In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

„TOEN HET KIND GESTORVEN WAS"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„TOEN HET KIND GESTORVEN WAS"

16 minuten leestijd

Een onzegbaar diep verdriet is het, wanneer een kind van je wordt weggenomen. Dan pas bemerk je, hoe diep je met je kinderen verbonden bent. Het is dan of een stuk uit je eigen wezen wordt losgescheurd. Mensen die dit hebben meegemaakt, kunnen elkaar dan ook zo goed troosten met het Woord Gods. Dat hebben ook wij ondervonden, toen acht jaar geleden ons Deesje naar Gods heerlijkheid werd overgebracht. Toen zond iemand ons een preek van ds. Gabe van Duinen, die hij gehouden heeft op 19 januari 1958, de zondag, nadat zijn zoontje Johannes gestorven was. Wij willen daarom deze preek in ons blad opnieuw afdrukken. Wellicht kan ze ook voor veel lezers tot vertroosting zijn. De tekst van de preek was 2 Sam. 12:21:

„Toen het kind gestorven was"

We mógen u deze avond Gods Woord bedienen. „Gods Woord bedienen", dat betekent, dat God tot ons spreken wil. Maar als God dan ook op deze donkere zondag tot ons spreken wil, zou ik dan nu niet van ganser harte daarin zijn dienaar willen zijn? Moet ik dan alleen maar spreken, als de zon schijnt en alles goed is? En…heeft de zon wel ooit heerlijker geschenen en is het wel ooit beter geweest dan juist op deze dag?

Toch zit ik deze avond meer dan ooit zelf onder de luisteraars. Ik preek ook voor mezelf. Gods Woord bedienen betekent gelukkig ook: er zélf naar luisteren.

God spreekt dan vanavond tot ons gezamenlijk het Woord, dat we lezen in 2 Samuël 12:20-23.

Ter verklaring van deze tekst spreek ik u over:

„Toen het kind gestorven was"

Dan maakt David drieërlei gang:

1. hij ging het huis des HEEREN binnen

2. hij ging naar zijn huis terug

3. ik zal tot hem gaan.

1. Hij ging het huis des HEEREN binnen

„Toen het kind gestorven was", dat is de achtergrond van deze tekst.

Broeders en zusters, als ik daar nu de vorige zondag tot u over had moeten spreken, had ik zeker tot u gezegd: dat is pikzwarte, dreigende, dónkere achter grond van deze tekst. Dat zeg ik nu zeker niet. Na al wat deze week door ons leven gegaan is — na het geweldige licht, dat wij in deze donkere week hebben mogen aanschouwen — spreken wij niet meer van „dónkere achtergrond".

Daarmee wil zeker niet gezegd zijn, dat het hol, waar wij met David binnen moesten, niet heel erg donker was. Het is heel donker daar, waar je kind sterft. Het verdriet is een heel nuchter en hard en verpletterend ding. Zeker, dat weet ik ook wel, er staat in de Bijbel: „de dood is geen koning der verschrikking meer".

Maar…hebt ú de dood wel eens meegemaakt? Ik verzeker u: als de dood op u afkomt, op uw kind afkomt, dat dat toch wel verschrikkelijk is.

Wat heeft David een verschrikkelijke week meegemaakt. U hebt het zoëven gehoord, toen ik dat stuk las; hij lag op de grond en kreunde en weigerde te eten. Dat is voor David een week geweest van worstelen met de dood en worstelen met God. Dat is een week geweest van geslingerd worden tussen hoop en wanhoop. En dan is dat het verschrikkelijke: dan bid je, roep je God aan, dan zeg je: „Heere, help! Gij almachtige God, help!" En dan…helpt God niet.

Dan gaat het er dóór. „Is het kind al dood? En ze zeiden: het is dood". Dat is de achtergrond van deze tekst.

Nu is het een eis van goede Woord-verkondiging, niet over de achtergrond van de tekst, maar over de tekst zelve te spreken. Daar houden we het in het preken mee vol en daar houden we het ook in het luisteren mee vol. Welnu, in mijn tekst is dat vreselijke voorbij. Het kind is gestorven. Mijn tekst plaatst ons voor de situatie, die er onstaat ná het sterven.

