan dus niet meer in Christus, maar in de veranderde mens. Christus heeft door Zijn lijden en sterven die verandering van de zondaar verdiend, zo leert ook Rome. Maar wanneer de zondaar eenmaal, op grond van het werk en de verdienste van Christus, veranderd is en een rechtvaardige geworden is, dan heeft God behagen in die rechtvaardige, NIET omdat hem de rechtvaardigheid van Christus van buiten af wordt toegerekend, maar omdat hij nu zelf rechtvaardig is.

Daartegenover heeft de Reformatie altijd gesteld: De mens is en blijft een zondaar en kan, zolang hij leeft, nooit Gods welbehagen over zich trekken door wat hij is. Als de Heere God ons beziet los van Christus, dan zal Hij ieder moment van ons leven moeten zeggen: „Weg ermee, ik wil met die zondaar niets te maken hebben." De enige reden, waarom God welbehagen in ons heeft, is gelegen in Christus, in de Geliefde, in W i e Hij welbehagen heeft, en Wiens welbehagen Hij uitbreidt over ons, gelovigen, voor wie Christus plaatsbekledend tussen beide is gekomen. De grond van onze rechtvaardigmaking ligt dus volgens de Reformatie geheel buiten ons in Christus; die grond ligt volgens Rome binnen ons nl. in de rechtvaardigheid, die wij gekregen hebben en waardoor wij innerlijk zijn omgevormd (wedergeboren), zodat we daardoor in onszelf behagelijk zijn aan God.

Als men nu zó de nadruk legt op de (veronderstelde) wedergeboorte bij de Doop, hoe ontkomt men dan aan die r.-k. visie, dat Gods welbehagen op ons rust vanwege iets in ons nl. de wedergeboorte?

Wij rusten niet in onszelf, maar in Christus

Wanneer wij de Doop zien als een teken en zegel van het genadeverbond, als een bevestiging van Gods trouw aan Zijn belofte voor Zijn volk, dan zijn we, dacht ik, ook in overeenstemming met het Oude Testament, waar de besnijdenis ook een teken en zegel was van de rechtvaardigheid, die men door het geloof ontvangt (Rom. 4:11). (We gaan niet in op de vraag of de Doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen, ja of nee, want dan begeven we ons al te zeer in de diskussie over de Doop. We spreken hier slechts over de Doop inzoverre dat te maken heeft met de verhouding Rome-Reformatie).

In de Bijbel worden we steeds weer opgeroepen om te zien naar de genadige God, om te roemen in wat Hij in eeuwige ontferming aan ons, die in Christus geloven, heeft gedaan.

De Bijbel spoort ons wel aan tot zelfonderzoek, tot erkentenis van onze zonden, maar steeds met de bedoeling om ons daarna te wijzen op Gods goedertierenheid in Christus. Nooit moeten we rusten op iets in ons, ook niet op onze wedergeboorte. Onze rust moeten we altijd zoeken buiten ons in Christus.

De Geest woont in mij, ondanks mijn zondigheid

Maar, zo zal iemand zeggen, een gelovige is toch wedergeboren en er heeft dus bij hem een grote verandering plaats gehad.

Inderdaad, juist dat geloof maakt andere mensen van ons. Door dat geloof richt de Heilige Geest ons op Christus. Hij wordt dan de enige verwachting in ons leven. En door en in dat geloof komt de Heilige Geest in ons wonen en ook de Vader en de Zoon (Joh. 14:23). En je merkt dat ook aan een echte gelovige, dus iemand die wedergeboren werd. Hij spreekt en denkt anders. De Geest, die in hem woont en werkt, straalt Zijn heerlijkheid naar buiten, in ons leven van liefde. Maar nooit woont en werkt de Heilige Geest in ons, ómdat wij nu in onszelf behagelijk zijn geworden aan God, maar juist óndanks het feit dat wij nog steeds zondaars zijn en zonden doen. Hij woont en werkt in ons, ondanks onze zondigheid, omdat die ons niet meer wordt toegerekend en omdat juist de rechtvaardigheid van Christus ons wordt toegerekend. Daarom kan de Heilige Geest in ons wonen en werken zonder in tegenspraak te komen met Zijn eigen heiligheid. En juist dat besef maakt ons alleen nog maar ootmoediger. Zijn aanwezigheid in ons — en met Hem de aanwezigheid van de Vader en de Zoon — doet in ons de neiging ontstaan, die de apostel Petrus aldus tot uitdrukking bracht: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Luk. 5:8).

Het is alleen maar een neiging, want in werkelijkheid willen we natuurlijk niet dat de Heere uit ons vandaan zou gaan. Er is niets heerlijkers denkbaar dan de inwoning van de Drieënige God. Maar van de andere kant voel je je zo beschaamd in de tegenwoordigheid van deze heilige Personen, want nogmaals, al ben ik dan gerechtvaardigd in en door Christus, in mijzelf blijf ik een zondig mens en ik moet dat helaas elke dag vaststellen.

