De kathedraal van het… moderne mensdom
Getuigenis van ds. Juan C. Mesas, voorzitter van de Stichting „Fede Viva" van Italië, dochterstichting van IRS.
Ik groeide op in een omgeving, die gekarakteriseerd werd door de typische Latijns-Amerikaanse kultuur, in Buenos Aires, de hoofdstad van Argentinië. Over de belijdenis van de reformatorische christenen had ik nauwelijks iets gehoord. Wij beschouwden in die tijd de protestanten als ketters, waarvan niets goeds te verwachten was, daar er immers geen zaligheid was buiten de r.-k. kerk.
Vreemd genoeg had ik al vroeg mijn twijfel aangaande sommige punten van de r.-k. leer. Later werd ik een komplete humanistische agnosticus d.i. ik verloor elk houvast en wist slechts één ding met zekerheid nl. dat ik aan alles twijfelde.
De mens is een nutteloze passie
Het moderne humanistische denken, vooral het existentialisme, had diepe voren in mij getrokken. Innerlijk beleefde ik de enorme slag mee, die na de tweede wereldoorlog was toegebracht aan het liberale optimisme van vroeger. Ik leed aan de frustratie van de nieuwe wanhoopsfilosofie.
Steeds meer begon ik de indruk te krijgen, dat de geschiedenis niets anders is dan een aanéénrijging van gebeurtenissen zonder zin, zonder doel en zonder waarde. Ik was het eens met Hegel: „De geschiedenis leert ons dat de geschiedenis ons niets leert".
Ik konstateerde ook dat de mens volkomen op zichzelf was teruggeworpen, wanneer wij geen maatstaf buiten de geschiedenis hebben om de geschiedenis te beoordelen.
Sartre zei het zeer paradoxaal: „Wij leven absoluut in het relatieve — volstrekt in het betrekkelijke". En dat bracht hem ertoe om uit te spreken: „De mens is een nutteloze passie".
Vervreemd van God
God was ver weg van mij, zo ver dat de gedachte aan Zijn eventuele bestaan mij noch lokte noch afschrikte. Mijn religieuze visie van die tijd kan ik het beste weergeven met het sombere pessimisme van Stendhal: „Het enige excuus voor God is dat Hij niet bestaat". Er was in mij geen plaats voor God. Ik voelde me onmachtig om ook maar enige zin aan de geschiedenis te geven. Ik leefde in de ontzetting van een nieuwe ramp, die het mensdom zou gaan treffen, veel erger dan de tweede wereldoorlog, die zo juist voorbij was. In dat geheel kon ik een God van liefde en van goedheid niet plaatsen. Op mij was van toepassing wat Augustinus zei: „God vindt geen plaats in ons om Zijn liefde uit te storten, omdat wij zo vol zijn van onszelf".
In Parijs
In 1969 kreeg ik de gelegenheid om een tijd in Parijs te verblijven. Ik had daar altijd naar verlangd, want ik bewonderde de Franse kultuur. Daar zou ik de beklemming van het existentialistische denken nog verschrikkelijker doorleven. Maar ik hoopte toch nog een antwoord te kunnen vinden voor de vragen, die mij uit de existentialistische angst aangaapte. Maar vooral, ik wilde Parijs zien, waar de zozeer door mij bewonderde denkers leefden.
In Argentinië had ik altijd verlangd om kennis te maken met Europa. Ik leefde in een kring van schilders, dichters en schrijvers — ikzelf was journalist —, allen mensen zoals ik, die tegen alles en iedereen opbotsten. En toen het mij te beurt viel naar Europa te gaan, verblijdden allen zich daarin.
Ontgoocheling
Ik vond het geweldig om de beroemde plaatsen van de Franse kultuur te bezoeken zoals het Louvre. Ik woonde in het Latijnse kwartier.
De studenten namen toen zeer aktief deel aan stakingen en aan allerlei manifestaties. Ik probeerde mij zoveel mogelijk met hen te vereenzelvigen. Maar het Franse intellektuele klimaat liet mij een werkelijkheid zien, nog veel donkerder dan ik verwacht had.