Wat dan? Wat doen we dan, als die ogen zich gesloten hebben? Wat doen we, als die grote klapdeuren van het ziekenhuis achter ons zijn dichtgevallen en ge staat met uw vrouw en kinderen in de donkere nacht? En…het kind blijft daar achter…

Moeten we dan „een houding" aannemen? Zoals de mensen wel zeggen? Moeten we dan tegen elkaar zeggen: „Kom, het hoofd op en flink zijn!"?

Ik maak ernstig bezwaar tegen dat woord „houding". „Houding" is er dan niet bij. Als het rotsblok van het grote verdriet op je hart wordt geworpen, dan is er niets meer te „houden". Dan is er geen houden aan. Dan wordt alle houding daaronder verpletterd! Wat we hier van David lezen, is ook geen houding.

Hoe verschrikkelijk zou dat zijn, als ik u vanavond „houding" moest verkondigen, en tegen u moest zeggen: „Mensen, als het grote verdriet in uw leven komt, dan moet u zich maar „goed houden". U moet uw gezicht maar strak zetten, als u morgen weer naar kantoor gaat".

Gode zij dank! Ik ben geen prediker van „houding", maar een prediker van „genade". Wat David hier opbrengt (dat geweldige — inderdaad geweldige), dat is geen houding, dat is pure genade.

Zó staat het ook letterlijk in Gods Woord: „Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel".

Dat is inderdaad een machtige ervaring, als een mens in een noodsituatie van zijn leven het mag meemaken, dat God hem versterkt met kracht in de ziel.

Neen, God vergeet ons niet, als we moeten prekèn. De mensen zeiden: „U moet een pilletje nemen, dominee. Dan is u rustig!"

Nu, ik ken wel zo'n pilletje: GOD geeft ze. Inderdaad, „Gij hebt mij versterkt!", toen de vermorzeling daar was! „Met kracht in mijn ziel". Hoe ontzaggelijk was dat!

De vorige zondagmorgen was alles nog goed. Ik preekte toen in Wassenaar over die machtige tekst: „Mijn ook zal op u zijn". Ik vermoedde toen niet, dat ik dat „oog Gods" in de week, die toen begon, zo ontzaggelijk nodig zou hebben. Maar ik wist óók niet — want dan had ik er waarschijnlijk nog heel anders over gepreekt — hoe machtig Gods oog is, hoe sterkend, hoe wonderlijk troostend. Ja, alles sloot zich. Het werd alles duister om ons heen. Maar tóen lichtte dat Oog als een stralende ster in de nacht. Zie, dat is de genade Gods, waardoor David deze ontzaggelijke dingen kon doen. En daarvoor sta ik vanavond hier. Niet om u deelgenoot te maken van mijn persoonlijke ervaringen. Daar hebt u niets aan. Maar om u de genade Gods te verkondigen, die er voor alle mensen is, die in nood en nacht naar huis moeten, als…het kind gestorven is.

En wat deed David door die genade? Wel, „hij ging in het huis des HEEREN en boog zich neder" — zegt mijn tekst.

Nu moogt u wel beginnen met u te verwonderen, dat er op deze wereld nog zo'n huis is. Zeker, er zijn vele huizen op de wereld. Maar weet u bij geval ook een huis, waar u heen kunt gaan met een gebroken hart en leven? Weet u bij geval een huis, waar u terecht kunt als uw kind gestorven is? Met je gestorven kind op je armen loop je langs 's Heeren wegen. Welk huis wil je dan opnemen?

Neen, het ziekenhuis niet meer. Daar kunnen we wel zieke kinderen brengen. Maar u kunt niet met een gestorvene naar het ziekenhuis gaan. Waar moet u heen met dat gestorven kind? Is er zo'n huis?

Ja, er is zo'n huis!

Dat is de verkondiging, die wij vanavond voor u hebben.

„Wie kan uw tranen drogen dan Jezus? Immers geen!"

Inderdaad, Hij kan het! Bij Jezus is dat wonderlijke huis.

David kon het in zijn eigen paleis ook niet uithouden. Hij liep misschien ook, toen het kind dood was, over de wegen en straten van Jeruzalem. Totdat hij kwam te staan voor „het huis des HEEREN". Dáár ging hij in.

