In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DISKUSSIE MET PROF. NAUTA VERANDERING TEN GOEDE?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DISKUSSIE MET PROF. NAUTA VERANDERING TEN GOEDE?

12 minuten leestijd

In Centraal Weekblad van 11 sept. schrijft prof. Nauta: „Het is niet langer mogelijk het voluit christelijk karakter van Rome te loochenen".

Het spijt me, maar ik kan het daar beslist niet mee eens zijn. Het spijt me, omdat ook ik graag die uitspraak van prof. Nauta zou beamen. Maar de wens mag nu eenmaal niet de vader van de gedachte zijn. De harde werkelijkheid spreekt een andere taal.

Prof. Nauta zegt: „Sedert de zestiende eeuw hebben zich in die kerk geweldige veranderingen voltrokken, met name ook in de eeuw, welke wijzelf meemaken". Inderdaad, die veranderingen zijn er gekomen, maar waren het veranderingen ten goede?

In de zestiende eeuw was het nog mogelijk de onfeilbaarheid van de paus, de onbevlekte ontvangenis en de lichamelijke ten-hemel-opname van Maria te ontkennen, en tóch lid te blijven van de r.-k. kerk. Sedert de dogma-verklaringen van 1854, 1870 en 1950 is dat niet meer mogelijk.

Tot voor 20 jaar was het niet mogelijk, dat een rooms-katholiek het plaatsbekledende lijden en sterven van Christus loochende. In 1966 echter hebben de Nederlandse bisschoppen een aanbevelend voorwoord geschreven in De Nieuwe Katechismus, die (evenals dr. Wiersinga) uitdrukkelijk het plaatsbekledende lijden en sterven van Christus ontkent (p. 330 e.v.).

Konklusie: tot twintig jaar geleden was er een versterking van het roomse karakter van de r.-k. kerk, sindsdien is er de mogelijkheid van halve of hele vrijzinnigheid in binnengedrongen. Dus in geen van beide gevallen een verandering ten goede, maar ten kwade.

Vervolgens: op het concilie van Trente heeft Rome de vervloeking over het hart van het Evangelie, over de kern van ons reformatorische belijden, uitgesproken (in de zesde zitting). Nu eis ik beslist niet, dat Rome die vervloeking uitdrukkelijk zou herroepen. Maar wil ik deze kerk als christelijk erkennen, dan mag ik toch wel verlangen, dat ze die uitspraak op indirecte wijze herroept. Waar is er echter maar één uitspraak te vinden in een van de documenten van de pausen of de

Nederlandse bisschoppen, waarin duidelijk en positief geleerd wordt, dat de mens gerechtvaardigd wordt door genade en geloof alleen, en door Christus alleen? (Die leer is nl. door Trente veroordeeld.) Waar vindt u in die documenten een spoor van „de enige troost in leven en sterven"?

Integendeel, op indirecte wijze wordt nog steeds deze oude leer (o.a. van de verdienstelijkheid van de goede werken) versterkt o.a. door de voortgaande heiligverklaringen, door de nadruk op het pauselijk gezag, door het onderstrepen van de noodzaak van de Mariaverering enz.

Of zijn er twee wegen om zalig te worden? De weg van genade en geloof alleen en de weg van genade plus eigen verdienste, van geloof plus eigen werken? Ik dacht dat Paulus volkomen duidelijk zegt: Het is niet én…én, maar: of…of. De dwaalleraars van de Galaten preekten ook de noodzaak van het geloof in Christus, maar daarnaast de noodzaak van de werken. En tóch wijst Paulus hun leer af als „een ander evangelie, en dat is geen evangelie" (1:6).

Velp

Antwoord

Bovenstaande opmerkingen van ds. Hegger gaan eigenlijk aan het betoog in mijn artikel (en) voorbij. Niettemin hebben wij geen reden gevonden om er plaatsruimte voor te weigeren. Wilde ik echter op alles wat inzender te berde brengt, werkelijk ingaan dan zou ik een nieuwe reeks artikelen moeten opzetten.

