COLUMBIË LAND VAN MISDAAD
Levensstijl
De Columbiër is meer dan mensen van elders in de wereld afhankelijk van stemmingen en gevoelens. Zijn emoties bepalen veel meer zijn praktische levenshouding dan verstandelijke overwegingen.
Men noemt deze psychische instellingen de „gana", d.i. de lust of de luim om iets wel of niet te doen. Wanneer er geen „gana" aanwezig is, dan gebeurt er niets, ook als beslist gehandeld moet worden. Is die „gana" er wel, dan ontplooit men een aktiviteit en energie, die vaak op geen enkele wijze in verhouding staat tot de middelen en de mogelijkheden, die voorhanden zijn.
Vanuit deze achtergrond moet men het optreden van de Columbiërs verklaren, die voor vreemdelingen zo raadselachtig is. Beslist noodzakelijke opdrachten worden niet uitgevoerd en men stort zich soms op een taak die men zich zelf gesteld heeft (waartoe men ineens „gana" heeft gekregen), die nuchter bekeken zinloos is of waarvoor men zich in elk geval niet zo druk zou moeten maken. Als men dat verschijnsel van de „gana" voor ogen houdt, dan kan men van daaruit alle revolutie, alle onrust en tumult verklaren, die telkens weer de bevolking in beweging brengt, maar diezelfde „gana" is ook de reden van de sociaal-economische achterstand van het land, namelijk in zijn negatieve vorm van lusteloosheid en onverschilligheid.
Deze „gana"-mentaliteit is er de oorzaak van dat je eigenlijk niet met een Columbiër tot snelle zakelijke beslissingen kunt komen. Wirtschaftliche Blitzbesuche (zakelijke bliksembezoeken) en korte besprekingen zijn een onmogelijkheid, wanneer men handel met hen drijft. Men heeft veel tijd nodig voor uitvoerige gesprekken, men moet rustig de tijd nemen voor een ontbijt, en een diner kan zich uren voortslepen. Dat alles is echter nodig om de Columbiër tot die „gana" te brengen, die de sfeer schept, waarin hij tot zakelijke besluiten komt.
Vaak wordt iets uitgesteld tot „manana" (morgen), maar „morgen" betekent niet „de volgende dag", maar „afwachten tot de nodige lust en luim gekomen is" en vaak betekent het praktisch „nooit". Iets dat verschoven wordt naar „passado marïana" (overmorgen), heeft geen kans meer, men doet beter er geen rekening mee te houden. Het is voorgoed van de baan.
De beter-gesitueerde Columbiërs brengen hun vrije tijd door in hun eigen clubjes. Het is moeilijk om daarin door te dringen, maar de gelegenheden waarin de gemiddelde Columbiër zijn vertier zoekt, zijn gevaarlijk. Daar zit de vinger dicht bij de trekker van de revolver en grijpt de hand gauw naar het mes.
Columbiërs zijn mensen die leven bij het heden. Gisteren en morgen telt voor hen niet. Daarom weten ze bij uitstek wat feestvieren is. Ze geven zich daar helemaal aan.
Kerstmis bijvoorbeeld heeft niets van het stille karakter, zoals wij dat kennen in Europa. Kerstmis is voor hen de verjaardag van Christus en dus moet dat zoals iedere verjaardag uitbundig worden gevierd. De pret begint al op 15 december en duurt tot oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen.
En dan karneval! Dan lijkt er geen einde te komen aan het grenzeloze lawaai.
Het eigenlijke religieuze feest voor hen is de „semana santa" (de heilige week), die besloten wordt met het paasfeest. Al vanaf woensdag zijn alle kantoren en bedrijven gesloten. Talrijke processies worden gevormd, zoals ook in Spanje.
