GENADE
Een hand die het zwaard omklemt. Een hand die moet toeslaan.
Maar…een hand die zich opent, die het zwaard laat vallen. Een hand die zich opent om te geven, om het liefste te geven. „Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3:16).
„…God, onze Zaligmaker, die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2:3-4).
Hoe kan dat nu? „Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Jezus Christus, die zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen" (vs. 5).
„Tot een rantsoen", dat is: tot een losprijs. Hij nam mijn schuld op Zich en daardoor werd ik vrij, verzoend met de heilige God, die nu in Hem mijn genadige Vader is geworden.
Mijn zonde doet de weegschaal doorslaan. Maar Zijn lijden en sterven brengt de schaal weer in het evenwicht, volmaakt, in een zuivere lijn, zodat God mij in Hem beschouwt als had ik nooit zonde gedaan.
„Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus, gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld… tot prijs van de heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde, in Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed" (Ef. 1:3-7).
Maar dat kán niet! En reeds komen de farizeeërs, de mensen van de eigen gerechtigheid, aandraven. In hun handen hebben ze de stenen om te gooien naar de overspelige vrouw, die gebroken om haar zonde alleen nog maar hoopt op genade, stenen om te gooien naar Christus, die zulk een oneindige genade verkondigt, naar Paulus, naar Petrus, naar Johannes, naar Luther, naar Calvijn, naar al Gods dienstknechten, die dit Evangelie uitdragen in een zuchtende en wanhopige wereld.
En met het schuim van de verbittering en het fanatisme op hun lippen hijgen ze: „De wet! De wet! Recht! Recht! Het zwaard, het zwaard!"
Maar Jezus treedt hen, stralend in Zijn goddellijke rust, tegemoet en vraagt:
„Wat is in de wet geschreven?" en dwingt hen tot hun zelfveroordeling, wanneer zij de wet van de zuivere liefde tot God en de naaste moeten opzeggen en Hij eraan toevoegt: „Doe dat en gij zult leven" (Lukas 10:25-37). Inderdaad, het is een komische en tegelijk tragische tegenstelling: deze mensen, die met hun verbeten gezichten het gebod van de volmaakte liefde uitspreken.
Gezegend de mens, die de genade heeft ervaren in zijn leven. Gezegend hij, die als een verloren zoon of dochter gezien heeft, hoe God naar hem toesnelde, niet met een gebalde vuist om hem in rechtvaardige toorn neer te slaan, maar met geopende armen om hem te omhelzen als een vader.
Gezegend is zulk een mens, want ook hij kan dan alleen maar genade en mildheid uitstralen in zijn leven. „Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof" (Ef. 2:8).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
