Hoera voor de vrome mens?
Wat mij in allerlei piëtistische kringen zo tegenstaat, is dat daar steeds maar weer de vrome mens in het middelpunt staat. (Dat piëtisme heeft de meest uiteenlopende vormen. We vinden het terug in uiterst „zware", maar evenzeer in uiterst „lichte" kringen en groepen).
En ik meen dat deze tegenzin van mij bijbels gegrond is. Het is waar, dat in de Bijbel sterk de nadruk wordt gelegd op het geloof van de mens. Maar dat is nooit met het doel om de gelovige mens te verheerlijken vanwege zijn geloof, maar om God groot te maken, die uit pure barmhartigheid aan mensen, die de eeuwige dood verdienden, beloften geeft, waarop zij vast mogen vertrouwen.
Wanneer Christus spreekt over een geloof dat bergen verzet, dan is het beslist niet Zijn bedoeling, dat we allemaal in een kring gaan staan om zulk een mens, die tot dat geloof kwam en voor hem in de handen klappen. Nee, dan wil de Heere benadrukken, dat God door niets in ons wordt bewogen tot het doen van wonderen. Het komt allemaal van Hem. We ontvangen niet door te doen, maar door te geloven.
En dat blijkt nog duidelijker, wanneer we de Schrift horen zeggen, dat ook het geloof een gave van God is. Dat betreft allereerst het zaligmakende geloof, maar ook het wondergeloof. God schenkt slechts Zijn gave op grond van Zijn belofte en op grond van het geloof, dat Hijzelf in ons gewekt heeft.
De uiterste vorm van deze verheerlijking van de vrome mens vinden we in de r.-k. kerk. Een heiligverklaring vind ik een van de meest weerzinwekkende dingen, die er bestaan. En de daarop volgende verering van die „heilige" in allerlei kerken moet wel een gruwel zijn in de ogen van de heilige God.
En wanneer die „heiligen" echte kinderen Gods waren, dan moet het ook voor hen vreselijk zijn, wanneer ze daar weet van zouden hebben.
Zij stemmen immers ten volle in met wat Paulus van zichzelf zei: „Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont" (Rom. 18). En zij kennen de vermaning van Paulus: „Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet" (Gal. 5:16). Ze weten hoe Paulus beschrijft dat er in de wedergeboren mens twee beginselen huizen, die strijd met elkaar voeren: de Geest en het vlees. (Bij de niet-wedergeboren mens is er alleen maar het vlees). Die twee voeren strijd met elkaar: „Want het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees" (vs. 17).
Ik ben dus na mijn wedergeboorte niet een mens, die ineens allerlei goede hoedanigheden erbij heb gekregen (zogenaamde ingestorte deugden). Ik ben dezelfde zondige mens gebleven, maar in mij woont sindsdien de Heilige Geest. En al het goede dat ik verricht, is niet een gevolg van mijn eigen zogenaamde ingestorte deugden, maar is enkel een vrucht van de in mij wonende Geest (Gal. 5:22).
Kinderen Gods weten dat en daarom kunnen ze alleen maar gruwen van elke verheerlijking, die anderen hen zouden willen toebrengen op grond van hun vroomheid of van hun groot geloof. Zij weten het: „Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde" (Rom. 7:14). Zij kunnen alleen maar juichen in de God des heils, die uit pure verkiezende genade hen uit de duisternis getrokken heeft naar Zijn wonderbaar licht en aan Wie dan ook uitsluitend alle eer toekomt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
