In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

COLADRINKERS EN REINEN VAN HART

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

COLADRINKERS EN REINEN VAN HART

5 minuten leestijd

Dit artikel was oorspronkelijk bedoeld voor ons evangelisatieblad „Op weg naar Damascus"

„De Coladrinkers" van Jos Vandeloo is een verhaal, waarin de hoofdfiguur in ik-vorm zijn samenleven beschrijft met een willekeurig meisje, dat hij na enige tijd weer in de steek laat. Over dat meisje zegt hij in zichzelf, dus niet hardop: „Martine. . jij gelooft in een hemel en een hel. Een plaats waar men beloond of gestraft wordt voor zijn schamele leventje op aarde. Soms praten wij hierover, je ouders waren diepgelovig en dat hebben ze op jou overgebracht. Je doet er nu niet meer zoveel aan, maar ik voel dat het in je zit, dat het bijwijlen sterk in je leeft en een bron van zorgen of verwijten is. Ik zeg je dat woorden als „god" en „hemel" en „hel" en „genade" en „zonde" door de mensen eeuwenlang vreselijk misbruikt zijn geworden. Er is toch veel veranderd, zeg je een beetje gelaten. De gelatenheid haat ik. Er is nog bijna niets veranderd. De hemelse beloning is bijna altijd een aspirine voor de arme mensen, een geneesmiddel voor aardse ongelukken, ontberingen menselijke tekorten, ellende, miserie, pijn, droefheid, enz. Toch bestaat er een god, zeg je dan, want ik voel het. Goed, zeg ik, laat ons aannemen dat hij bestaat. In dat geval zal de ware betekenis van zijn persoon en van zijn boodschap helemaal anders zijn dan de bekrompen en godvrezende lieden denken, hij zal in de eerste plaats vol liefde zijn en begrip hebben voor alles wat we doen en gedaan hebben" (blz. 12 en 13).

Het lijkt mij dat deze hoofdfiguur daarmee de gedachte van velen tot uitdrukking brengt. Daarom wil ik er graag op ingaan, omdat uit dit stukje heel wat vormen van onbegrip omtrent de ware godsdienst te vinden zijn. Ik zou graag het volgende willen opmerken:

1) De hemel is niet de plaats waar men beloond en de hel niet de plaats waar men gestraft wordt „voor zijn schamele leventje op aarde". In zo'n God die als een ouderwetse schoolmeester onze min- en pluspunten zit op te tellen, zou ik nooit kunnen geloven. Voor een gelovige is God geheel anders dan hier wordt voorgesteld, oneindig anders. God is voor mij de diepste, de heerlijkste Werkelijkheid, die zich denken laat. Die God zal ook nooit „mijn schamele leventje op aarde" kunnen belonen, want daarvoor is het veel te schamel, te zeer beneden de maat, of laat ik het maar ronduit zeggen: verziekt in egoïsme en schuld.

En als die God iemand straft vanwege zijn zondig leven, dan is dat tegelijk een geweldige verheffing van de mens. God zal later geen hond of kat straffen, ook al zijn die misschien nog zo vals geweest tijdens hun korte aardse bestaan. De Bijbel zegt alleen van de mens, dat hij geschapen is „naar het beeld van God" (Gen. 1:27). Dat is de grootheid van de mens. God heeft hem zó gemaakt, dat hijzelf eeuwige verantwoordelijkheid voor zijn daden kan dragen.

2) Dat allerlei bijbelse woorden door de eeuwen heen door de mensen vreselijk misbruikt zijn geworden, stem ik direkt toe. Maar dat is dan voornamelijk gebeurd door mensen die zich christenen noemden en misschien ook wel dachten dat ze het werkelijk waren, maar die Christus nooit persoonlijk hebben gekend; christenen die zich gepantserd hadden met allerlei harde dogma's, maar nooit werkelijk verbroken werden voor het aangezicht van de heilige God.

Je kunt dat vaak al merken aan de manier waarop ze over God en de goddelijke dingen praten of schrijven. Er zijn er die het woord „God" als een stopwoordje voortdurend in hun gesprekken er tussen gooien. Ik kan me niet voorstellen dat een mens die echt besef heeft van de grootheid Gods, zo iets kan doen.

Anderen gebruiken het woord „God" en de goddelijke dingen als een wapen om mede-christenen te bestrijden. Je merkt soms in hun felle polemische artikelen de nauwelijks verholen triomfantelijke roes: „Nou heb ik die ander met die of die Bijbeltekst schaakmat gezet". Nu wil ik niet zeggen dat met name onder die laatste groep zich geen echte christenen kunnen bevinden. De zondigheid zit zo diep in ons menselijke wezen, dat ook echte kinderen Gods daardoor belemmerd worden om steeds over God te spreken met die eerbied die Hem toekomt.

3) De hoofdfiguur zegt: Als er een god is, dan „zal hij in de eerste plaats vol liefde zijn en begrip hebben voor alles wat we doen en gedaan hebben". Terecht schrijft Vandeloo het woordje „god" dan met kleine letter, want dat is dan ook niet de waarachtige God die Zichzelf openbaart in de Bijbel Die God komt majesteitelijk tot ons. Zijn spreken in het diepste van onze ziel is overweldigend. Dat is die geheimenisvolle werking van de Heilige Geest door het Woord Gods. Een mens die dit ervaart, wordt er stil van, wordt dan geroerd tot in het innigste van zijn „ik". Een onbeschrijfelijke ervaring is dat, die met niets anders is te vergelijken. En wanneer Gods Geest helemaal bezit heeft genomen, wordt hij daardoor zozeer innerlijk omgevormd dat de Bijbel dat een wedergeboorte noemt.

4) Vandeloo zal het mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, als ik even eerlijk spreek over zijn ongeloof, wanneer hij schrijft over wat volgens hem onze godsdienst is. Ik zou hem dan willen wijzen op deze zaligspreking van Christus: „Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien" (Matth. 5:8). De hoofdfiguur van zijn boek gaat zozeer op in de ongebreidelde sex, dat hij nooit God waarachtig kan zien. God wil Zich niet aan zulke mensen openbaren. Is er dan voor hoeren en echtbrekers en ontuchtigen geen redding? De Bijbel zegt van wel. Maar dan zullen ze in verbrokenheid des harten, onder de werking van Gods Woord en Geest hun schuld voor God moeten uitschreien en gereinigd moeten worden door het bloed van Gods Zoon, Jezus Christus. Willen zulke mensen God vinden, dan zullen ze de Heilige Schrift moeten gaan lezen, vol eerbied en verlangen. Want door dat Woord wil God zich openbaren, door dat Woord van de Schrift alleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

COLADRINKERS EN REINEN VAN HART

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's