In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

JOB DE DULDER OF DE OPSTANDELING?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JOB DE DULDER OF DE OPSTANDELING?

6 minuten leestijd

Toen ons dochtertje gestorven was, hadden wij in de rouwadvertentie de tekst uit Job 1:21 aangehaald, waar Job na al de Jobstijdingen zegt: „De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd".

Dr. Wiersinga zei mij toen (acht jaar geleden): Hé, jij verstaat die tekst dus nog in de traditionele zin.

Ik had toen weinig behoefte aan een exegetische discussie en heb hem toen niet gevraagd, hoe hij het dan wel verstond. Maar in zijn boek lees ik: Deze woorden van Job zijn al vaak gebruikt „als een geloofsbelijdenis, die al heel wat rouwkaarten en -advertenties (tegen de bedoeling in) tot evenzovele aanklachten tégen het christelijk geloof maakte" (p. 42).

Hieruit kunt u weer opnieuw zien, hoe diep de totaal andere visie van Wiersinga ingrijpt in het geloofsleven van elke dag van een christen. Alle preken zouden moeten worden verscheurd, alle gezangen herschreven moeten worden, wanneer Wiersinga gelijk zou hebben.

Jobs integriteit

Natuurlijk wilt u weten, hoe Wiersinga dán die woorden van Job verstaat. Hij zegt dat Job zich daarin aansloot bij de gangbare religieuze beschaving, bij de traditionele heidense opvattingen over God.

Maar gelukkig kwam hij daar later tegen in verzet. „Jobs integriteit bestaat niet uit zijn zwijgen en berusten, zijn zich optrekken aan de religieuze beschaving. Zijn integriteit komt pas langzaam voor de dag: in zijn alles uitspreken, uitschreeuwen zelfs. In zijn aanklacht tegen dit bestaan en zijn latere weigering dit lijden uit Gods hand aan te nemen. Jobs beroep op de andere God dan de almachtige leedbeschikker in zijn integriteit. Daarin blijkt zijn 'geduld'. Geduld, niet in de zin van berusting, maar in de zin van volharding, strijdbaarheid, uithoudingsvermogen" (p. 42).

Hoe kan dr. Wiersinga dit zeggen? De schrijver van het boek Job zegt toch immers onmiddellijk na de bekende woorden van Job: „In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe".

Heidense insluipsels in de Bijbel?

Dat kan hij doen door zijn onderscheid tussen de twee lagen van de Bijbel. Dan kun je alles in de Bijbel wat niet past in het door jezelf opgebouwde systeem van gedachten over God, naast je neerleggen als een heidens insluipsel in de Bijbel.

Dan kun je tot precies tegenovergestelde konklusies komen. De Bijbelschrijver zegt dat Job daarin niet zondigde, maar Wiersinga zegt in feite dat hij dat wél deed, doordat hij zich zo wilde aansluiten bij een religieuze heidense traditionele opvatting over God, die Hem onrecht aandoet, omdat God aldus wordt voorgesteld als de almachtige, aan Wiens besturende hand niets ontglipt, ook niet het lijden. Wij zouden juist aan Jobs integriteit moeten twijfelen, wanneer hij in die belijdenis van vs 21 was blijven steken en niet in opstand was gekomen. „Job bekent (aan het einde van deze pleidooien) zijn onbegrip, toen hij God tot de orde riep als de veroorzaker van zijn lijden en de onbegrepen vergelder. Hij distancieert zich hiermede niet van zijn protest, maar van de adressering van zijn protest. Hij was zo dom de Godsvoorstelling van zijn vrienden (en van de kerk, waartoe Wiersinga behoort en van de kerk der eeuwen. H.J.H.) te delen" (p. 44).

Tegen U alleen lieb ik gezondigd

Misschien is de belangrijkste oorzaak, waarom Wiersinga tot zijn opvattingen kwam, gelegen in het feit dat hij veel te weinig kijk heeft op de zondigheid van de mens. Ja, hij ziet wel heel duidelijk het onrecht dat wij, mensen, elkaar aandoen. Maar dat is op zichzelf nog geen zonde. Zonde kun je alleen begaan tegenover God.

