MET ZULK EEN GELOOF VAART NIEMAND WEL
Enorm geboeid heb ik het boek van prof. Kuitert gelezen: „Zonder geloof vaart niemand wel".
Waarom zo geboeid? Omdat ik er volledig weer mijn strijd van vijf jaar, die ik heb moeten voeren in de tussenperiode tussen mijn kwijtraken van de r.-k. geloofsovertuiging en mijn overgang naar de Reformatie, in herkende. Het gaat nl. over de laatste grond van mijn geloof, in de r.-k. theologie de analasis fidei, de ontleding van de geloofsakt, genoemd. Het is mij altijd al opgevallen dat de protestanten over het algemeen weinig over dat probleem nadenken. Ik heb dat o.a. opnieuw gekonstateerd in een gedachtenwisseling, die ik enige jaren geleden met prof. Berkouwer voerde in het Gereformeerd Weekblad.
Bij ons, r.-k. theologen, was dat een kwestie van vitaal belang. Dat hing samen met onze leer dat het bovennatuurlijk geloof dat nodig is voor de zaligheid, een substraat, een onderbouw, moet hebben in een natuurlijk geloof. En dat natuurlijk geloof moet bij volwassenen zich baseren op verstandelijke argumenten.
Heel het boek van Kuitert is eigenlijk een behandeling van die grondvraag. Maar hij komt tot precies de tegenovergestelde konklusie als ik destijds. En innerlijk geloof ik - „geloof" hier verstaan als zekerheid en vertrouwen dat door God Zelf gewekt is - dat dit geloof bij mij niet een gevolgtrekking uit een verstandelijke redenering was, maar een wonder Gods, berustend op Zijn openbaring in de Schrift, onder de verlichting van de Heilige Geest.
In hoofdstuk VII van „Mijn weg naar het Licht" (uitverkocht) heb ik die strijd beschreven, die vier jaar duurde. Ik was nl. overspannen geweest en had anderhalf jaar gerust, maar dat had niet geholpen. Toen bleef er voor mij maar één mogelijkheid over nl. de stelselmatige analyse van mijn onderbewuste konflikten. Ik moets daarbij alles aan een onverbiddelijk onderwerpen, ook de geheimste roerselen van mijn ziel. Ik moest mij toen ook de vraag stellen: Is mijn r.-k. geloofsovertuiging ten diepste niet het resultaat van suggesties, die door allerlei angsten in mijn jeugd zijn overgeplant in mijn ziel? En toen ik eenmaal die vraag bevestigend beantwoord had, ging ik verder en vroeg mij af: Is heel mijn christelijke overtuiging niet een zaak van suggestie uit mijn jeugd? De Heere heeft mij uit die ellende van de vertwijfeling gevoerd naar Zijn wonderbaar Licht, en ik kan nog steeds mijn dankbaarheid niet op voor die genade.
Kuitert herleidt in zijn boek het christendom inderdaad tot een zaak van projektie. (Projektie is een term uit de psychologie. Zoals een filmapparaat beelden op het witte doek werpt (projekteren = naar voren werpen), zo werpen ook onze diepste verlangens en begeerten soms allerlei beelden op het witte doek van onze fantasie en van ons verstand. Velen maken dan de vergissing, dat ze denken dat die beelden stammen uit de werkelijkheid buiten hen, terwijl die beelden door hun eigen innerlijk, hun onderbewustzijn, zijn voortgebracht. Men spreekt in zulk een geval ook wel van „wensdromen" en dat proces is ook wel bij iedereen een beetje bekend, want we hebben immers de uitdrukking: De wens is (vaak) de vader van de gedachte.