Het gezinsleven
Bij de overwegend arme bevolkingsgroepen, die aan de rand van de stad wonen, betekent het gezinsleven niets. Een meise van 13 of 14 jaar brengt daar haar eerste kind ter wereld en doet er aangifte van. Vaak doen ze dat pas, wanneer ze identiteitspapieren voor het kind nodig hebben. Het kind draagt de naam van de moeder, die vaak zelf niet weet wie de vader er van is. De vaders weten zelf meestal ook niet of ze kinderen hebben en zo ja, hoeveel. En als ze het wel weten, dan heeft dat geen praktische gevolgen, want ze trekken zich niets van hun kinderen aan. In de daarop volgende jaren brengt hetzelfde meisje wellicht nog vier kinderen ter wereld, telkens van verschillende vaders. Buiten de moeder ziet niemand naar ze om. Zodra ze lopen kunnen, worden ze er op uitgestuurd om te bedelen. Vele kinderen verliezen al heel vroeg elk kontakt met de moeder en groeien „in het wild" op. Vaak worden ze dan schoenenpoetsers, klusjeskereltjes of dienstmeisjes, en in dat geval voltrekt zich ook bij deze meisjes eenzelfde „moeder-noodlot". Vaak verliezen de meisjes, wanneer ze zwanger blijken te zijn, hun betrekking en worden de straat op gestuurd.
Vroeger was gebrek aan medische verzorging er oorzaak van, dat het bevolkingsaantal op peil bleef. De dood zorgde er voor dat de rijen voldoende gedund werden. Maar nu is er een generatie aan het opgroeien, die een bedreiging vormt voor heel Columbië. De kindersterfte wordt steeds minder. Epidemieën komen zo goed als niet meer voor.
En nu is daar een horde in opkomst, waar het gromt van de spanningen. Dat zijn zij, die vanaf hun vroegste jeugd volkomen verwaarloosd werden, zij die rondlopen in vervuilde en verrafelde kleding en die vervuld zijn van haat tegen de bezittende klasse. Verreweg de meesten van hen kunnen niet lezen of schrijven, want hun moeder vond het veel belangrijker dat ze met bedelen wat centen bij elkaar haalden dan dat ze de school bezochten. En juist deze mensen worden gemakkelijk de prooi van een extremistische politieke groep of van een gangsterbende.
Wanneer de Columbiër meer vermogend is, dan komt het voor, dat hij niet slechts voor zijn eigen gezin zorgt, maar ook nog elders twee of drie vriendinnen er op na houdt, die hij met de kinderen die uit die verbintenissen voortkomen, van het nodige voorziet. Meestal zijn die bijvrouwen plus kinderen ergens anders ondergebracht, maar hebben onderling zo goed als geen kontakt. De familie is doorgaans op de hoogte van deze concubinaten en staat het stilzwijgend toe. Bij het overlijden van de vader komt het dan vaak tot pijnlijke verrassingen, wanneer de wettelijke kinderen alles erven.
Tot zover Heinrich Stein in „Kolumbiën".
En nu mijn ervaringen
Allereerst in het verleden. Wij hebben één Columbiaanse ex-priester in huis gehad. Hij was beland in Brussel bij het Leger des Heils. Die wisten blijkbaar ook geen raad met hem. Ze telefoneerden of wij hem konden opvangen. Natuurlijk, daar is ons ex-priesterhuis voor.
Hij kwam, hij zag en verdween. Ik wil er alleen maar mee zeggen, dat hij inderdaad zulk een door en door verdorven sujet was als beschreven door Heinrich Stein. Hij kon het in de christelijke sfeer van ons huis blijkbaar niet uithouden en pakte na enkele dagen zijn biezen.
En dan mijn ervaringen hier in Bogotá. Om 8 uur 's morgens kwamen ze me halen: ds. Marco, inheemse predikant, ds. Patricio Symes, Australische zendeling en de chauffeur, die een lid van de gemeente bleek te zijn.
Onze tocht ging eerst naar het radio-uitzendstationnetje. Ds. Marco is er erg gelukkig mee. Wat een kansen! zo zegt hij. We kunnen nu doordringen tot priesters en nonnen.
Hij vertelt mij, hoe sinds acht jaar de toestand hier zeer veranderd is. Er is vrijheid van godsdienst. Wel nog niet overal. In het binnenland kan het nog zeer gevaarlijk zijn protestant te zijn. Zo hebben ze drie maanden geleden nog een dominee vermoord in Chinavita. Ze hebben hem met stenen bewerkt en doodgeknuppeld. Dit alles op instigatie van de plaatselijke pastoor.
Er zijn 24 miljoen inwoners in Columbia. Daarvan zijn er ongeveer 1 miljoen protestant.
De gemeente van ds. Marco is vijf jaar geleden begonnen en heeft nu 450 leden, terwijl ze intussen vijf dochtergemeenten gesticht hebben.
