In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

„DE DISCIPEL"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„DE DISCIPEL"

8 minuten leestijd

We hebben vaker in ons blad betoogd, dat de christenen van de Reformatie vaak eenzgdig zyn in hun reaktie op de roomse werkheiligheid. Sommigen hoeven het woord „goede werken" maar te horen, of ze menen al roomse zuurdesem te ruiken. Christus wil ons echter niet slechts vrijmaken van de schuld van de zonde, maar ook van de macht van de zonde. Hij wil niet slechts onze Zaligmaker zijn, maar ook onze Heere.

Deze bijbelse gedachte is op voortreffelijke wijze uitgewerkt in het boek „De discipel" van Juan Carlos Ortiz, predikant van Buenos Aires( uitg. Gideon te Hoornaar, 170 blz., prijs ƒ5,90; portokosten ƒ 1,70).

Het is vlot geschreven. Ortiz haalt telkens voorbeelden aan uit het gewone leven om deze bijbelse boodschap te verduidelijken. We laten enkele citaten volgen.

Hoe houdt satan zijn rijk draaiende?

„Kijk, er zijn twee meesters op deze wereld, en beiden hebben een koninkrijk. We worden geboren in het koninkrijk der duisternis. We waren van nature leden van het koninkrijk der zelfzucht. Dat is een rijk waarin iedereen doet wat hij zelf wil. En dat is ook de manier waarop Satan zijn koninkrijk draaiende houdt — „in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten" (Efeziërs 2:3). We leefden dus zoals wijzelf wilden. We deden waar we zin in hadden. Wat maakte het ook uit? Het koninkrijk der duisternis is net een gestrand schip, dat snel aan het zinken is. Als de kapitein weet dat zijn schip reddeloos verloren is, gaat hij naar de passagiers en zegt: „Attentie — degenen die zich in de tweedeklasse bevinden, mogen naar de eerste klas gaan, en het staat een ieder vrij te doen wat hij wil. Wil iemand een borrel, dan pakt hij die zelf maar in de bar — alles is gratis. Als jullie in de eetzaal willen voetballen, mag dat ook. Als de lampen daarbij sneuvelen, is dat geen enkel punt."

En de passagiers maar zeggen: „Wat hebben wij een aardige kapitein! We mogen op dit schip doen wat we willen!"

Maar een paar minuten later zijn ze allemaal vergaan.

In het koninkrijk der duisternis mag je alle verdovende middelen gebruiken, alles wat je maar begeert, je kunt bedriegen zoveel je maar wilt. Desondanks ben je verloren. Je waant je een koning. Je wordt geleid door de zelfzuchtige geest van je koninkrijk. Maar het is slechts een kwestie van tijd.

Wat is verlossing? Het betekent: „Verlost te zijn uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde" (Kolossenzen 1:13). Het betekent beslist niet verlost te worden van de koninkrijken. Het betekent over te gaan van de heerschappij van Satan naar de heerschappij van Jezus Christus.

In dat nieuwe Koninkrijk kun je niet maar doen wat je wilt. Je maakt deel uit van het Koninkrijk van God. Hij is de Koning. Hij regeert. Wij leven volgens zijn wil en wens" (p. 23-24).

De taal van het Koninkrijk is de lofprijzing

„Loven is de taal van het Koninkrijk van God. Net zoals het Spaans de taal is van Spanje en Argentinië en het Engels de taal van de Verenigde Staten en Engeland en het Portugees de taal van Brazilië, is loven de taal van het Koninkrijk van God. De inwoners van dat Koninkrijk spreken deze taal en we kunnen elkaar aan ons aksent herkennen. Net zoals David het zei: „Bestendig zij zijn lof in mijn mond" (Psalm 34:2). Hij loofde de Heer niet alleen overdag, maar ook als hij in bed lag. Wat God betreft, er zijn maar twee talen op deze wereld — de taal van Zijn Koninkrijk en de taal van het koninkrijk der duisternis. De eerste is de taal van het loven. De tweede de taal van het klagen. Lof prijst goede hoedanigheden. Klagen bekritiseert goede hoedanigheden. En elk menselijk wezen spreekt de ene of de andere taal.

Een voorbeeld van de inwoners van het koninkrijk der duisternis:

De wekker loopt 's ochtends af. „Ohh! Wie zou het werk toch uitgevonden hebben?!"

Dan gaan ze ontbijten. „De koffie is te heet."

Ze klagen over het weer, de regering, het verkeer — alles. Een taal op zich.

Met een schok realiseerde ik me dat burgers van het Koninkrijk van God meestal de verkeerde taal gebruiken. Ze gaan ter kerke en zingen daar: „Halleluja, halleluja" — om vervolgens na de kerkdienst naar buiten te stappen en te zeggen:

„Bah, het regent. Wat een snertdag."

Wie maakte die dag? De Heere.

Ze zouden de tekst van wat ze zongen eigenlijk moeten veranderen in bijvoorbeeld: „Dit is de dag die God ons schenkt, laat ons die gebruiken om te klagen en te vitten."

