In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

WIJ ZIJN DIEP GESCHOKT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WIJ ZIJN DIEP GESCHOKT

9 minuten leestijd

„Nadat ik uw artikelen over de methoden van br. Osborn en br. Maasbach om geld te vragen voor hun werk, had gelezen, ben ik in een innerlijk konflikt terecht gekomen. Ik zal u zeggen, waarom.

Mijn man en ik zijn op een heerlijke wijze, door middel van br. Osborn en br. Maasbach, in 1958 tot wedergeboorte gekomen. Uit de hiërarchie van Rome, uit de mist en de duisternis van onze zonden en eigen denken, in het heerlijke Licht van Gods Woord. Eeuwig zal ik de Heere hiervoor danken!

Ook dank ik de Heere voor Zijn knechten, die deze boodschap van heil verkondigen. Maar u hebt er geen goed woord voor over, integendeel …. Het huilt in mij: Hoe kan dit nu? U verkondigt Christus en Die gekruisigd voor onze zonden; zij ook- Al lopen de methoden met name over geld: al of niet vragen en hoe, uiteen, u bent toch broeders?

Br. Hegger, we zijn diep geschokt hierover, juist omdat we net een samenkomst hebben meegemaakt, met deze twee broeders en Anne v. d. Bijl als vertaler. Voor Gods aangezicht hebben deze drie broeders getuigd, dat zij de verantwoording zwaar voelen voor het geld, dat zij via mensen ontvangen en waarvan ze rentmeesters zijn. Ik ga er van uit dat zij oprecht zijn zoals ik dat ook van u geloof.

Nu weet ik maar al te goed dat een kind van God kan dwalen, op welk punt ook, maar ook weet ik dat onze Heiland het dwalende wil terugbrengen.

Br. Hegger, het liefst zou ik met u persoonlijk willen spreken en samen over deze dingen bidden, maar dat zal wel moeilijk zijn, aangezien u br. Osborn een antichrist noemt. Als zij een zonde tot de dood begaan hebben, dan moeten wij niet meer voor hen bidden, maar zien wij een broeder zondigen, niet tot de dood, laten we dan a.u.b. bidden. Er staat: God zal hem het leven geven. 1 Joh. 5:16, 17.

Deze brief kan ik alleen maar schrijven onder tranen. Er is een roep in mijn hart tot ons aller Heere: Maak ons toch één van gevoelen, één van Geest, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag.

Ik weet dat alles in ons leven onder het meetsnoer van Gods Woord moet komen en dat we allen voor Gods rechterstoel moeten verschijnen om verantwoording af te leggen, maar barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

Zoudt u mij willen antwoorden over deze nood over heel deze zaak, waar zoveel zielen mee gemoeid zijn?

De Heere geve u dat wat u nodig hebt, genade en liefde door de Heilige Geest.

Voorburg Z.H.

ONS ANTWOORD :

Allereerst dit: Wat een fijne brief is dit! Wat een geest van oprechtheid, vrede en nood spreekt daaruit!

Het doet mij dan ook pijn dat ik zulk een zuster (en broeder) verdriet heb moeten aandoen. Het zielekonflikt, waarin zij geraakt zijn door mijn artikelen, raakt ook mij heel diep.

Daar komt nog bij dat zij rooms-katholiek zijn geweest en eenzelfde weg naar het bevrijdende Licht van Christus hebben mogen bewandelen. In zulk een geval voel ik meteen een bepaalde verwantschap, een onuitgesproken wederzijds begrijpen. Je bent dan blij met hun blijdschap. En zo ben ik nu bedroefd met hún droefheid.

Misverstand

Eerst wil ik een misverstand uit de weg ruimen, dat blijkbaar ook bij anderen, die mij schreven, gewekt is. Ik had geschreven: Osborn is een anti-christ. Maar ik had had daar uitdrukkelijk een nadere verklaring bij gegeven (zie IRS juni, p. 17-18). Ik had daarbij gewezen op het Griekse woord „anti", dat oorspronkelijk niet de betekenis heeft van „tegen", maar van „in de plaats van". Slechts in die zin had ik Osborn een anti-christ genoemd. Hij schrijft n.1. dat het verbond Gods in werking treedt, wanneer wij onze eerstelingengave naar hem zenden en hij daarover gebeden heeft. Dan is hij, ik kan het niet anders zien, een middelaar tussen God en de mensen, en dus een anti-christ, dat is: iemand die zich in de plaats van Christus stelt. Maar er is slechts één Middelaar Gods en der mensen, de mens Jezus Christus (1 Tim. 2:5).

U en ik, wij komen toch immers uit een kerk, waar voortdurend mensen als middelaars tussen God en ons gesteld worden. De priester is de middelaar Gods, omdat hij alleen de wijdingsmacht bezit, waardoor hij geldig het Avondmaal kan bedienen en zelfs de mis kan opdragen als een „echt en waar verzoeningsoffer" (conc. van Trente). Wij moesten met onze (dood-)zonden naar de priester gaan en die voor hem belijden, anders zouden we voor eeuwig verloren gaan. En dan was er nog Maria als de middelares van alle genaden. Je hoorde tot haar je toevlucht te nemen, want „een kind van Maria gaat nooit verloren", maar van hen die Maria niet vurig wilden vereren, werd gezegd dat zij daardoor hun eeuwig heil gevaar lieten lopen.

Maar ik geef toe, de term „anti-christ" heeft een te zwaar geladen toon onder ons. De meesten verstaan daaronder niet: iemand die zich in de plaats stelt van Christus, maar iemand die zich tegen Christus keert. En dat heb ik in elk geval niet van Osborn en Maasbach willen zeggen. Maar daarom had ik die term beter kunnen vermijden, ondanks de uitleg die ik daaraan gegeven had.