David had Uria vreselijk onrecht aangedaan. Hij had echtbreuk gepleegd met diens vrouw en hem daarna laten vermoorden. En tóch, als hij tot inkeer komt, bidt hij: „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen" (ps. 51:6).

Wanneer wij van de mens uitgaan en onszelf stellen onder het licht van wat de mensheid denkt en voelt, komen we nooit tot waarachtig zondebesef.

Natuurlijk mag ik niet over harten oordelen. Maar we zijn wél verplicht de uitingen van iemand, die ons wil vertellen, hoe de ware God is, te toetsen aan de Bijbel. En dan moet ik zeggen, dat ik van een echt zondebesef, dus als schuld voor Gods ogen, niets bemerk in de publikaties van Wiersinga.

Ik zou hem willen aanraden: Zoek toch eens het gezelschap op van Godvrezende mensen. Treedt eens even buiten die volkomen door de geest van de wereld geinfecteerde studentenkringen van de V.U. Doe dat eens uit pure objektiviteit. En luister dan eens waarachtig. Ik hoop en bid, dat dan een andere wereld voor je opengaat, dat je dan gaat bemerken: Nee, dit is niet een zaak van religieuze traditie en van gebruikelijke voorstellingen. God is in hun midden. Deze vromen spreken vanuit een God, die vermanend en oneindig vertroostend in hun midden is.

Mijn vriend

Herman Wiersinga, het valt niet mee voor mij om jou, mijn vriend, zo openlijk en radikaal te moeten bestrijden. We hebben beiden eenzelfde verbijsterend verdriet moeten doormaken. Ik moet je erkennen dat jouw visie mij wanhopig zou hebben gemaakt. Wat voor zin heeft dan nog een geloof in God, wanneer er in Zijn schepping zulke blinde vlekken zijn, waaruit zo maar het verschrikkelijkste leed kan tevoorschijn komen om je hard en koud neer te slaan? Wat heb ik aan zulk een mede-lijdende God, die er verder ook niets aan kan doen?

Ik heb ook mijn moeilijkheden. Laat ik je een voorbeeld geven. Wij hadden ons dochtertje deze mooie naam gegeven: Desiderata Gloria Ventura. Zoals je weet, betekent dat de „verlangde komende heerlijkheid". Toen de Heere ons Deesje tot Zich nam, was het soms of een stem (van de duivel) honend mij toesiste: Je hebt dat toen zo vroom in de naam van je dochter uitgedrukt, dat je uitziet naar de komende heerlijkheid; God heeft je op je woord genomen; Hij heeft haar in Zijn heerlijkheid opgenomen, de heerlijkheid, waarnaar ook jij toch immers verlangt; God heeft de proef met je willen nemen; daarom, dus vanwege jouw vrome bravour, heeft Hij je dochter het leven benomen; kun je nu nog zeggen: Ta, lieve God?

Ook wij verlangen naar de komende heerlijkheid

Je begrijpt dat dit een vreselijke verzoeking was. Maar toch hebben wij in alle geloofsblijdschap op de grafsteen kunnen laten beitelen: „Ook wij verlangen naar de komende heerlijkheid".

We hebben dat niet gedaan vanuit een slaafse onderwerping, maar vanuit een geloofsgemeenschap met de levende Heere, die jij blijkbaar niet kunt aan- en invoelen. Op de bodem van die aanvaarding ligt het besef van onze diepe zondigheid. Wie ben ik, wie was Job voor Gods ogen? Eén hoopje schuld en ellende. Versta dat niet als een geijkte uitdrukking van sommige zware kringen. Nee, de diepte van je schuld leer je pas goed zien vanuit de diepte van de genade, die de Heere ons bewezen heeft in de Zoon van Zijn liefde, die Hij in onze plaats gaf als een losprijs voor onze zonden; vanuit de straffende gerechtigheid, die door een wonder tot heilbrengende gerechtigheid werd voor hen, die in Hem geloven. Dat wens ik ook jou toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

JOB DE DULDER OF DE OPSTANDELING?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's