Ons volgende projekt is een tehuis voor oudjes. We konden er maar kort vertoeven. Dan gaat onze tocht naar Futuro Juvenil, anderhalf uur met de auto van Bogotá.
Een op moord beluste bekeert zich
Onderweg beginnen ds. Marco en ds. Patricio te zingen en de chauffeur doet mee. Ze zingen over de vreugde van het heil, dat ze in Christus gevonden hebben. Ze prijzen Gods Heilige Naam.
Dan gaan ze bidden, ds. Marco en ds. Patricio. En vanzelf sluit ik me daarbij aan. Het is ontroerend deze eenvoudige omgang met God. Ze bidden voor een goede reis. Ze bidden voor Columbia en voor de broeders en zusters in Nederland, die de christenen in Columbia willen helpen.
Dan zingen ze weer: Que Columbia, Senor, sea bañada en tu Sangre. Moge Columbia gereinigd worden door Uw bloed, o Heere.
Ineens begint de chauffeur te schreien. Hij vertelt: Morgen is het een jaar geleden, dat ik tot bekering kwam. Dat is zo gebeurd. Iemand had mijn gereedschap uit de auto gestolen. Ik was razend. Mijn auto stond in de buurt van het ziekenhuis geparkeerd. Ik had de achterbak van de auto geopend en ging toen achter een boom op de loer staan met mijn pistool. De eerste de beste die zou proberen om ook maar iets uit de auto te stelen, zou ik neerknallen, uit pure wraak!
Terwijl ik zo op prooi zat te wachten, klopte iemand op mijn schouders. Hij kwam zojuist uit het ziekenhuis. Hij straalde! Hij was nog nauwelijks een kwartier geleden tot bekering gekomen door het getuigenis van een protestantse vriend, die hij in het ziekenhuis had bezocht! Dat is voor mij de aanleiding van mijn bekering geworden.
Hij zei nog: wat kan een leven toch geweldig veranderen, wanneer een mens tot bekering komt! Ik was een dronkaard en als taxi-chauffeur in een grote stad (Bogotá telt ruim drie miljoen inwoners) sta je aan allerlei verleiding bloot en ik gaf daar maar te graag aan toe.
Sindsdien zijn er nog acht van mijn naaste familie tot bekering gekomen. Allereerst mijn vrouw, verder broers en aangetrouwde familie.
Mijn zoon wil er niet van horen. Hij woont met een vrouw zonder getrouwd te zijn. Ik heb tegen hem gezegd: Als je voor de wet trouwt, ook al is het met het armste meisje van Bogotá, dat doet er niet toe, dan zijn jullie welkom. Maar ik kan jullie niet in mijn huis ontvangen, nu jullie samenhokken zonder getrouwd te zijn, want nu leven jullie in zonde. Maar daarom wil mijn zoon niets meer van mij weten. Hij groet mij niet eens meer als ik hem op straat tegen kom. Maar ik kan toch niet anders handelen.
Ze hebben nu de taximeter van zijn auto gestolen. Het is heel moeilijk voor hem om aan een andere te geraken. Columbia, land van de misdaad! Maar nu denkt hij er niet meer aan om wraak te nemen op de dieven.
(Terwijl ik dit alles zit op te schrijven in de wachtkamer van de luchthaven van Bogotá, wachtend op het vliegtuig naar Quito, dat ruim een half uur vertraagd is, komt tweemaal een politieagent langs met een hond. Dat is om te zoeken naar eventuele drugs, zo vertelt mijn buurman mij, want de handel in drugs schijnt een verschrikkelijk probleem te zijn in Columbia).
Onvoorstelbaar kinderleed
Eindelijk komen we dan aan in Futuro juvenil (jeugd met een toekomst). De beheerder leidt ons rond. Ze willen dat de inrichting self supporting wordt, want anders hangen ze voortdurend van buitenlandse hulp af. En dan kan de nood erg hoog worden. De beheerder vertelt dat ze in november vorig jaar niets meer hadden. Ze dachten toen de inrichting te moeten sluiten. Gelukkig is op het laatste ogenblik toch nog hulp komen opdagen.
Ze hebben nu 35 kinderen. Het zijn allemaal droevige gevallen. De heer Monroy vertelt enkele voorbeelden.
Er zijn drie kinderen bij, waarvan de vader de moeder vermoord heeft.