Hoe kunnen we nou zingen: „Looft de Heer!" om dezelfde Persoon een paar minuten later te bekritiseren? Dat klopt natuurlijk niet. We weten niet wat we doen." (p. 70-71).

„Bepaalde christenen kunnen alleen maar een paar woorden herhalen die ze op de zondagsschool of zo hebben geleerd — „Halleluja!" of „Looft de Heer!" Maar voor de rest van de dag spreken ze de klaagtaal.

Als het koud of warm is, als het dan niet regent, is het ook niet goed. „Wat een rotdag."

Niets wat God gemaakt heeft, is rot. De regen is een manifestatie van zijn geweldige macht. Sneeuw, warmte en ijs eveneens. Ik heb me aangewend te zeggen: „Wat een fijne, zonnige dag." „Wat een fijne regenachtige dag." „Wat een fijne sneeuwerige dag." „Wat een fijne hete dag" — en waarom ook niet?! Ze zijn allemaal fijn, want God maakte ze en Hij verdient het daarvoor lof te ontvangen. Paulus schreef aan Timotheüs: „Want alles wat God geschapen heeft is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt" (1 Timotheüs 4:4). Als we een dankbaar hart hebben, is alles goed. Zo niet, dan is alles altijd verkeerd." (p. 72).

„We klagen over die ene dag dat de telefoon het niet doet, maar dan vergeten we alle dagen dat hij het prima doet. We leveren kritiek op de dominee, die keer dat hij niet zo best preekte, maar we vergeten al zijn goede preken.

En al sterft er iemand — waarom zouden we verdrietig zijn en alle jaren die hij geleefd heeft meteen vergeten?" (p. 74).

Roomse en protestantse tradities

„Oude wijnzakken worden niet afgedankt omdat ze hard zijn. Ze worden afgedankt omdat ze hard zijn. De huid moet soepel en elastisch zijn om de nieuwe wijn te bevatten.

De oude wijnzakken waar Jezus over sprak in Mattheüs 9:17 zijn oude, traditionele strukturen, die vaak harder zijn dan beton. Er zijn mensen die gemakkelijker een stuk of wat teksten uit de Bijbel weglaten dan dat ze breken met één traditie! We liggen vaak overhoop met de Bijbel bij het „trouw blijven" aan onze struktuur. Ik heb een katholiek eens gevraagd: „Zeg eens — waar lees jij eigenlijk iets in de Bijbel over de verering van Maria?" Ik zou hem wel eens even op de vingers tikken.

Hij reageerde erg zachtmoedig. Hij zei: „Tja, het is mogelijk dat de katholieke kerk teveel aandacht vestigt op Maria, maar in elk geval komt Maria in de Bijbel voor, hè?"

„Ja", zei ik.

„Waar komen eigenlijk in de Bijbel al die kerkgenootschappen voor, waar jullie je zo voor inzetten?" wilde hij toen weten.

Kijk, die kerkgenootschappen van ons zijn onze tradities, wát de Bijbel daar ook over zegt. Jezus heeft maar één bruid — de gemeente. Hij is geen polygamist. En toch vertellen wij de mensen dat die kerkgenootschappen op de ene of andere geheimzinnige manier ook nog deel uitmaken van de wil van God! We geven God de schuld van onze verdeling, ons gebrek aan liefde. En dan tikken we de katholieken op de vingers voor hun tradities." (p. 127-128).

Deze citaten zijn voldoende, zo dachten we, om u een beetje de inhoud en de stijl van dit boeiende boek te laten proeven, zodat u op grond daarvan wellicht besluit om het aan te schaffen.

Aardappelpuree?

Hebben we dan geen kritiek? Ja, we vinden een stukje beeldspraak niet erg geslaagd. Dat is wanneer Ortiz de hoogste vorm van de liefde vergelijkt met aardappelpuree. We hoorden hem ook in Lausanne die vergelijking maken en ook toen konden we er niet mee instemmen.

Hij vertelt over de aardappelen, die eerst aan afzonderlijke struiken zitten. Daarna worden ze gerooid en in zakken gedaan. Dat is al een grote eenheid. Maar God wil alleen maar aardappelpuree. Niet een aantal aardappels — alleen puree. Geen enkele aardappel kan dan nog zeggen: „Daar ben ik dan! Ik ben een aardappel. Het woord moet zijn: wij". (p. 63).

Wij verliezen echter alleen maar ons zondige „ik", maar niet ons eigenlijke „ik". En dat is toch immers ook het mooiste van de liefde. Waarom vind ik het geweldig, dat mijn vrouw van mij houdt? Niet omdat ze precies is zoals ik. Ik houd toch immers van nature al van mezelf. Maar omdat zij met haar heel eigen karakterstruktuur en haar persoonlijkheid van mij houdt. En zó houd ook ik van haar, zoals ze is.

En dit is de lof van God, dat wij ieder op onze eigen wijze God loven en dat die lofzang tóch een machtig koor vormt.

Dat zal Ortiz ook wel zo bedoelen, maar daarom vond ik die vergelijking van de aardappelpuree niet zo erg geschikt om dit weer te geven.

Maar overigens, nogmaals van harte aanbevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

„DE DISCIPEL"

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's