In mijn betoog ging het er om duidelijk te maken, dat — welke ernstige bezwaren ook tegen de roomse kerk en haar leer en inrichting ingebracht moeten worden — haar toch het karakter van (christelijke) kerk niet kan worden ontzegd. Misschien heeft het door inzender opgemerkte de strekking om zulks te ontkennen en die kerk als een schijn- of valse kerk te doen uitkomen. Hij zegt dit evenwel niet met zovele woorden. Daartegenover zou ik er dan op willen wijzen, dat het kerk-zijn niet uitsluitend bepaald wordt door wat die kerk officieel als haar leer en als haar inrichting bekend geeft. In feite kunnen in zo'n kerk allerlei andere factoren hun invloed doen gelden op het aan haar toekomende karakter.

Inzender heeft, ondanks de officiële leer en inrichting van zijn eigen kerk waar hij zich achter wil scharen, gelijk bekend is, ernstige bezwaren tegen wat er in die kerk in feite gaande is, waardoor volgens hem het eigen karakter van die kerk aangetast wordt. Zo kan het eveneens gebeuren, dat in een andere kerk, hoe zeer haar leer en inrichting gerechtvaardigde kritiek wakker roept, de feitelijke situatie (bij haar leden of een deel van haar leden) reden oplevert om er in een meer gunstige zin over te oordelen. En dat is het wat — kort gezegd — naar mijn mening met de roomse kerk aan de hand is, zodat de vroegere opvatting als zou zij een anti-christelijke macht vertegenwoordigen, niet langer valt te handhaven. Ondanks alles, moet zij meetellen als een (christelijke) kerk naast andere kerken. Door dit uit te spreken, betuig ik allerminst en in geen enkel opzicht instemming met allerlei dwaalleer en praktijk van de roomse kerk. In het verband van mijn artikelenreeks acht ik het niet nodig in bijzonderheden in te gaan op de mate en de geaardheid van veranderingen, die zich sedert de zestiende eeuw in haar midden hebben voltrokken.

Mocht inzender aan de roomse kerk elk christelijk karakter willen ontzeggen, dan verschillen wij in dat opzicht met elkander van mening.

Antwoord aan prof. Nauta:

1. Wij moeten een kerk kunnen aanspreken op haar officiële belijdenis. Een kerk aan wie gevraagd wordt: „Wat is uw belijden?" en alleen maar verwijst naar de verschillende opinies die er leven onder de leden van die kerk, houdt daarmee op kerk te zijn. Ze is dan alleen maar een verzameling van mensen met soms de meest uiteenlopende opvattingen, die slechts door een bepaalde kerkorde verenigd zijn in één kerkinstituut.

2. Ik heb de r.-k. wereldkerk aangesproken op haar officiële belijdenis, zoals ze die onlangs in het tweede Vatikaanse Concilie opnieuw heeft uitgesproken; en de Nederlandse r.-k. kerk op haar belijdenis in de Nieuwe Katechismus, die in 1966 met goedkeuring en aanbeveling van alle destijds levende bisschoppen van Nederland verschenen is.

3. Op grond van dat officiële belijden van de r.-k. wereldkerk en van de r.-k. kerk van Nederland poneer ik met alle beslistheid dat deze kerk elk wezenlijk kenmerk van de gemeente van Christus mist en in tegendeel duidelijk de kenmerken vertoont van de antichristelijke machten, die in de loop der eeuwen altijd werkzaam zijn geweest en die zich tegen het einde der tijden zullen openbaren in het grote religieuze wereldrijk van de Antichrist.

Immers een kerk, die onder vervloeking het Evangelie van Jezus Christus op het concilie van Trente heeft afgewezen en deze vervloeking op indirekte wijze herhaald heeft op het tweede Vatikaanse Concilie, kan nooit gemeente van Christus zijn dwz. een gemeenschap, waar Christus de Zijnen vergaderd wil zien. Christus kan toch immers niet willen dat de Zijnen zich voegen bij een gemeenschap, die onder de meest krasse bewoordingen („anathema sit") Zijn Evangelie van de „zaligmaking door genade en geloof alleen" heeft afgewezen en die in de plaats daarvan een ander evangelie verkondigt nl. van de zaligmaking door genade (verstaan in de zin van een via de r.-k. sakramenten ingestorte bovennatuurlijke kracht) plus de goede werken.

