WIJ WILLEN EEN… KONING
Onuitsprekelijk is de heerlijkheid van de genade Gods. Zijn heilsplan met hen, die in Christus geloven, is wonderbaar.
Hij wil ons door Christus helemaal vrij maken, vrij van onszelf, van ons zondige ik, vrij van andere mensen. Hij wil ons maken tot zonen en dochters van Hemzelf, tot kinderen die de vrije toegang hebben tot Zijn vaderhuis en tot Zijn koninklijke troon. Waarom? Hij wil nu eenmaal geroemd worden vanwege Zijn genade. Zo leert de Schrift ons. „O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods!" (Rom. 11:33).
Maar het lijkt wel of wij die vrijheid maar moeilijk aan kunnen en aan willen. Wij durven niet zuiver God als enige Koning en Vader aanvaarden.
Dat is volkomen juist en begrijpelijk, wanneer wij de genade niet zouden kennen. Dan is het een heel natuurlijk gevolg dat we sidderend wegkruipen en uitroepen: „Dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven" (Ex. 20:19). Dan ligt het voor de hand, dat we om een menselijke middelaar vragen: „En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons en wij zullen horen".
Maar de Heere had Zich aan Zijn volk, ook reeds in het Oude Testament, duidelijk geopenbaard als de barmhartige God van het genade-verbond. Hij was de tien geboden aldus begonnen: „Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egvpteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb" (Ex. 20:2), d.w.z. Ik ben de God van de genade en van de vergeving. Vertrouw op Mij en Ik zal u voeren naar het beloofde land van de eeuwige rust.
Maak ons goden!
En als Mozes, de middelaar van het Verbond van de Sinaï (Gal. 3:19) wat langer dan ze verwacht hadden, op de berg bij God verblijft, zeggen ze tot Aaron: „Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet wat er met hem geschied is" (Ex. 32:1). De massa moet iets kunnen zien en tasten. De godsdienst „in geest en waarheid"
(Joh. 4:23) is te moeilijk voor hen. Ze zijn traag en log van hart. Ze willen de begeerten van hun vlees, hun zondige natuur, volgen. Ze willen nuchter en zakelijk zijn, met beide benen op de grond staan. En tegelijk zijn ze zo angstig. Ze moeten iets tastbaars, iets heel dicht bij zich kunnen hebben, iets waaraan ze zich vergapen kunnen, ook al is het slechts een schone schijn, een vage religieuze droom.
„Mij hebben zij verworpen"
Hoe prachtig had God het niet met Israël bedoeld. Zij zouden een theokratie krijgen, dat is: een Godsregering. God Zelf zou hen leiden. Hij zou dat doen door middel van Zijn richters en profeten, die Hijzelf zou verwekken en roepen, wanneer Hij dat Zelf nodig zou oordelen.
Maar we lezen al vrij spoedig, dat de oudsten (!) van Israël bij Samuël in Rama komen en eisen: Stel een koning over ons aan!
Hoe serieus God dat neemt blijkt daaruit, dat Hij tegen Samuël zegt: „Zij hebben niet u verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn".
En als Samuël hen dan op Gods bevel heeft voorgehouden, hoe zulk een koning zal zijn, hoe hij hen als een tyran vaak zal uitbuiten, dan klinkt het: „Nee, maar er zal een koning over ons zijn" (1 Sam. 8).
Wij willen een paus
De diep-menselijke trek van de massa, van hen, die de brede weg van het verderf verkiezen boven het nauwe pad van de persoonlijke, innige en vreugdevolle overgave aan Christus, zien wij altijd opnieuw in de geschiedenis, ook van het christendom.
Christus had uitdrukkelijk gezegd: „Ik zal u niet als wezen achterlaten". „Ik zal u een andere Parakleet, Trooster, zenden, de Geest der Waarheid" (zie o.a. Joh. 14:16-18).
Die Geest zou dus de plaats innemen van Christus, totdat Hij wederkomt. Maar als de Middelaar van het Nieuwe Verbond lang vertoeft, ook dan zoeken de christenen naar menselijke middelaars en naar allerlei uiterlijke dingen, ceremonieën, beelden, instituten, naar iets en iemand, die ze kunnen zien en betasten, wiens voeten ze kunnen kussen. Dan klinkt de roep: Wij willen een paus.
We vinden die trek ook bij protestanten. Hoe kán het ook anders, want het is zo diep menselijk en dus zo diep zondig.
Ook protestanten zoeken hun religieuze leiders, hun koningen, hun pausen. Ook zij willen iets hebben wat ze kunnen zien, horen en ruiken. Vandaar de steeds uitbundiger liturgie.
En dan tref je verder precies dezelfde uitingen aan als bij de rooms-katholieken. Ook protestanten verdedigen hun pausen en hun gouden kalveren met fanatisme en hartstocht. Ze stormen met de stenen in de hand op je af, wanneer je uitingen van hun geliefde leiders durft te toetsen aan het Woord Gods. Dan blijkt opeens hoezeer het beginsel van de Reformatie: „Alleen de Schrift" bij hen slechts een voze leuze was, maar geen zaak van het hart. Want hun leiders proklameren ze dan als „gezalfde Dienstknechten van God", en daarom mag je dus hun uitlatingen en praktijken niet aan Gods Woord toetsen. En ze citeren daarvoor zelfs een Bijbelwoord (hoewel geheel uit zijn verband gerukt): „Raak Mijn gezalfde niet aan".
Staat in de vrijheid!
Met diepe bewogenheid roept Paulus de Galaten, roept hij óns toe: „Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt" (Gal. 5:1).
Christus heeft die vrijheid betaald met Zijn kostbaar bloed. Hoe droevig is het voor Hem, wanneer wij onze vrijheid weer gaan leggen aan de voeten van mensen, zondig zoals wijzelf zijn. Dan bedroeven wij ook de Geest en blussen Hem uit (Ef. 4:30; 1 Thess. 5:19).
Jezus weende over Jeruzalem, want „hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen gelijk een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gij hebt niet gewild" (Lk. 13:34).
Hoe vaak moet Christus misschien niet wenen over kerken en kringen, waar men de Zijnen wil vergaderen niet rondom Hem, maar rondom menselijke leiders of rondom de door hen geformuleerde dogma's.
„Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder" (Gal. 4:26). En „waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor. 3:17). (Zie ook ons artikel: „Reakties").
Rusland contra Amnesty International
Het was te verwachten dat Rusland zou toeslaan, toen Amnesty International zo duidelijk de schending van de mensenrechten achter het IJzeren Gordijn aan de kaak had gesteld. De secretaris van de Russische afdeling van Amnesty International dr. A. Tverdochlebov, is veroordeeld tot 5 jaar interne verbanning en een ander lid van Amnesty International, dr. S. Kovaljov, tot een vrijheidsstraf van 10 jaar, bestaande uit zeven jaar opsluiting in een verbeteringswerkkamp met streng regime en drie jaar binnenlandse verbanning. Aldus De Bazuin van 13 aug. 1976 in een uitvoerig artikel, waarin ook duidelijk wordt aangetoond, hoe het proces dat aan deze veroordeling voorafging, een juridische klucht is geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