Er worden in het Oude Testament over dat huis des HEEREN heerlijke dingen gezegd.

We vinden in ons psalmboek machtige liederen over het huis des HEEREN. „Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen en het leven tot in eeuwigheid".

En ziet, dat zijn nu precies de twee dingen, die wij gekregen hebben: „Gods heil" én „het leven tot in eeuwigheid".

En als David dat nu al mocht vinden in het huis van schaduwen, het huis van priesters en altaren, wat moeten wij dan niet vinden, die in Christus Jezus mogen binnengaan in het Huis van de Grote Werkelijkheid. Neen, in dat Huis zien we geen schaduw, geen symbool, geen God achter het Voorhangsel. We zien onze Heiland.

De laatste exegese van „Huis des HEEREN" is: Jezus Christus en dien gekruisigd. Wat ontzaggelijk is dat, als je kind stervende is en het sterft maar dóór en het gaat er dóór om dan daar binnen te mogen gaan!

Ik zie ons daar nog in de nacht in die gangen van dat grote ziekenhuis rondlopen.

Allemaal kamers, waarin geleden en gestorven wordt.

In één van die kamers ligt Johannes.

Daar was ook een „conversatiekamer". Daar zaten we als opgeschrikte vogels bij elkaar in de nacht. Kunt u het zich voorstellen, hoe geweldig het is, als dan dat „Huis des HEEREN", dat liefdevolle hart van onze dierbare Heiland zich opent? Inderdaad: „bezwijkt dan ooit in bittere smart of bange nood mijn vlees en hart — zo zult Gij zijn voor mijn gemoed mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed".

Dat hebben wij daar in Ursula ondervonden.

Inderdaad, dan kun je „buigen".

„Hij boog zich neder", zegt mijn tekst.

Buigen is zwaar werk. Hebt u wel eens een stuk staal zien buigen? Dat gaat maar niet in één ruk. Dan breekt het. Maar heel langzaam, heel langzaam — dan buigt het. Wij dachten ook, die zondagavond — deze tijd ongeveer: kwart over acht — dat het staal brak.

Maar toen heeft God in zijn ontzaggelijke genade ons nog drie dagen gegeven om…te buigen, te buigen voor zijn wil.

Toen hield bij David het worstelen op. Hij heeft daar wat gesoebat, toen hij daar lag op die vloer! Hij heeft wat geschreeuwd! Hij vocht daar met God, de God van leven en van dood!

Maar toen hij zich boog, was dat uit. Dan wordt het stil. En dan buig je tenslotte voor dat allerdiepste, voor de liefde Gods.

Dat is het enige, waarvoor een mens buigen kan.

Neen, je buigt niet voor de almacht of voor een verschrikkelijk noodlot. Het verstand misschien wel, maar het hart niet.

Maar voor liefde wil het hart wel buigen.

Dáár zit het geheim. God overtuigt je in je alllergrootste verdriet van zijn liefde door je Christus' kruis te laten zien.

Als u komt in dat Huis van de Heere Christus, dan kunt u buigen, omdat u buigt voor de liefde Gods.

Ja, in volledig vertrouwen, dat het zó goed is. Het woord „goed" treedt dan stralend opnieuw ons leven binnen.

Zeker, het was allemaal „mis". Het was allemaal verkeerd.

„Het gaat verkeerd", zeggen de mensen. Maar daar komt het woord „goed" opnieuw voor de dag. God is goed. „Kinderen, dit is goed". Zó wordt het in het Huis des HEEREN — ook al zit je bij een stervend kind — wonder goed. Met het kind goed én met ons ook goed.

Ik zei dat ook tegen die nonnen, die daar in Ursula meeworstelden: „Fiat voluntas tua". Dat verstonden ze wel. Verstaat u het ook wel? „Uw wil" — dat is Gods liefdewil — „geschiede".

David heeft zijn kind kunnen overgeven. En wij ook. We waren van onszelf verbaasd. Dat dat kon! Dat zoiets bestond!

God lei David de hand op het moegetobde hoofd. En tóen boog David zich.