4. Waarom ik nog in de gereformeerde kerk (en anderen in de Ned. hervormde kerk) meen te kunnen (en voorlopig: moeten) blijven, is juist dat deze kerk nog steeds officieel de goede belijdenis verkondigt. De zonde van deze beide kerken is dat ze die belijdenis niet voldoende handhaven door de tucht. De vraag is echter of je vanwege de zonde van kerkleden een kerk mag (moet) verlaten. Wel moet ieder zich op duidelijke wijze van een zondige koers van de kerkleiding distanciëren. Dat doet bv. de Gereformeerde Bond binnen de Ned. hervormde kerk, en de vereniging „Schrift en Getuigenis" binnen de gereformeerde kerk. De vraag is of dit zich duidelijk en openlijk distanciëren ook inhoudt dat je het lidmaatschap van die kerk opzegt en een ander kerkje begint of zich aansluit bij een van de vele reeds bestaande afgescheiden kerken. U begrijpt dat we in IRS daarover geen diskussie kunnen beginnen.

5. Voor alle duidelijkheid: ik ontzeg dus elk waarachtig christelijk karakter aan de r.-k. kerk en ben overtuigd dat haar karakter wezenlijk anti-christelijk is. Daarom meen ik dat de kerken, die mét deze r.-k. kerk een Raad van Kerken zijn aangegaan, het oordeel Gods over zich afroepen.

Bovenstaande hadden wij naar Centraal Weekblad gezonden ter plaatsing. De meeste bladen, ook Centraal Weekblad, hebben echter als redaktiebeleid, dat na een antwoord op een ingezonden stuk geen gelegenheid meer wordt gegeven voor een weerwoord. Zodoende kon mijn weerwoord niet geplaatst worden. Wij zijn echter in het verleden vaak van die algemene journalistieke gedragslijn afgeweken en hebben soms woord en wederwoord lang toegepast. We doen dat ook nu en laten hieronder het antwoord van prof. Nauta op mijn wederwoord volgen.

Prof. Nauta:

Ik beperk mij tot enige opmerkingen met betrekking tot het hoofdpunt, dat tussen ons in diskussie is. Dat is de beschouwing omtrent de r.-k. kerk.

Door u wordt aan haar elk waarachtig christelijk karakter ontzegd; zij wordt uwerzijds in haar karakter als wezenlijk anti-christelijk omschreven.

Naar mijn mening valt die voorstelling niet te handhaven. Ik voer daarvoor de volgende gronden aan:

1. In die kerk wordt nog altijd de Bijbel gelezen en uit de Bijbel gepredikt. En overal waar het Woord Gods is, ook al wordt de Bijbel „onder een deksel" gepredikt, daar is ook Christus om Zijn Evangelie te vergezellen en er werking van te doen uitgaan.

2. Het karakter van een kerk wordt niet enkel bepaald door haar organisatie en haar officiële institutaire inrichting, maar ook en zelfs vooral door het geloof van haar leden; de kerk is steeds de verzameling van gelovigen of van wie zich voor gelovigen uitgeven. Zodoende kan het gebeuren dat er in een kerk met ketterse en misschien antichristelijke „belijdenis" toch in feite een levende gemeente van ware christenen zich vertonen.

3. Een kerk die nog altijd in haar officiële dokumenten verwijst naar de Bijbel en op allerlei wijze een beroep doet op uitspraken van de Bijbel, zij het dan naar het oordeel van buiten die kerk staanden ten onrechte, kan op uitspraken van diezelfde Bijbel worden aangesproken. Er is dusdoende voor andere christenen een gemeenschappelijke basis, waarop men elkander ontmoeten kan en ook van de bedoelde zijde een ontmoeting aanvaard wordt.

Een en ander is voor mijn besef voldoende om de gedachte als zou de r.-k. kerk een wezenlijk anti-christelijke macht vertegenwoordigen, te weerleggen.

