KONINGIN DES HEMELS
BID VOOR ONS
In de paastijd was een van de liturgische gebeden van de r.-k. kerk:
Toen ik dezer dagen weer eens Jeremia 44 las, dacht ik: Vreemd dat mij dat vroeger nooit is opgevallen. (Nu lag dat waarschijnlijk ook daaraan, dat wij, roomskatholieken, ook priesters, heel weinig in de Bijbel lazen. Misschien is dat nu, althans bij de priesters, in gunstige zin veranderd. Laten we het hopen.)
In Jeremia 44 wordt de verering van de „Koningin des hemels" door de joden in Egypte met nadruk verboden. (De kommentaren zien in deze Koningin des Hemels dezelfde godin als Astarte, de godin van de wellust en de vruchtbaarheid.) Hoe is het dan mogelijk, dat eeuwen later door 'christenen', die in navolging van Christus een godsdienst „in geest en in waarheid" (Joh. 4) behoren te verkondigen, opnieuw iemand vereerd wordt precies onder dezelfde naam: „Koningin des hemels".
Uit de kommentaren blijkt dat de koeken, die de joodse vrouwen voor deze „Koningin des hemels" bakten, stervormig waren. (Zie o.a. W. Hermann, Astärt, Mitteilungen des Instituts für Orientforschung 15 (1969), p. 6-52.) De Venusster (Astarte) werd gezien als de „Koningin des Hemels". Merkwaardig dat ook Maria, de Moeder des Heeren, onder het beeld van een ster vereerd wordt, o.a. in Maastricht als „Sterre der Zee".
Beschamend
Evenals de aanhangers van Osborn en Maasbach wezen de joden in Egypte op de wonderen, die door de bemiddeling van deze „Koningin des Hemels" zouden zijn verkregen. (N.B. De Statenvertaling heeft het woord onvertaald gelaten: „Melécheth des hemels".)
De joodse vrouwen antwoordden aan Jeremia (en nu citeer ik met opzet de r.-k. vertaling):
„Wij houden ons aan onze belofte. (Vermoedelijk hadden ze vóór hun vertrek naar Egypte aan de Koningin des Hemels beloofd een aantal offers te brengen voor haar beeltenis, wanneer ze veilig zouden overkomen. H.J.H.) We brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin des hemels, zoals wij vroeger deden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, wij en onze voorvaderen, onze koningen en edelen". (Inderdaad: „Bij de opgravingen in Palestina zijn veel beeldjes van Astarte, als naakte vrouw voorgesteld, gevonden. Het is beschamend dat deze beeldjes juist uit de tijd der Israëlieten zo talrijk zijn". Aldus prof. dr. W. H. Gispen in „Bijbelse Encyclopedie" onder het woord „Astoreth". Zal het niet evenzeer beschamend zijn, wanneer bij opgravingen in later eeuwen juist in het christelijke westen zoveel Mariabeelden en beeldjes gevonden worden? H.J.H.)
„Toen hadden wij eten in overvloed; het ging ons goed en rampen kenden wij niet. Maar sinds wij daarmee zijn opgehouden, hebben wij aan alles gebrek en komen wij om door het zwaard en de honger".
Een spierinkje uitgooien om een kabeljauw te vangen
Dergelijke berichten kunt u ook lezen in allerlei r.-k. bladen ter ere van Maria. Daar worden ook „gunsten" vermeld, die door haar voorspraak zouden zijn verkregen. En in de Maria-bedevaartplaatsen treft u allerlei ex-voto's aan, afgietsels of afbeeldingen van armen, benen enz. die door bemiddeling van Maria zouden zijn genezen.
Precies zo redeneert Osborn in „Nieuw Leven" van sept. 76 in zijn artikel: „Jezus' weg tot een leven van sukses". Hij spreekt daar over het „kontrakt van God", waardoor God Zich verplicht heeft onder bepaalde voorwaarden weelde te schenken. Je moet dan je eerstelingoffer van je salaris brengen voor een goed doel (bv. voor aktiviteiten van Osborn en Maasbach). Die eerstelingengave is dan als een soort zaad, dat honderdvoudig vrucht oplevert. Letterlijk: „Uw geplante ZAAD-geld is de enige zekere basis van uw financiële welvaart". (Overigens schrijft ook Maasbach precies hetzelfde o.a. in zijn artikel „Geloofsdaad" in Nieuw Leven van aug. 76.)
Ik moest even deze uitwijding doen om aan te tonen, dat dergelijke afdwalingen algemeen menselijk zijn. De mens wil graag God of goddelijke machten inschakelen voor het karretje van eigen succes en welvaart, of althans voor eigen vrome plannen.
Wee u!
Jeremia moet dan van Godswege verklaren, dat de rampen die hen getroffen hebben, juist een straf zijn, omdat ze zich niet aan Gods Woord gehouden hebben. En hij vervolgt: „U zegt: Wij houden de belofte die we gedaan hebben; wij brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel. Houdt die belofte dan maar en komt ze na. Luister echter naar het Woord des Heeren, mensen van Juda die in Egypte woont..."
En dan kondigt Jeremia de straf aan, die hen'zal treffen vanwege deze nieuwe ongehoorzaamheid in Egypte.
En zou de Heere hen die de „godsdienst in geest en in waarheid", die Christus is komen brengen, kennen en toch tot de verering van de Koningin des Hemels zijn overgegaan, minder zwaar straffen? Nee, beslist niet.
Christus zeide: „Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben" (Matth. 11:21). Zou de Heere nu niet zeggen: „Wee u, gij, vereerders van de Koningin des hemels, en gij, leden van protestantse kerken die de weldaad van de Reformatie hebt leren kennen en tóch oecumene bedrijft met de r.-k. kerk, die deze verering van de Koningin des Hemels aanmoedigt! Wee u, want wanneer de joden destijds in Egypte zoveel openbaringslicht zouden hebben ontvangen als u, ze zouden zich bekeerd hebben".
Verdraaglijker in de oordeelsdag
Christus voegt eraan toe: „Doch ik zeg: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan u" (vs. 22). Zo zou ook ik willen zeggen: Het zal de joden van destijds in Egypte verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan de 'christenen', die ondanks de duidelijke openbaring in het Nieuwe Testament toch zich nog hebben schuldig gemaakt aan de verering van de Koningin des Hemels; en het zal de rooms-katholieken die de Bijbel veel minder kennen, verdraaglijker zijn in de dag des oordeels, dan de protestanten die met de Schrift zijn opgegroeid en nochtans oecumene met hen bedrijven o.a. in de Raad van Kerken en aldus indirekt hun goedkeuring geven aan deze verering van de Koningin des Hemels overeenkomstig het gezegde: „Wie zwijgt, stemt toe" en overeenkomstig Ez. 33:7-9.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