Van één van de kinderen verliet de vader de moeder. Die werd toen krankzinnig. De politie kwam de moeder ophalen om ze op te sluiten in een gesticht, want ze werd gevaarlijk. De kinderen kwamen op straat terecht. Tenslotte hebben wij ze opgevangen.
Een ander meisje werd, toen ze vier jaar oud was, geroofd door een vrouw. Het was een zeer knap kind. Die vrouw had echter sadistische neigingen. Ze bond het kind aan een ketting vast. Tot haar elfde jaar - dus zeven jaar - heeft zij bij die vrouw „geleefd". Toen wilde die vrouw haar van kant maken. Ze ranselde haar af en stak haar met een mes in de keel. Het mes raakte echter niet de slagader. Het meisje schreeuwde verschrikkelijk. De buren kwamen opdagen en waarschuwden de politie. Zo is het meisje opgenomen in Futuro juvenil.
We gaan wat eten in het dorp. Dan roept Monroy een jongen. José heet hij. „Deze jongen", zo fluistert hij mij in het oor, „heeft zelf gezien, hoe zijn vader zijn moeder vermoordde".
Ik heb een foto van hem genomen. Het leek mij een leuke jongen met een open gelaat.
Als we terug rijden, wijst ds. Marco ergens naar een bergketen. „Daar wonen veel gelovigen. Ze waren communist, maar nu gaan veler harten open voor het Evangelie!"
Als we Bogotá naderen, zegt ds. Marco: „Daarboven is de bedevaartskerk van de Madonna van Montserrat. Duizenden pelgrims kruipen op de knieën daar naar toe. Hoe meer bloed er dan uit de kapotgekropen knieën komt, hoe groter verhoring van hun gebeden zij verwachten".
In de stad staan we even stil voor de geweldige kathedraal en voor het paleis van de kardinaal-aartsbisschop van Bogotá. Daar heeft Paulus VI gelogeerd, toen hij naar Columbia kwam voor het Eucharistisch Congres.
Mogen wij spontaan zijn zoals de eerste christenen?
Die avond is er een samenkomst in de kerk van ds. Marco. Het is een soort pinkstergemeente. Eerst zingen. Dat gebeurt heel levendig met klappen in de handen en soms met het opsteken van de handen.
Kan ik daaraan meedoen? Van de ene kant voel ik een sterk verlangen in me om gewoon mee te doen en heel eenvoudig met deze kinderen Gods je te laten gaan in de lofprijzing van de Heere. Want die lofprijzing neemt een grote plaats in bij die liederen. De lofprijzing, de dankbaarheid, de vreugde om het rijke heil in Christus. Ik denk na: Wat zegt de Bijbel er van? Hoe gedroegen zich de eerste christenen? Want dat moet toch beslissend zijn. Als zij zich ook zo uitten, waarom zou ik, kind Gods van de twintigste eeuw, dat dan niet mogen?
Ik denk natuurlijk aan de pinksterdag. Toen ging het er zeer uitbundig toe! Maar als theoloog kom je dan met bezwaren: Pinksteren was een éénmalig gebeuren. Het is één van de grote heilsfeiten, zoals het sterven en de opstanding van Christus.
Maar dan schiet me te binnen: Hand. 4:23-31. Vooral het slot. Daar lezen we dat de jonge gemeente van Jeruzalem, samen met Petrus en Johannes, opnieuw vervuld werd met de Heilige Geest en dat de plaats waar zij vergaderd waren, bewogen werd. Dat gebeurde dus door God zelf op wonderbare wijze. Dan is het toch zeker geoorloofd dat ook wij ons bewegen tijdens ons bidden en zingen, dat we dus bijvoorbeeld in de handen klappen en onze handen in de lucht steken van vreugde. Dat was voor mij voldoende reden. Ook ik ging in de handen klappen. En ik voelde me vrij met deze eenvoudige Columbiaanse broeders en zusters.
Daarna was er het gebed. Dat is voor een nuchtere Nederlander nog moeilijker om te aanvaarden. Want wel begon de voorganger, maar allen deden mee. Ieder bad hardop op zijn eigen manier.