Ik wou alleen dat nog zeggen: Dat Huis staat voor iedere geslagene en bedroefde open. Ik weet helemaal niet, wanneer u het nodig mocht hebben. Maar mocht u het ooit nodig hebben, denk dan aan deze preek. En weet dan, dat dat Godshuis in Christus openstaat.

„Komt, armen, droeven, blinden, de hoofden opgericht! Laat u door Jezus vinden: zijn last is zacht en licht".

2.Hij ging naar zijn huis terug

David gaat naar zijn huis terug.

Dat is waarschijnlijk nog het allermoeilijkste. Om van je eigen huis naar het ziekenhuis en naar de rouwkamer te gaan, dat is zeker heel moeilijk. Maar veel moeilijker is het nog om van de sterfkamer weer naar je eigen huis terug te gaan. Om dan alleen weer in je eigen huis terug te komen. Inderdaad, sommige mensen komen er nooit meer in terug.

Er staat hier: „David stond op van de grond, wies zich, zalfde zich en verwisselde zijn klederen".

Er zijn mensen, die hun hele leven in de rouwklederen lopen. Ik heb ze wel zien zitten achter een tafel vol portretten. Ze bleven maar op de dode staren. Ze bedreven een zondige cultus met hun verdriet. Ze groeven zich al maar dieper weg in wat God toch gesloten had. Ja, God sluit soms de discussie. We willen altijd nog weer het woord. En dan zegt God: „de discussie is gesloten".

Zie, dát is nu het zondige wroeten in je leed: aldoor opnieuw weer de discussie openen. God heeft eenmaal „neen" gezegd. Wie zal dan „ja" zeggen?

Dat is het machtige bij David. Hij verwisselt z'n klederen en hij gaat naar huis.

Ja, dat is ook heilzaam voor David zelf. God gebruikt hier heel gewone en natuurlijke middelen om z'n aandacht af te leiden.

Ik weet nog, dat wij uit Amsterdam afvoeren naar Indië — in 1927. Daar stond toen veel liefs op die kade. En toen dat schip afstiet, konden we daar niet zo erg best van loskomen. Mijn vrouw zeker niet. Maar toen trokken vier kinderen haar aan haar kleed. En toen is ze naar beneden gegaan en heeft ze, als altijd, het eten klaargemaakt. Dat zijn van die gewone dingen.

Welnu, die staan hier ook in mijn tekst: „Hij wast zich, hij zalft zich, hij trekt andere kleren aan, hij gaat eten".

U vraagt misschien: „Past dat nu bij zo'n groot verdriet?"

Jazeker, dat past! Wat zit er dan juist in die gewone dingen een wonderlijke heilzame balsem. Dit stoot even ons verdriet uit het centrum van onze aandacht uit. En onderwijl maakt God de balsem gereed.

Wij moeten, broeders en zusters, — als u misschien nog in rouwklederen rondloopt, die u al jaren geleden uit had moeten trekken — wij moeten ook naar huis gaan en van kleren verwisselen. We moeten weer gaan werken — gaan préken bijvoorbeeld.

Dat is voor onszelf ontzaggelijk heilzaam. Maar het is terwille van anderen ook zo nodig. Want Gods leeddragers zijn schatdragers. Ze dragen een schat van zeer speciale vertroosting en nabijheid Gods mee. En…die schat moeten ze uitdelen. Dat was juist de zin van hun leed. Lijdenszaad is een kostelijk zaad. Maar … je mag het niet in je eigen verdriet laten versterven. Je moet het uitzaaien!

Inderdaad, mensen die een groot verdriet moeten dragen zijn door God met een taak begenadigde mensen. Maar dan moeten ze ook naar huis gaan! Want daar moeten ze gaan vertellen, wat God voor hen was, toen het heel erg donker was. Daarom ging David naar zijn huis terug.

3. Ik zal tot hem gaan

Dat is dan Davids derde gang, nadat het kind gestorven was.

„Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet weder".

Ik heb een hele tijd tegen deze tekst aan zitten turen, broeders en zusters. Ik dacht: wat is dat nu toch verschrikkelijk jammer, dat het er zó staat. Wat kon ik er veel krachtiger en mooier (zo dacht ik bij mezelf) over preken, als het er bijvoorbeeld zó stond:

„Hij keert wel niet tot mij weder, maar ik zal tot hem gaan".