Met groot gedruis vielen de muren van het existentiële denken om en niets verrees op de plaats van de oude gedachtenkonstrukties. Zeker, de gedachten van Sartre en Camus werden nog gerespekteerd, maar begonnen zienderogen aan invloed te verliezen.
De beweging „le nouveau roman", was definitief de weg ingeslagen van het irrationele en het onsamenhangende. Dat deed me enorm verdriet, want ik was een vurig bewonderaar geweest van de filosofen, die tot dan toe het denken na de tweede wereldoorlog hadden bepaald. Maar deze filosofen hadden geen enkele boodschap meer. Ze toonden geen enkel verlangen om het raadsel van het leven op te lossen. Ze voelden zich ook op geen enkele wijze existentieel verbonden met de maatschappij en met de geweldige noden van deze tijd. De aanhangers van „le nouveau roman" gaven alleen maar een beschrijving en een ontleding van menselijke gevoelens, maar onthielden zich angstvallig van elk menselijk of sociaal waardeoordeel.
Geen troost
Ik protesteerde daartegen tegenover enkele letterkundigen van de Académie Française, de Alliance Française en van het dagblad Le Monde. Een van hen probeerde me te troosten door de opmerking dat de werkelijk grote schrijvers nooit sterven en dat de meesterstukken van de Franse letterkunde altijd gelezen zullen worden Wanneer de huidige populaire schrijvers uit de gratie zijn, dan zullen de Fransen de werken van Sartre, Camus, Malraux en anderen toch blijven lezen.
Maar dat betekende helemaal geen troost voor mij. Integendeel, het was alleen maar een bevestiging voor mij, dat het Franse en het Europese denken decadent aan het worden was, dat de kultuur van het oude continent tot verval was geraakt. Een lid van de Académie Française, schrijver van een Franse grammatica, zei tegen me: „We weten niet waar we heen gaan; we weten alleen dát we gaan".
De metro als kathedraal
Ik herinner me dat ik een keer op het spitsuur meedromde met de massa's, die van het werk naar huis terugkeerden, naar de metro, de ondergrondse trein van Parijs. We gingen daar, gehaast, naast elkaar, zonder elkaar te kennen, door de gangen van het metrostation, Concorde.
Ik hoorde ineens iemand accordeon spelen. Op zichzelf was dat heel gewoon, want Parijs heeft veel straatmuzikanten. Maar deze keer werd de beroemde Toccata en Fuga van J. S. Bach gespeeld. De tonen deden me denken aan het orgel van een kathedraal.
Ik keek naar boven vanwaar de muziek kwam en dacht: Inderdaad, deze bogen van het metrostation doen me denken aan een vreemde kathedraal en ik zei bij mezelf: „Ja, dit is de enige kerk, die de moeite waard is. Dit is de kathedraal van de mens". Het geschuifel en het stappen van de massa waren als een dramatische begeleiding van de muziek.
Ik kon aan mijn verlangen geen weerstand bieden om de muzikant te gaan opzoeken. Ik baande mij een weg tegen de stroom in van de metroreizigers.
Een blinde bedelares
Ik werd smartelijk getroffen, toen ik de accordeonspeelster vond. Het was een oude vrouw met een uitermate triest gezicht. Zij was blind. Toen begreep ik dat dit inderdaad de kathedraal van de mens is, daar in de ingewanden van de aarde, in de ondergrondse van Parijs. Ja, die muziek van Bach paste daar goed bij en die accordeon was het orgel, maar zij die dat orgel bespeelde, was een blinde bedelares. Zo zijn wij, mensen, we zijn blindgangers, begeleid door de muziek van een blinde. We moeten voort, maar we weten niet waar we vandaan komen of waar we heengaan.
Een vraag op de man af
Op zekere zondag ging ik naar het station van Montparnasse. Ik wilde Parijs verlaten, maar wist niet, waar ik dan naartoe zou gaan.
Mijn nerveuze spanning en onzekerheid nam steeds meer toe. Ik kon geen besluit nemen en verliet weer het station.
Het was een koude en regenachtige morgen. Toen ik weer op staat stond, kwam een meisje naar me toe. Zonder omwegen richtte ze zo maar de vraag aan mij: „Wat denkt u over Jezus Christus?".