Ik kreeg toen het gevoel, dat ik in de gemeente van Korinthe was. Korinthe was ook een stad van de misdaad, een wereldhaven, waar oosterse mystiek zich vermengde met de meest perverse sexuele uitspattingen. De christenen waren uit diezelfde duisternis gekomen als deze Columbianen. Paulus moet hen, die hij in de aanhef van zijn brief noemt „gemeente Gods, geheiligden in Christus Jezus", vermanen dat ze niet meer de hoeren mogen aflopen ( 1 Kor. 6:12-20). Paulus geeft een sublieme reden, waarom ze geen vleselijke gemeenschap met een hoer mogen hebben: „Uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt."
Maar zoals die Korinthiërs ontzettend blij waren met hun verlossing uit de macht van de duisternis en de dood, zo ook deze gemeente Gods in Bogotá.
Ook ik bad hardop mee. Ik wist me één smekend volk Gods, geroepen en geheiligd in Christus. Het was of je inderdaad dan een stuk van je individualiteit verliest. Maar zo ziet de Heere ons immers, niet als een verzameling van afzonderlijke verlosten, maar als zijn volk, sterker nog: als het lichaam van Christus, met eenzelfde verbondenheid als de ledematen van het lichaam: ogen, oren, handen en voeten, die elkaar nodig hebben.
Ik gaf mijn getuigenis, dat meerdere keren onderbroken werd door instemmende uitroepen, zoals Prijs de Heer, Halleluja, dank aan God, Amen.
Een door de boze geest bezeten meisje
Aan het slot van mijn toespraak had ik de nog-niet-gelovigen opgeroepen tot bekering en geloof in Christus, precies zoals Johannes de Doper, Christus zelf en de apostelen gedaan hebben.
Ds. Marco sloot zich daarbij aan en nodigde iedereen uit, die naar het heil verlangde of die een nood had, om naar voren te komen. Een twintig mensen kwamen. Enkelen knielden neer. Ds. Marco begon te bidden. En toen begon een meisje, van naar schatting vijftien jaar, te roepen en te schokken. Ze had volkomen dezelfde uitingen als de bezetenen in de Bijbel. Toen bad heel de gemeente mee. „Heere, verbreek de macht van de satan over dit meisje! Heere, verdrijf de duivel, werp de boze geesten uit dit meisje! Heere, kom en toon Uw macht, opdat Uw heilige Naam verheerlijkt worde."
In Hand. 16:16 lezen we iets dergelijks. Merkwaardig is dat Paulus lange tijd toeliet dat die slavin met haar waarzeggende geest hem lastig viel en pas tenslotte in de naam van Christus de boze geest gebood om die slavin te verlaten.
Na afloop van de dienst kwamen velen - wel een veertig - mij vragen iets te schrijven in hun Bijbel. Ik wist niet dat het er zo veel zouden worden en daarom had ik niet alleen mijn naam geschreven, alsook „broedergroeten", maar ook de kernteksten van mijn getuigenis, namelijk Joh. 6:47 en 1 Petr. 1:8. Toen ik daar éénmaal mee was begonnen, wilde ik ze ook allemaal gelijk behandelen.
Maar wat mij opviel, was dat ze elkaar probeerden te verdringen. Er werden vele Bijbels tegelijk onder mijn neus geduwd. Het was een gedrang. Ieder wilde graag zo spoedig mogelijk klaar zijn.
Zeker, dat is maar een kleinigheid, maar Paulus schrijft in 1 Kor. 13 anders over de liefde. De liefde is steeds geduldig en laat de anderen desnoods voorgaan, maar verdringt hem in elk geval niet, wanneer hij eerder aan de beurt is.
Maar nogmaals: wat een gebreken hadden de met de Geest vervulde Korinthiërs niet? Zij moesten nog veel leren, net zoals deze Columbianen. Wanneer ze na een jaar of vijf nog zo egoïstisch zouden handelen, dan zou het er bedenkelijk uitzien. Dan zou dat een teken zijn dat in de prediking van ds. Marco niet voldoende de oproep zou doorklinken tot de levensheiliging en de liefde.
Hoewel ik dus ook hierin mild wil zijn, wil ik toch met nadruk wijzen op de ernstige vermaning van Paulus. Nadat hij in 1 Kor. 12 uitvoerig heeft geschreven over de gaven van de Heilige Geest, vervolgt hij: „A1 ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. Al ware het dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets" (1 Kor. 13:1-2). En voordat hij in hoofdstuk 14 opnieuw over de gaven gaat spreken, zegt hij eerst: „Jaagt de liefde na en ijvert om de geestelijke gaven" (1 Kor. 14:1). De liefde moet dus steeds voorop gaan.
