Protestantse relikwieënverering
In de „geloofsbelijdenis van Trente", die wij als priesters bij verschillende gelegenheden met de hand op het Evangelie onder ede moesten afleggen, staat: „Ik geloof vast dat de relikwieën van de heiligen vereerd moeten worden."
Er zijn (waren) dan ook de meest vreemde relikwieën in omloop bv. in Aken een stukje van de haren van Maria en in ons klooster was er een relikwie van de in Bethlehem op last van Herodes vermoorde kinderen. Velen waren echter al blij met een stukje stof dat aangestreken was aan het beeld van een heilige.
Naar aanleiding van ons artikel over Osborn zond iemand ons twee exemplaren toe van „Nieuw leven", het maandblad van Maasbach. Daarin las ik dat men „gebedsdoekjes, die evangelist Maasbach bij zich gedragen heeft en waarover hij gebeden heeft", kan aanvragen. Je moet dan een bon invullen, waarop eveneens staat: „Ik ben abonnee op Nieuw Leven" en „Ik wil abonnee worden" (doorstrepen wat niet van toepassing is) en dan krijg je dat wonder-doekje toegestuurd „met instrukties, hoe u het gebedsdoekje kunt gebruiken".
Jezus zeide: „…de ware aanbidders zullen de Vader aanbidden in geest en waarheid" (Joh. 4:23) en niet in stof en in leugen.
Maasbach beroept zich daarvoor op Hand. 19:12. Maar: 1. daar wordt slechts een feit verhaald, maar geen norm gegeven, 2. nergens lezen we in de brieven van Paulus ook maar iets dat in die richting wijst. Integendeel, bij Paulus staat steeds Christus centraal, aan Wiens zegeningen wij deel krijgen door het geloof, maar niet door doekjes, waarover Paulus zou hebben gebeden, 3. Als Paulus tegenover de Korinthiërs zich gedwongen voelt om te roemen, dan roemt hij niet in de dollars van die tijd, de romeinse munt, die hij of anderen op zijn gebed zouden gekregen hebben; en evenmin in de vele genezingen, die door de aanraking van zijn gordeldoeken gebeurden en nog veel minder ligt het in de geest van Paulus om een organisatie van zulke wonder-doeken op touw te zetten. Geesteswerkingen zijn niet te organiseren en laten zich niet kanaliseren, ook niet via bonnen, die je bij de „Johan Maasbach Wereldzending" kunt insturen, 4. Getuigt het van de ootmoed, waartoe de Heere en ook Paulus ons aanspoort, dat Maasbach zijn eigen naam aldus in zijn stichting heeft opgenomen? Paulus verwijt de Korinthiërs dat ze zeiden: „Ik ben van Paulus; en de ander: Ik ben van Apollos" (1 Kor. 3:4). Paulus wil dus niet dat volgelingen zich naar hem noemen; hij zou zeker niet een Paulus- of Apollos stichting gewild hebben. Maasbach brengt echter zelf de verdeeldheid onder de christenen te weeg, zodat verschillenden thans zeggen: „Ik ben van Maasbach."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