Ik stond als versteend. Zulk een vraag had ik allerminst verwacht. Over Parijs hing als een grauwe deken de existentiële angst. En ineens klinkt daar de vraag: „Wat denkt u over Jezus Christus?".
Ik kon alleen maar antwoorden: „Het enige dat ik over Hem denk, is dat ik Hem niet ken".
Toen begon het meisje mij op een eenvoudige manier het Evangelie te vertellen. Ik luisterde niet erg naar wat ze zei, maar er ging een diepe ontroering door me heen, toen ik haar met zo veel gloed zag getuigen en zodoende begon ik ook vanzelf aandacht te schenken aan wát ze zei.
Ik zei haar: „Hoe kunt u geloven dat in deze wereld de waarheid te vinden is? Kijk eens naar mij; kijk eens overal rondom u heen. Waar is er iets dat mij overtuigen kan dat er waarheid bestaat?".
Toen toonde ze mij haar Bijbel en dat leek me al te dwaas: Wie zou nu toch willen geloven dat in dat boek de waarheid te vinden is.
Een poosje later kwam een jongeman bij ons staan. Hij nodigde mij uit om een samenkomst te bezoeken, waar meerdere evangelische studenten elkaar ontmoeten. Hij bracht mij ook in kontakt met L'Abri van Zwitserland, waar vele jonge mensen naartoe trekken om daar een antwoord te vinden op de problemen van hun denken van deze tweede helft van de twintigste eeuw. Hij leende mij een boek van dr. F. Schaeffer, getiteld „Op de vlucht voor de rede". Ik kwam diep onder de indruk van dat boek, omdat Schaeffer toonde de moderne tijd volledig te begrijpen en toch het christendom als enig antwoord voorstelde.
L'Abri
In L'Abri had ik ruim gelegenheid om het Evangelie te bestuderen en het te leggen naast de intellektuele en ethische problemen van deze tijd. Ik begon in te zien, dat het antwoord alleen maar zou zijn te vinden buiten het raam van het menselijk denken en voelen, in een oneindige en persoonlijke God, die bestaat en leeft onafhankelijk van ons.
Een oneindige God, die dus niet kan ondergaan in de stroom van de geschiedenis; en een persoonlijke God, omdat we alleen met een persoonlijke God gemeenschap kunnen hebben; en vooral ook, omdat slechts een persoonlijke God erbarming kan hebben met het vervloekte mensengeslacht.
Vier maanden lang dacht ik na, studeerde en diskussieerde dag en nacht. En eindelijk behaagde het de Heere mij de waarheid te doen zien van Zijn eigen openbaring en de ellende van mijn zondige menselijke bestaan. Ik zag, hoe mijn eigen schuld als een afgrond was, die mij van God scheidde. Hij bracht mij tot de erkenning van mijn zonde tegenover Hem, van de belediging die ik Hem door mijn gehele zondige existentie had aangedaan, maar ook de verzoening die Hij mij aanbood in Jezus Christus. Ik zag dat die verzoening met God uitsluitend te danken is aan Gods Zoon: „Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is " (Rom. 3:23-24).
En nu ik die genade van de verlossing door het bloed van Christus heb ontvangen, kan ik getuigen dat alleen die genade de mensen, die ten prooi zijn aan de wanhoop en aan de verwording van de zedelijke ellende, verlossen kan.
De toestand in de wereld is nog aanmerkelijk verslechterd sinds de tijd dat ik tot bekering kwam. Ik zou niet kunnen zeggen, waar ik mij zou bevinden en zelfs of ik nog wel in leven zou zijn op dit moment, als de Heere Zich niet aan mij had geopenbaard.
Er is geen politiek stelsel dat de wereld verlossen kan. Er is geen nieuwe ideologie, die werkelijke hoop kan bieden aan het mensdom. De enige afweer tegen de decadentie, tegen het wegglijden in wanhoop en verwording, is de terugkeer naar de Schepper en naar de Zaligmaker van de mensen, die in Hem geloven. In Hem vinden we vrede, liefde, verlossing. In Hem vinden we alles. Hij alleen is het antwoord op de angstige vragen van ons eigen hart 'en op het zuchten van het zondige mensdom. Hij alleen.
Milaan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