Ik wil dat beklemtonen. Wanneer wij streven naar allerlei geestesgaven, maar zonder de liefde, dan lopen we groot gevaar dat we niet vervuld worden door de Heilige Geest, maar door de boze geesten. Wanneer wij niet de liefde hebben, dan zoeken we de gaven vooral voor ons zelf, om ermee te pronken. Maar de Heilige Geest laat zich niet gebruiken om onze ijdelheid te strelen. Daarvoor is Hij te heilig. Dan worden we een prooi van de machten der duisternis en trekken geen zegen, maar vloek over ons heen.
Heksen
Op de terugtocht van Futuro Juvenil had ds. Marco mij al verteld over de machten van spiritisme, beheksing en toverij in Columbia. Negentig procent van de bevolking doet daar op één of andere manier aan, zo beweerde hij.
Een heks is nog niet zolang geleden tot bekering gekomen. Voor 80 pesos (ƒ 9,—) zorgde zij er voor dat iemand doodging. Er zijn heel wat van die heksen. Een man die zijn vrouw kwijt wil en ze niet zelf durft te vermoorden, gaat naar zo'n heks toe en betaalt het heksenloon; of een man wiens begeerte is uitgegaan naar de vrouw van een ander, zorgt op deze manier er voor dat die vrouw „vrij komt" en hij er mee kan trouwen, of als men alleen maar wraak wil nemen, doet men hetzelfde.
Deze vrouw had altijd succes. Door haar bezweringen was het alsof er slangen in de buik van de bezworene begonnen te kruipen. Dan begon hij of zij te kronkelen van de pijn en stierf vroeg of laat.
Ik schrijf hier slechts neer wat ds. Marco mij vertelde. Ik heb het natuurlijk niet kunnen controleren, maar in de parapsychologie is men er al lang van overtuigd, dat er paranormale begaafdheden zijn, hetzij in positieve (bv. ter genezing), hetzij in negatieve zin.
Deze vrouw had ook geld gekregen voor de bezwering van een christin. Maar het lukte niet. Welke vorm van toverij, van vervloeking of bezwering ze ook toepaste, het had geen succes. Toen is ze gaan onderzoeken, hoe dat kwam. Ze kreeg te horen dat de Heilige Geest woont in de lichamen van hen, die tot geloof in Christus zijn gekomen. Deze ontdekking greep haar zo diep aan, dat ook zij tot bekering kwam. En nu werkt zij onder de heksen en geeft haar getuigenis en tracht hen tot Christus te brengen.
Internationaal heksen- en tovenaarskongres
Van 14-18 augustus wordt het eerste wereldkongres van hekserij en toverij gehouden in…… Bogotá! Een geweldig bord met de aankondiging: „Congreso mundial de brujeria" is aangebracht op het drukste plein van de stad. Toen ik er overdag langs reed kon ik er geen foto van maken, want je mocht er niet stilstaan, 's Nachts heb ik het wel geprobeerd. Ik hoop dat de foto gelukt is.
De christenen van Bogotá verspreiden een pamflet om de mensen te waarschuwen en tot bekering te roepen. Onze chauffeur Sarmiento had er zelf al duizend verspreid. De tekst van die folder luidt:
„Denkt u dat God het hiermee eens is?
Eerste wereldcongres van hekserij
Welzalig het volk, welks God de Heere is (Ps. 133:12)
De toverij en hekserij die Bogotá als centrum heeft, wordt door God verworpen. Waarom moest men onder de duizenden steden van de wereld juist Bogotá uitkiezen voor het houden van zulk een afschuwelijk kongres? Is er iemand die daar een antwoord op kan geven? Ja! De Bijbel, het Woord van God.
Men heeft ons volk eeuwenlang bedrogen, doordat men voor ons de kern van de Waarheid verborgen hield. En in plaats daarvan heeft men ons geboden opgelegd en leringen van mensen, menselijke godsdienstigheid, zonder kracht, zonder gezag. Zij die een beetje nadachten, lachten er om. Al die menselijke godsdienstigheid bracht meer verachting dan eerbied voor God. En zo moesten ook wel de verschrikkelijke gevolgen voor Columbia komen, zoals dit eerste internationale kongres voor hekserij. Weet u wat dit alles betekent? Niets meer en niets minder dan dat de satanische machten ons willen verslinden. Alleen God kan hier uitkomst geven. De Bijbel zegt dat in de laatste dagen de duivel al zijn macht op de aarde zal ontplooien om zijn heerschappij zo sterk mogelijk te maken.