ONS ANTWOORD:

ad 1. Ook in puur vrijzinnige kerken wordt nog uit de Bijbel gelezen en uit de Bijbel gepredikt. Dat gebeurt ook in de samenkomsten van bv. de Getuigen van Jehova. Kan men kerken of genootschappen, waar men op grond van de Bijbel meent te moeten (en te kunnen) aantonen, dat Christus niet de enige en volkomen Zaligmaker is, die de schuld van onze zonde wegnam, nog echt gemeente van Christus noemen? Wil Christus daar de Zijnen rondom Zich vergaderen? (De gemeente is toch immers de vergadering van de gelovigen rondom Christus.) Ik meen van niet.

Laten we ook niet vergeten dat het Woord Gods niet slechts „een reuk des levens ten leven", maar ook een „reuk des doods ten dode" (2 Kor. 2:16) kan zijn.

ad 2. Allereerst mijn principiële bezwaar daartegen. Een kerk die als gemeenschap van 'christenen' een belijdenis handhaaft, die anti-christelijk van inhoud en strekking is, kan volgens mij onmogelijk gemeente van Christus zijn. Dat anti-christelijke karakter van die kerk als zodanig verandert niet vanwege het feit dat er binnen die kerk nog echte chistenen zijn, die (nog) niet zien dat ze zich moeten afscheiden van een kerk, die zich in haar leer stelt tegenover de Christus der Schriften.

En dan een praktisch bezwaar. Ik heb zéér weinig roomskatholieken ontmoet, zowel vóór als na mijn overgang naar de Reformatie, die met hun hart leefden uit de belijdenis van de rechtvaardigmaking van de goddeloze (ook al hingen ze louter met hun verstand de leer aan van de r.-k. kerk, dat je het eeuwige leven „werkelijk" kunt „verdienen" — vere mereri — op grond van je goede werken). Wanneer protestanten rooms-katholieken horen zeggen dat zij ook het „Sola Gratia — alleen door genade" belijden, dan bemerken zij niet dat de rooms-katholieken onder het woord „genade" iets heel anders verstaan dan de protestanten. Zij verstaan daar onder „een bovennatuurlijke, ingestorte kracht", waardoor de mens in staat wordt gesteld om zulke goede werken te verrichten, dat hij daardoor waarlijk het eeuwige leven kan verdienen. De Reformatie echter verstaat onder genade niet iets in de mens, maar iets buiten de mens, nl. Gods goedgunstige en barmhartige liefde, waardoor Hij om wille van de verdiensten van Christus ons onze zonden vergeeft en ons als Zijn kinderen aanneemt.

ad 3. Ook de dwaalleraars van de Galatenbrief beriepen zich op de Bijbel om aan te tonen, dat de mens niet alleen gerechtvaardigd wordt door de toerekening van de verdienste van Christus, maar óók door de goede werken van de mens. En toch zegt Paulus over deze dwaalleraars: „Vervloekt zijn zij". Die vervloeking treft dus ook de r.-k. kerkleiders, die dezelfde leer aanhangen als de dwaalleraars van de Galatenbrief. Kan een kerk, waarvan de leiders aldus door de Bijbel zelf vervloekt zijn vanwege de verkeerde leer, die zij verkondigen, gemeente van Christus zijn? Wil Christus dat de Zijnen samenkomen onder de prediking van zulke dwaalleraars? Ik meen van niet. Ik ben juist overtuigd dat Christus wil, dat ze zo spoedig mogelijk zulk een anti-christelijk (= anti de Christus der Schriften) kerk verlaten en zich voegen bij een gemeente, waar de Christus verkondigd wordt in getrouwheid aan de Schrift.

Vervolgens heeft de r.-k. kerk nog maar pas in het tweede Vatikaanse Concilie opnieuw het dogma uitgesproken, dat zij juist niet aanspreekbaar is op de Bijbel. Daarin wordt gezegd dat de dogmatische uitspraken die de paus „ex cathedra" doet, „krachtens hun eigen aard en niet krachtens de instemming van de gelovigen, als „onherroepelijk" (letterlijk: irreformabiles = niet vatbaar voor reformatie) gekenmerkt". Ze zijn dan ook niet „vatbaar voor beroep op enig ander oordeel" (Dogmatische Constitutie over de Kerk, nr. 25). Deze dogmatische constitutie is destijds door alle bisschoppen van de wereld, ook van Nederland, mede ondertekend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DISKUSSIE MET PROF. NAUTA VERANDERING TEN GOEDE?

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's