DE AARDE IS DES HEEREN
De tekening die u hiernaast ziet afgedrukt, vonden wij in een boek uit de vorige eeuw. Ze is blijkbaar bedoeld als een aansporing tot liefdadigheid. Maar is dit de liefdadigheid, die de Bijbel bedoelt?
We menen van niet. En wel om verschillende redenen. In de eerste plaats stelt zich de vraag: Is deze enorme tegenstelling tussen de luxe van deze bezittenden tegenover de armoede van deze bezitslozen in overeenstemming met wat we lezen in Hand. 4:32-37? Of hoeven wij niet te leven uit de geest, waaruit die eerste gemeente sprak en handelde? Natuurlijk hoeven wij hen niet letterlijk na te volgen, want zulk een voorschrift vinden we nergens in de Bijbel. Zij verkochten hun stukken grond of huizen om de armen te kunnen helpen. Zij hadden alles gemeenschappelijk. Ze beschouwden hun bezittingen niet meer als persoonlijk eigendom, ofschoon zij daarmee niet het systeem van het eigendomsrecht wilden opheffen.
Maar het verlangen om de armen te helpen is wél voor alle tijden. En ieder van ons zal, wil hij met recht de naam „christen" dragen, moeten nagaan, hoe hij dat het best kan doen. Dat zal zeker niet het geval zijn, wanneer je je goederen zou verkopen en aan de armen zonder meer zou uitdelen. In het kader van onze economische verhoudingen zou je je doel, het helpen van de armen, daarmee beslist niet bereiken.
Dat doe je echter wel, wanneer je in soberheid en eenvoud leeft. Zulk een overdaad en weelde, zoals op deze tekening wordt tentoongespreid, lijkt ons niet bijbels. En vervolgens: is heel die neerbuigende liefdadigheid niet zeer kwetsend? Dit is niet meer weldoen aan een naaste, maar aan iemand die een wezen van lagere orde lijkt. Hier lijkt de een verre beneden de ander te staan. Dat wordt ook in heel de tekening tot uitdrukking gebracht. Wordt op deze manier niet het beeld Gods, waarnaar ook deze arme vrouw met haar kind geschapen is, onteerd?
En dan: wat een opvoedkunde! Dat onuitstaanbaar opgedofte meisje mag dan het kommetje soep aan de voor haar neergeknielde vrouw uitdelen. Daar zit dan de bedoeling achter om reeds vroeg aan dit kind te leren, dat ze liefdadigheid moet beoefenen.
Maar … blijkbaar dringt het tot deze opvoeders niet door, dat dit weer een nieuwe vernedering betekent voor die arme moeder, die blijkbaar als opvoedingsmiddel gebruikt wordt. Dat zij ook nog een mens is met eigen hart en eigen gevoelens, wordt hier helemaal vergeten.
En wat een akelig superioriteitsgevoel breng je op deze manier zo'n kind bij! Haar stinkende zelfgevoel wordt zo versterkt op dubbele wijze: allereerst wordt haar ingeprent dat zij tot de zeer bevoorrechte klasse behoort; en vervolgens wordt haar een vals besef van deugdzaamheid bijgebracht. Zij zal dan ook later niets begrijpen van de opstandigheid van de bezitslozen. Ze zal zich verlustigen in haar „eigendomsrecht" en in haar neerdalende goedheid, waarmee ze soms een kruimeltje van haar rijk gedekte tafel laat vallen voor de behoeftigen.
Hoe kan een christen, die gelovig belijdt, dat Christus die rijk was, om onzentwil arm werd om ons die arm waren, rijk te maken (2 Kor. 8:9), ooit in overdaad leven, zeker in onze tijd nu wij weten dat jaarlijks miljoenen van de honger sterven?
In onze tijd stelt zich steeds meer de vraag: Heeft het eigendomsrecht toch niet bepaalde begrenzingen? Die vraag is gewettigd, omdat het eigendomsrecht nooit absoluut kan zijn. De aarde is immers des Heeren.
In Deut. 15:4 zegt Mozes, dat er in Israël geen arme zal zijn, wanneer men daar Gods geboden onderhoudt. Armoede is dus beslist niet door God gewild. Even later lezen we echter: „Armen zullen nooit in het land ontbreken" (vs. 11). Mozes gaat dus daarbij uit van de zekerheid, dat men ook in Israël Gods geboden niet goed zal volbrengen. Maar dat neemt niet weg, dat de armoede tegen Gods bedoeling is.
Wordt het eigendomsrecht niet begrensd door de zogenaamde sociale rechtvaardigheid? Wanneer wij mensen, die de hongerdood dreigen te sterven, voedsel aanreiken, is dat dan het schenken van een aalmoes, is dat alleen maar liefdadigheid? Of hebben deze mensen daar op een of andere manier recht op nl. omdat de Heere nooit iemand aldus het eigendomsrecht op zijn bezit heeft willen geven, dat wij slechts vanuit onze neerbuigende goedheid een medemens in zijn uiterste nood helpen? Heeft de Heere op een of andere manier aan alle mensen het recht gegeven om zoveel van de goederen van Zijn aarde te ontvangen, dat ze daardoor een menswaardig bestaan kunnen leiden?
Het antwoord op deze vraag is ook heel belangrijk voor de christelijke politiek. De sociale wetten zijn een inperking van het eigendomsrecht. De overheid mag die wetten nooit uitvaardigen, wanneer wij slechts uit liefdadigheid en niet krachtens sociale rechtvaardigheid verplicht zouden zijn de armen te helpen. De overheid kan ons immers nooit verplichten tot liefdadigheid. Maatregelen van de overheid kunnen slechts op recht gebaseerd zijn.
Natuurlijk betekent het recht op een menswaardig bestaan niet, dat we dat recht op een onmenselijke wijze zien te verkrijgen nl. door bloedvergieten of geweld. Revolutie blijft zonde.
Met deze en dergelijke vragen worstelen onze broeders en zusters, met name in Latijns Amerika. We gaan in dit nummer opnieuw luisteren naar dhr. Vermaat, die ons een beeld schetst van de ontwikkeling van het rooms-katholieke theologische denken op dit gebied. Maar we laten ook enkele reformatorische christenen uit Latijns Amerika zelf aan het woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