Toverij en hekserij zijn van de satan
In Deut. 18:10-12 staat geschreven: „Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de Heere een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de Heere, uw God, hen voor u weg."
Columbianen, die in God gelooft, wij moeten ons verenigen, opdat de plaag van de hekserij uit ons land verdreven wordt. Daarvoor is nodig dat wij samen onze toevlucht nemen tot het gebed en dat wij tot inkeer en berouw komen. Want anders zal de schaduw van de vervloekte hekserij en toverij vallen over onze kinderen.
Wilt u meer inlichtingen? Ziehier ons adres en telefoonnummer."
(Tot zover deze folder).
Christenen van Nederland, moeten ook wij ons niet verenigen in gebed en misschien ook in vasten, overeenkomstig het woord van Christus: „Dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten" (Mt. 17:21).
Moeten we dat vooral niet doen van 14-18 augustus?
Na de samenkomst had ik ook een gesprek met een jonge vrouw. Haar broer is priester. Zij is reeds tot geloof in Christus gekomen. Zij gaat nog elke zondag naar de r.-k. kerk om er te bidden voor de bekering van haar familie, vooral van haar broer (Ds. Marco zei later tegen haar: „De reden dat uw broer nog niet tot bekering is gekomen, is misschien omdat uzelf nog halfslachtig bent. Waarom komt u alleen door de week naar onze kerk en niet 's zondags? Dat is toch geen getuigenis tegenover uw broer."). Ik heb haar beloofd haar onze Spaanse editie te sturen.
Daarna reed haar man ons (plus ds. en mevr. Marco en de Nederlandse zendeling A. Deelen) door de stad. Hij bracht ons naar een plaats, van waaruit we een prachtig gezicht hadden over de miljoenenstad met haar haar vele lichten. Terwijl ik daar naar keek, dacht ik: hoeveel misdaden worden er op dit moment niet gepleegd daarbeneden door deze massa's in hun leegte en wanhoop?
Mevr. Marco vertelde over de verschrikkelijke prostitutie van meisjes zelfs van 9 tot 14 jaar. We reden door straten, waar de ontucht werd uitgestald, inderdaad ook door dergelijke kinderen. „Velen slapen in de portieken, soms liggend over elkaar", zo vertelde men mij.
De christenen in Bogotá willen daar iets aan doen. Ze willen dergelijke meisjes opvangen en verder helpen. Daarvoor is nodig, dat ze door werken hun levensonderhoud verdienen voor zichzelf en voor hun verschillende kinderen.
Daarom heeft ds. Marco een confectie-bedrijfje opgericht. Hij overhandigt mij papieren, waarop vermeld staat het nummer, waaronder ze zijn ingeschreven in het handelsregister: 000408.
Ze hebben nodig:
1. geld om hun huidige confectie-zaak verder uit te breiden, zodat nog meer meisjes aan het werk kunnen worden gezet.
2. naaimachines.
3. geschikte evangelisatie-lektuur, waarmede vooral deze eenmaal bekeerde prostituées kunnen werken".
Aan het slot van zijn brief schrijft ds. Marco: „Broeders en zusters van Nederland, alles wat u kunt doen tot redding van zielen in dit land van duisternis, zal de Heere u vergelden".
Aan de overkant op de top van een berg baadt een reusachtig Mariabeeld in het licht van de schijnwerpers. „Reeds drie keer zijn de armen van dat beeld door de bliksem weggeslagen, maar telkens hebben ze die weer hersteld", zo zegt ds. Marco. Waarom brengen ze dan geen bliksemafleider aan boven dat beeld, zo denk ik bij mezelf. Misschien zouden ze daarmee al te zeer de onmacht van een beeld demonstreren.
In 1 Sam. 5:4 lezen we: „Maar toen zij de volgende morgen vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark des Heeren, maar het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehouwen op de drempel, slechts de romp was nog over."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1975
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1975
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