Voelt u het grote verschil? Dan schoot deze tekst aan het slot met een triumphale hemelgang omhoog: „Hij keert wel niet tot mij weder, maar … ik zal tot hem gaan. Amen". Dat was geweldig!

Maar het staat er zo niet. Integendeel, het staat er juist omgekeerd: „Ik zal wel tot hem gaan, maar …" — en dan zakt David weer weg — „hij keert tot mij niet weder".

Vindt u dat nu niet eigenlijk ontroerend menselijk?

Wat een geluk, dat het er zó staat. Wie kan maar zo direct die hemelgang opbrengen? Maar dit hier kunnen wij meevoelen.

Je, even die hemelglans, maar dan verdonkert alles weer door de smart van het weg-zijn. „Maar hij keert tot mij niet weder". Echt menselijk!

En daarom komt het juist zo dicht bij ons, bij ons verdriet en bij onze zwakheid.

„Hij keert tot mij niet weder". Dat leert ons ook, hoe verschrikkelijk egoïstisch wij eigenlijk zijn in ons verdriet.

Ze moeten altijd maar weer naar óns terugkeren, nietwaar?

Het is eigenlijk altijd maar touwtrekken wat wij doen. Naar onze kant trekken.

Wat zijn wij toch zelfzuchtig! Al zou hij nu in nog zo'n ongelukkige lichamelijke of geestelijke conditie geraken, al zou hij ook een stumper worden voor de v.d. Berg-stichting, we zouden hem tóch graag willen houden.

David, zijt gij dan zulk een beste vader, hebt ge dan zoveel grond om te zeggen: „Jongen, je moet bij mij blijven!"?

Is het dan in deze wereld zo buitengewoon, dat hij het nergens beter kan krijgen? Na dezen zullen wij het verstaan, hoe genadig God was, dat Hij het touw vastgehouden heeft en doorgetrokken heeft, en…dat Hij hem wegnam.

Zie, dan komt het laatste, dat hier als terloops en bijkomstig vermeld wordt, in z'n machtige straling naar voren: „Ik zal tot hem gaan".

Broeders en zusters, dat moeten we even diep tot ons laten doordringen. Dat is ontzaggelijk!

De Leger-des-Heilsmensen zeggen dat nog niet zo gek. Ik heb dat in deze dagen leren waarderen. „Bevorderd tot heerlijkheid". En in die heerlijkheid, daar zal ik tot hem gaan.

Het is toch maar treurig gesteld met ons geloof in de toekomstige heerlijkheid.

Als onze zoon in Amerika tot grote staat komt, vinden we het geweldig, als we tot hem mogen gaan. Ja, ik ken uit mijn praktijk gevallen, waarin de kinderen zijn gaan emigreren met de zekerheid, dat ze hun oude moeder niet weer zouden terugzien. Maar het oude mensje gaf geen kik. „Hij krijgt daarginder een beste betrekking, dominee!"

Maar zouden wij dan jammeren als ons kind naar de hemel, naar de hemel, naar de heerlijkheid gaat? „Ik zal tot hem gaan".

Dat betekent dus, dat de relatie niet verbroken is.

Het is niet uit, het is niet uit tussen vader en zoon, tussen David en z'n kind.

Welneen, eindelijk komt de dag — dat duurt ook niet zo lang meer, oude David! — dan moogt gij tot hem gaan.

Ja, dat is toch óók een moteif om naar de hemel te verlangen.

Want nu is daar iemand, die je graag wilt wederzien.

Wilt u dat noteren, dat hier dan toch wel heel duidelijk gezegd wordt, dat wij elkander persoonlijk zullen wederzien en weder-herkennen? Anders kon hij niet tot hem gaan.

„Ik zal tot hem gaan", geweldig! Ja, nu gaat de hemel open.

„En de hemel gaat ons open", zingt dat lied.

Ja, de hemel gaat ons open en ik zal tot hem gaan!

En daar zal niemand zijn, die zegt: „Ik ben ziek".

„Dan zien w' elkander zalig weer en scheiden nimmer, nimmermeer!"

Dag, Johannes! — Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

„TOEN HET KIND GESTORVEN WAS"

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1976

In de Rechte Straat | 32 Pagina's