Geen redeneringen, maar eenvoudig geloof

Br. P. schreef nog: „In Joh. 3:3 staat: ,Tenzij iemand wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk niet zien'. En dat pas ik dan ook toe op de kinderen, die vroeg sterven. Nu zegt u misschien: Ja, maar dat geldt alleen voor volwassenen. Maar waar staat dat? Gaat u de Bijbel zo niet uitleggen naar eigen believen?"

Ons antwoord: Ik dacht dat een van de grondbeginselen van goede Schriftverklaring is, dat we een tekst steeds in het verband moeten beschouwen. Christus spreekt daar inderdaad tot een volwassene.

Of en in hoeverre er ook een wedergeboorte voor kinderen nodig is, wordt in die tekst niet gezegd. Willen we toch beweren dat kinderen vóór hun sterven eenzelfde wedergeboorte moeten hebben doorgemaakt als de volwassenen, dan kan dat alleen maar door redeneringen vanuit die tekst. En ook dan hebben we ons weer begeven op de weg naar het r.-k. denken, waar men een heel systeem heeft opgebouwd vanuit zogenaamde redeneringen uit Bijbelteksten.

Het lijkt mij veiliger om steeds bij de Bijbelteksten zelf te blijven. En als we er soms niet uitkomen, dan is het beter om dat te erkennen dan dat we met behulp van onze redeneringen, die voortkomen uit ons door de zonde vertroebelde verstand, het nodige licht proberen te verschaffen. Nogmaals: we moeten dan maar het mysterie mysterie laten.

Echt of niet-echt gedoopt?

Br. P. schreef ook over een „echt" gedoopt kind. Dat houdt in, dat er dus ook kinderen niet echt gedoopt worden.

Zulk een onderscheid vind ik echter nergens in de Bijbel. En hoe kunnen wij tegenover onze r.-k. medemensen standhouden met ons „Sola Scriptura", wanneer wij met onze redeneringen van alles aan de Bijbel toevoegen?

Bovendien wordt de Doop plechtig bediend „in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes" en in het midden van de heilige en waarachtige Gemeente van Christus. Mogen we dan aannemen dat dit soms niet echt gemeend is door God, dat er dan een schijnvertoning, een schijndoop, geen echte Doop, plaats heeft?

Ja maar, zo zal iemand misschien weer tegenwerpen, hoe brengt u dan de Doop in harmonie met Joh. 3:3,5, waar gesproken wordt over de noodzaak van de wedergeboorte om in het Koninkrijk Gods binnen te gaan? Dan zou ik willen antwoorden: Liever laat ik dat onbegrepen naast elkaar staan dan dat ik met menselijke redeneringen over een echte of niet-echte Doop een harmonie zou proberen te forceren.

Bijbelse achtergrond

De leer van de veronderstelde wedergeboorte heeft wél een bijbelse achtergrond. Men is daarbij uitgegaan van wat de Bijbel zegt over het volk Gods in onderscheiding met alle andere volken.

De Gemeente van Christus is Gods uitverkoren volk en de bezegeling van die uitverkiezing is de Doop. Daarom heeft een bediening van het Woord in het midden van de Gemeente een ander karakter dan een straatprediking.

Alles in de Gemeente is anders. De oproep tot bekering is er veel indringender en de vertroosting met de belofte veel direkter en veel rijker. Ook de aansporing tot levensheiliging komt op uit een andere sfeer. Ze klinkt heel anders. De wet komt tot de Gemeente niet met de bedreiging: „Doe dit en anders wacht je die straf", maar met dit hartstochtelijk appèl: „Natuurlijk leef je overeenkomstig Gods geboden, want Hij is toch üw God en u bent de schapen, die Hfj weidt. Hij heeft u uit de slavernij van de zonde gevoerd. Hij is toch immers uw Vader in Jezus Christus".

Maar tegelijk moet daarin dan ook met kracht te beluisteren zijn: „Maar vreselijk is het, wanneer u déze God alleen maar met de lippen, maar niet met het hart, als üw God hebt aanvaard." Want de Heere zegt ook tot Zijn volk: „Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn, waar uw vaders Mij verzochten… veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart en zij kennen Mijn wegen niet" (Ps. 95:7-10 en Hebr. 4:7).

De leer van de veronderstelde wedergeboorte heeft dus een bijbelse achtergrond en ik geloof dat de onjuiste toepassing van die achtergrond daarin bestaat, dat die gebeurd is vanuit ons westerse individualistische denken. Daardoor zag men niet meer het onderscheid tussen het spreken tot een volk, een gemeente, en het spreken tot een lid van dat volk.

En een andere reden is wellicht ook geweest, dat men uit het oog verloor dat de Bijbel een gesprek is van God met de zondige mens, heel in het bijzonder met zijn zondige, maar in genade uitverkoren volk. Men zag de Bijbel méér als een boek, waarin allerlei leer lag opgestapeld, als hét eerste handboek voor de theologie. Daardoor kregen we vanzelf een sterk intellektualistische instelling en wilden we alles in één groot denksysteem onderbrengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Over en weer over de Doop

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's