En ik geen geval heb ik willen beweren dat zij de zonde tot de dood, de zonde tegen de Heilige Geest, zouden hebben bedreven.

Ook ik beluisterde Osborn

Maar om nu terug te keren op de kern van de zaak. Ik wil allereerst verwijzen naar de overige artikelen over dit onderwerp in dit nummer.

Vervolgens: ook ik ben in 1958 in Den Haag geweest en heb een samenkomst van Osborn meegemaakt. Ik heb toen beslist geen duidelijke tegenzin in zijn prediking gehad. De inhoud van wat hij zei, heeft me zelfs aan het nadenken gezet, zoals ook Hermann Zaiss al van te voren op de verwaarloosde boodschap van de genezing door het gebed (Jak. 5) gewezen had.

Maar toen stond ook werkelijk niet het geld in het middelpunt, zoals nu het geval is.

God bedelt niet

In de eerste plaats zou ik de vraag willen stellen: Waar blijft het geloof, wanneer wij dergelijke middelen moeten gebruiken om geld bij elkaar te krijgen, ook al is dat voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk? Als ik zo zou moeten bedelen om het werk van IRS in stand te houden en uit te breiden, dan zou ik er voor bedanken. Waarom is het niet genoeg dat wij de noden van ons werk aan onze mede-christenen voorleggen? Als zij echte gelovigen zijn, dan zullen ze uit innerlijke barmhartigheid vanzelf ons helpen om in die noden te voorzien, omdat ze immers uit geloof weten mogen dat de Heere hen uit loutere barmhartigheid gered heeft uit de eeuwige nood van hun zielen. En het is ook steeds onze ervaring geweest dat het geld er altijd kwam, wanneer wij aan de lezers van ons blad rustig, zonder op hun gevoel te werken, een bepaalde nood voorlegden.

De godsdienst van: „Wat krijg ik ervoor?"

En dan, voelt uzelf niet, hoe Osborn en Maasbach u langzamerhand weer terugbrengen tot het roomse idee: Offers (o.a. in geld) brengen om er zelf beter van te worden? U zult toch ook ervaren hebben, toen u wedergeboren werd, dat u alles ineens anders ging zien. Toen was er alleen maar één grote jubel van dankbaarheid om wat u reeds nu en ook voor eeuwig ontvangen had. Alle berekening: „als ik dit doe, dan krijg ik dat" — was van u weggegleden. Was dat niet uw heerlijke bevrijding? Was dat niet uw eerste diepe vreugde: vrij te zijn van die puur egoïstische levenshouding, waardoor je alleen tot aktie kwam, als je dacht er zelf voordeel van te hebben?

En nu wordt u weer onder een sfeer van dienstbaarheid gebracht: Geef uw eerstelingen- gave, zo ruim mogelijk, en je zult er des te groter welvaart en plezier van terug ontvangen. Voelt u zich daaronder gelukkig? Ik kan het me moeilijk voorstellen.

Hij maakte mij nieuw

Toen ik de Christus der Schriften leerde kennen, kwam er een totaal andere houding in mij tegenover God. Voorbij was nu de angst voor de God, aan Wiens strenge eisen ik nooit kon voldoen. Voorbij dat sidderen om de hel, waarin ik terecht zou kunnen komen. Voorbij dat terugdeinzen voor het „verterende vuur". En in plaats daarvan kwam de rustige liefde, die Hijzelf in mijn hart had uitgestort door de Geest, die Hij mij gegeven had (Rom. 5:5); de liefde die spontaan is, die niet meer berekenend is, niet meer werkt voor het loon.

Zeker, ik merk nog altijd de zondigheid in mij. Het egoïsme in zijn vele vormen komt telkens in mij (en in ieder mens) naar boven. Maar daarnaast is er iets anders in mij, is er Iemand anders in mij, de Heilige Geest van de Vader en de Zoon. Daar mag ik mij één mee weten. Hij tilt mij steeds weer uit de zondigheid want „ik ben met Christus gekruisigd en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20).

En weer vraag ik u: Prediken Osborn en Maasbach niet een geheel ander evangelie? Zij houden immers steeds de mensen voor: Geef veel, opdat je des te meer zult ontvangen. En juist van die houding, van dat uit zijn op eigen voordeel, heeft Christus ons willen bevrijden door ons zondige „ik" met Hem de dood te doen ondergaan.

Christus speculeerde niet op onze hebzucht

En dan in' de derde plaats: De Bijbel waarschuwt voortdurend voor het gevaar van het geld. Paulus noemt de geldzucht meerdere malen afgoderij. Christus tekent ons in afschuwelijke vormen de Mammon, de geldduivel.

En zou Hij dan tóch gewild hebben dat wij zó bij elkaar het geld uit de zak zien te kloppen om daardoor „zielen te winnen voor Hem?" Ik geloof het niet. Hij heeft toch immers Zelf een voorbeeld gegeven van uiterste armoede.

„En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem en zeide tot Hem: Meester, ik zal U volgen, waar gij ook heengaat. En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegt" (Matth. 8:19-20). Christus beloofde dus aan zijn volgelingen geen gouden bergen- Hij wees hen integendeel op Zijn eigen armoede. Hij wil niet dat wij Hem zouden volgen om het (meerdere) geld dat we daardoor zouden krijgen. Hij wil dat we helemaal op Hem zouden vertrouwen. „Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Matth. 6:32-33).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

WIJ ZIJN DIEP GESCHOKT

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1977

In de Rechte Straat | 32 Pagina's