Christus is de weg naar GOD
Deze verkondiging gaat radikaal in tegen elk menselijk zelfbesef. Wij kunnen en willen dat nooit aanvaarden, deze onmacht van ons verduisterde denken, deze schuld vanwege eigen verharding.
Paulus gaat daar uitvoeriger op in, wanneer hij in Rom. 1 en 2 de afgoderij en verdorvenheid van de heidenen beschrijft. Hij bewijst dan dat hun onmacht om de levende God te kennen tegelijk hun onwil en daarom hun schuld is. „Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden" (Rom. 1:18).
Hij zegt dat de heidenen echt wel iets van God kunnen kennen: „Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" (Rom. 2:20).
Maar zij willen die kennis niet naar boven laten komen. Ze verdringen die naar het onderbewustzijn. Ze willen God geen plaats geven in hun leven, want dan zouden ze er helemaal aan gaan. Dan zouden ze niet meer kunnen toegeven aan hun ik-drift of althans het toegeven daaraan als zonde moeten erkennen. En vanwege dat „ten onder houden van de waarheid in ongerechtigheid" zijn zij niet te verontschuldigen.
De weg van het „ik" loopt dood
Elke weg van de mens uit naar God toe is dus afgebroken, gebarrikadeerd, loopt dood. Die weg naar God begint alleen in Jezus Christus. Hij alleen is de weg naar God. Dat betekent dat wij op die weg geplaatst moeten worden, willen we God bereiken. En dat betekent nu juist de uitverkiezende genade Gods, die in de Bijbel voortdurend gepredikt wordt.
Jezus heeft gezegd: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader die Mij gezonden heeft, Hem trekke" (Joh. 6:44). De eeuwige God moet ons dus op de weg, Christus, plaatsen. Die eeuwige God kan dat nooit doen op grond van enige verdienste van onze kant, want we willen juist niet naar Hem toe. We willen het echte beeld Gods, Jezus Christus, niet aanvaarden en maken ons liever beelden naar onze eigen gedachten en gevoelens, dus afgodsbeelden. We houden de waarheid in ongerechtigheid ten onder. Dat is onze schuld; dat is de oorzaak, waarom wij slechts Gods toorn verdiend hebben.
Het hart van de kerk aangetast
Deze verkondiging van de uitverkiezing in Christus, die alleen de weg is naar God, heeft Calvijn genoemd „cor ecclesiae" — het hart van de kerk. Welnu, juist deze leer wordt door de moderne theologie grondig tegen gesproken of als een waardeloos vodje papier in de prullemand gegooid. Zo zei prof. Kuitert:
„…het probleem van de uitverkiezing en verantwoordelijkheid, de ouderen onder u wel bekend. Ik moet daar op college niet over beginnen. Geen student die er iets in ziet of ook maar weet waar het over gaat" (6:3).
Stel u dat even voor. Het gaat hier over theologische studenten, die predikant worden van een kerk, die drie belijdenisgeschriften heeft, waarvan er één helemaal gewijd is aan de leer van de uitverkiezing. Straks moeten zij hun handtekening zetten onder dat belijdenisgeschrift. En Kuitert zegt, dat hij op college daar niet over moet beginnen, omdat ze niet eens weten waar het over gaat. Dat worden dus de toekomstige predikanten, die innerlijk niets verstaan van wat Calvijn „het hart van de kerk" noemde. Arme kerken, die het met zulke „dienaren des Woords" zal moeten doen; arme kerkleden die aldus nooit meer het hart van de kerk kunnen horen kloppen!
Luther: „door genade alleen"
Dezelfde waarheid, die door Calvijn naar God toe werd beleden als de leer van de uitverkiezing, werd door Luther geformuleerd in het Sola gratia, dat is de zaligmaking door genade alleen, meer naar de mens toe.
De keerzijde daarvan is het paulinische: „niet uit de werken, opdat niemand roeme" (Ef. 2:9). „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer" (Rom. 11:6). Lijnrecht daartegenover heeft de rooms-katholieke kerk in Trente uitgesproken, dat de mens door zijn goede werken waarlijk het eeuwige leven kan verdienen.
Tegen die leer van de verdienstelijkheid van de goede werken heeft de Reformatie zich gekeerd in het Sola gratia = alleen door genade. Kuitert echter zegt:
„Of het probleem van de goede werken: zijn die goede werken een noodzakelijke of een voldoende voorwaarde voor de zaligheid? Ook dat weten de studenten niet. Dat is voor hen geen probleem" (6:3).
De God van Israël is achterhaald
Dat betekent dat heel de leer van de Reformatie een achterhaalde zaak is, volgens Kuitert. Maar dat is voor Kuitert heel gewoon, want het bewijs van de waarachtigheid van de God van de christenen bestaat volgens hem daarin, dat die God allerlei goden van de tijd in haalt. Zo werden de vruchtbaarheidsgoden achterhaald door de kunstmest. Toen die werd uitgevonden, waren die goden niet meer nodig (24:3).
En zo is blijkbaar ook de god van de Reformatie achterhaald, zoals ook de God van Israël is achterhaald. Kuitert wil niet meer spreken over God zoals dat in het Oude Testament gebeurt:
„Nee, denk ik dan, dat kan ook niet: dat is toch te veel zoals Israël over God praatte. Zo zou ik niet meer over God willen praten en ik zou het ook de mensen verbieden, als ze vandaag zo over God zouden praten" (26:1).
Stel u voor: dát wordt geleerd aan de toekomstige predikanten: verbied de mensen over God te praten zoals dat in het Oude Testament gebeurde!
Alleen door genade? Onzin!
We kunnen dat wel begrijpen. Want een leer over een toornende God gaat geheel in tegen onze natuur. We geven de voorkeur aan een lieve God, waar je alles mee kunt doen, die je als een eigen gemaakt beeld in triomf kunt laten ronddragen, schijnbaar God aanbiddend, maar in werkelijkheid slechts de mens bewierokend. Nee, dan kun je ook een leer van het Sola gratia en van de niet-verdienstelijkheid van de goede werken niet meer gebruiken. Dan is dat een achterhaalde god, een verkalkte zaak. Dan kunnen we ons alleen nog maar schamen dat zulk een leer destijds de scheur door de christenheid heeft getrokken. Dan is het een droevige klucht dat mensen zich om die belijdenis hebben laten martelen en op de brandstapel zijn gebracht. De nazaten van de Reformatie aan de VU zeggen nu over die leer: Kerel, waar heb je het over? Klets niet!
Kuitert predikt een god, die zichzelf altijd achterhaalt, die altijd achter zichzelf aanholt, een god die nerveus door de geschiedenis heenvliegt, die je dan ook nooit zekerheid kan geven. Die god heeft immers de christenen in de tijd van de Reformatie er toe gebracht om voor de leer van het Sola gratia — alleen genade — de marteldood te ondergaan. En nu schamen we er ons diep voor, dat ze die dwaasheid hebben begaan. Wij, „christenen" van de twintigste eeuw, vinden die leer zo onwezenlijk, dat we moeite hebben om ze te begrijpen, laat staan dat we er uit zouden kunnen leven of er voor zouden willen sterven.
Wij echter verkondigen Christus, die de enige weg is naar God. Slechts uitverkiezende genade van God kan ons op die weg plaatsen. De theologie van de heer Kuitert is alleen maar een hinderpaal om God te vinden. Hij wijst de mens aan als weg. En de zondige mens is alleen maar een weg naar de eeuwige dood. Kuitert wijst de mensen de weg naar de nimmer eindigende rampzaligheid onder de toorn Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 mei 1976
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