We laten nu Kuitert zelf aan het woord:
„Ook het christelijk geloof is een geloof dat mensen (accentuering van Kuitert) erop nahouden, dat wil zeggen: het bestaat uit projekties, woorden, gebruiken die hier beneden en niet in de hemel bedacht zijn" (p. 27). „Ik denk dat we nauwelijks aan de konklusie kunnen ontkomen dat hiernamaals, laatste oordeel, hemel en dergelijke thema's allemaal projekties van mensen zijn over een toekomst, waar ze eigenlijk niets van weten. De doden trekken de ladder achter zich omhoog; je kunt ze nooit meer bereiken. Wie weet wat waar is over wat na het sterven komt?" (p. 83).
Is er een opstanding der doden?
Op grond van deze visie op het christendom stelt Kuitert zich duidelijk agnosticistisch (agnoscere = niet weten) op tegenover allerlei feiten van de christelijke openbaring. Hij heeft dat vroeger al eens gedaan over de opstanding van Christus in het blad „Voorlopig". Hij herhaalt dat in dit boek. Enkele citaten:
„Hoe we dat (de opstanding van Christus) moeten verstaan, in elk geval hebben ze (de hoorders van Jezus) willen zeggen: wij hebben gemerkt dat God aan hem die ons leerde uit de toekomst Gods Rijk te verwachten, heeft gedemonstreerd dat de macht van Zijn toekomst nog sterker is dan de macht van de dood. Christenen koesteren verwachting. Dat delen ze met alle mensen. Maar het is typisch christelijk om de verwachting (waar geen mens zonder kan en zonder leeft) vast te haken aan Jezus, aan zijn verkondiging van het komende Godsrijk en aan zijn weg" (p. 46).
Nee, wij haken onze verwachting niet aan de verkondiging van Christus allereerst, maar aan het feit van Zijn opstanding. Paulus zegt het vrij radikaal: „En indien Christus niet is opgewekt, zo is ook onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof" (1 Kor. 15:17). Nog één citaat:
Christenen hoeven (accentuering van K) dat (=- is de werkelijke opstanding van Christus) niet te geloven, maar geloven dat graag, laten zich als het ware verleiden om dat te geloven" (p. 84). N.B. „ze geloven dat graag" - hier vindt u dus weer dezelfde gedachte: het christendom is ten diepste een wensdroom van de mens, geen openbaring Gods, of althans: je weet het niet, wat het is.
Paulus verbindt de opstanding van Christus heel nauw met onze opstanding. Kuitert doet dat ook. Hij weet niet wat met de opstanding van Christus bedoeld wordt en konsekwent spreekt hij ook zijn twijfel uit over wat er met ons na de dood gebeurt: „En wat kan een mens zeggen, als hij oog in oog staat met zijn eigen dood..? Ik zou het vandaag nog niet weten, maar ik zou wel denken dat onze geest daar ( = in de handen van God. H.J.H.) in veilige handen is " (p. 85).
Hoe weet ik of een godsdienst waar is?
Wij zouden zeggen: wij weten dat het christendom waar is, omdat het steunt op Gods openbaring. Nee, zegt Kuitert, of het christendom beter is (dat is het hoogste wat je van het christendom zou kunnen zeggen, volgens K.) dan andere godsdiensten, hangt af van de vraag of mensen met en door het christendom „wel varen". Hij schrijft:
„Het is een vraag, die zakelijk wordt beslist, met behulp van geen andere maatstaf dan dat de godsdienst ergens goed voor moet zijn, nl. om de mensen in hun menszijn, dat wil zeggen: bij het veranderen van de wereld die ze aantreffen, te begeleiden, zó te begeleiden dat de mensen wèl varen" (p. 30). „Zo heeft het christendom in de verhalen van Jezus zoiets als zijn eigen oerverhalen… En over hun waarheid als godsdienstig oerverhaal beslist in laatste instantie, hoe griezelig dat ook mag klinken, de vraag of ze ook werkelijk doen wat ze doen moeten, mensen genoeg licht, geloof en verwachting geven om hier in onze wereld te leven en te werken" (p. 44).
Kuitert stelt in wezen het christendom gelijk aan alle andere godsdiensten. Dat ligt ook reeds in de titel uitgedrukt: „Zonder geloof vaart niemand wel". Met dat geloof bedoelt hij niet het christelijk geloof, maar welk godsdienstig geloof dan ook. Hij schrijft:
„Het christendom is ook godsdienst, een godsdienst temidden van de andere godsdiensten, één van de grote tradities die de godsdienstige erfenis van de mensheid onder hun hoede hebben, en voor zijn historische ontwikkeling — net als de andere godsdiensten — gebonden aan voorwaarden van taal, kuituur, klimaat, volksaard enz." „Het christendom is een van de laatkomers onder de grotere godsdienstige tradities (Van der Leeuw)" (p. 33).
Als wij uitgaan van het absoluut en dus verkondigend karakter van het christendom, dan zegt hij dat we daardoor onrecht aandoen aan de andere godsdiensten (p. 28). Op een ragfijne manier tracht hij het geloof in het absolute openbaringskarakter van het christendom te ondermijnen, wanneer hij aldus poneert: „Menselijke uitspraken worden niet méér waar, als iemand zegt dat ze op openbaring berusten" (p. 28). Iemand kan wellicht onthutst zijn door zo'n strikvraag, want méér is het niet. Ons antwoord zou echter moeten luiden: Het Christendom is niet méér waar dan de andere godsdiensten, het is zonder meer waar. En dat niet omdat de christenen zeggen dat hun godsdienst op openbaring berust, maar omdat ons geloof wérkelijk op openbaring berust. Daarom stelt hij het ook voor alsof de samenstelling van de Bijbel (de 66 boeken) berust op een keuze van de christenen zelf (p. 36).
Kuitert gaat er dan ook van uit dat iedereen, ook de niet-gelovige, met evenveel recht kan meepraten over de boodschap van de Bijbel. „Je hoeft geen christen te zijn om over kerk en christendom te kunen meepraten. Volgens sommige christenen ligt het precies andersom en weten buitenstaanders, omdat het nu eenmaal buitenstaanders zijn, niets over kerk en christendom. Maar om méér dan één reden lijkt mij dat geen houdbare redenering" (p. 8). Maar de Bijbel zelf — nou ja, uit het bovenstaande blijkt dat Kuitert die als absolute norm niet aanvaardt — zegt: „De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden" (1 Kor. 2:14). Of ook: „Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien" ( Joh. 3:3).
Is Kuitert oneerlijk?
Die vraag heb ik me even gesteld. Waarom blijft hij nog lid van de gereformeerde kerken en hoogleraar aan de VU, terwijl hij die kerken wil sturen in een richting, volkomen in strijd met hun belijdenis?
Maar ik meen dat we Kuitert beslist niet mogen beschuldigen van oneerlijkheid. Hij schrijft open en duidelijk, wat zijn bedoeling is nl. om onze kerken (en onze toekomstige predikanten) te leiden naar puur humanisme.
Wie dan wél oneerlijk zijn? De gereformeerde kerken, en met name de leden van de synode, die daarvoor de hoogste verantwoordelijkheid dragen. Zij immers beweren dat de gereformeerde kerken belijdende christelijke kerken zijn. Maar dat is onwaar, wanneer men aldus toelaat dat de toekomstige predikanten worden opgeleid door iemand, die het wezen van het christendom loochent nl. het unieke karakter van Gods Woord, dat onze absolute norm is en niet moet worden aanvaard op grond van de praktische bruikbaarheid, zoals K. beweert.
In „Patrimonium" schreef Piet Koenes: „Toevallig hoorde ik enige weken geleden prof. Kuitert preken. Een boeiende preek. Dat wel! Er ontbrak echter één dimensie aan. De geloofsverkondiging nl. dat Christus in deze wereld gekomen is om zondaren te redden en dat voor geloof in Christus een bekering d.i. omkeer nodig is." Die dimensie ontbreekt echter telkens in de publikaties van Kuiter.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1975
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1975
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
