In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

hemels of aards denken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

hemels of aards denken

8 minuten leestijd

Lijnrecht tegenover het denken van prof. Verkuyl en van zovele moderne theologen staat de visie van dr. W. Aalders, die hij in zijn boeken, vooral in „Schepping of geschiedenis", ontvouwt.

Aalders laat zien, dat in en door Christus er een verschijning en doorbraak van de hemelse werkelijkheid heeft plaats gehad. In Hem is God verschenen in het vlees. Dat betekent, dat wij, de gelovigen, nu niet meer de horizont van de altijd weer opdagende tijd hoeven af te turen op zoek naar een tijdstip dat onze verlossing komt. Wij mogen nu onze harten opwaarts heffen. Tot ons klinkt de oproep: „Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn, want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God" (Kol. 3:1-3).

Aalders wijst erop dat het historisch-lineaire denken als een diep gif in het menselijke bewustzijn zit. Wij willen ons altijd maar weer storten in deze tijd en in deze wereld. Ondanks de meest duidelijke bijbelse uitspraken menen wij toch, zij het heel vroom met de kracht die Christus ons zou willen verlenen, zelf een nieuwe aarde op de oude, ten vure opgeschreven, aarde te kunnen bouwen. Het wil er bij ons niet in dat wij als vreemden hier vertoeven moeten. Intuïtief beseffen we dat we dan niet meetellen in deze wereld- Je krijgt alles en iedereen tegen je, wanneer je met zulk een boodschap van een slechts hemelse heilsverwachting komt. Dat is vooral duidelijk in onze tijd. Dat wordt heel duidelijk zichtbaar in de Wereldraad van Kerken.

„Wie nú bouwt aan de eenheid der mensheid, kan met atheïsten en andere godsdiensten samengaan — de Wereldraad van Kerken heeft zulks ook openlijk en herhaaldelijk gezegd! Uppsala spreekt uit: „Als wij (de mensen) er niet in slagen een nieuwe wereldgemeenschap te scheppen, betekent dit misschien de dood voor ons allen". De mens ziet zijn ondergang naderen, maar het is de kerk die dan op Christus dient te wijzen. De Wereldraad weigert dat ten enenmale en zegt: Met onze eigen werken zullen wij een nieuwe wereldgemeenschap moeten bouwen. Ook in dit opzicht heeft de Wereldraad geen reformatorische, doch een puur rooms-katholieke leeridee. Daarom kan de Wereldraad de eis stellen dat er moet worden samengewerkt met rooms-katholieken, belijders van andere godsdiensten en met mensen zonder religie". (Aldus Vermaat in „Signalen van de eindtijd", p. 177).

Zo gemakkelijk vervalt de Gemeente tot een aards denken, waarbij ze zich helemaal nestelt in de geschiedenis, in de stroom van de tijd, waarover echter de vloek Gods ligt. Altijd weer willen wij torens van Babel bouwen, wij, wij, wij! Maar de Bijbel nodigt ons uit om re rusten in God, om reeds nu te genieten van de sabbatsrust, die voor Gods volk is weggelegd.

„Zo zien wij telkens de gemeente de adelaarsvlucht des Geestes verliezen en zich verlagen in het wereldse tijdsdenken. Zij kan dan het Evangelie niet anders meer verstaan dan historisch. Zij gaat Christus zien als Degene, die gekomen is in de wereld, om de geschiedenis tot vervulling te brengen, en de aardse toekomst nieuwe inhoud te geven. Christus' opstanding is dan voor haar het triomfantelijke begin, Zijn wederkomst de glorieuze afsluiting van het tijdsgebeuren, dat de mens door zijn zonde wel heeft doen ontsporen, maar dat door Christus Triomfator weer is hersteld en voleindigd. Zo beleeft zij het Evangelie louter werelds, en het heil als vergoddelijking en verabsolutering van de geschiedenis. Het is een Evangelie geworden zonder God, zonder schepping, zonder hemel, zonder Heilige Geest. Zó sterk is het gif van het historische denken! De mens, ook de „christelijke" mens, kan niet anders denken, dan in het raam van dit zondige bewustzijn. Tenzij. . hij de metanoia ( = bekering, verandering van denken en gezindheid. H.J.H.) heeft ondergaan, en nauwgezet en teer onder de tucht van Diens troost- en vermaanwoord blijft leven". Aldus Aalders in „Schepping of geschiedenis", p. 78-79.

De diepe vraag, waarvoor het christendom zich in onze dagen gesteld ziet, is juist deze: Moeten wij in ons denken en doen geheel gericht zijn op de dingen van Boven of is het de bedoeling dat wij bidden om krachten, die Christus voor ons heeft veidiend en die ons langs de weg van geloof (de moderne protestanten houden daar ook nog wel aan vast) of via de sakramenten geschonken worden en waarmee wij dan verder moeten werken?

Ten diepste gaat het dus weer om de oude vraag: Rome-Reformatie. Immers zij die menen dat wij hier op aarde Gods Koninkrijk moeten verwezenlijken met de hulp van (bovennatuurlijke) krachten, die ons worden ingestort op grond van de verdiensten van Christus, zijn in wezen geheel rooms in hun denken. Ze kunnen dan ook in de oecumene heel gemakkelijk met de rooms-katholieken samenwerken. Ze voelen nauwelijks een verschil en ze begrijpen onze bezwaren dan ook niet. Ze menen dat het bij ons alleen maar een kwestie is van een verouderd antipapisme of een ressentiment. Dat maakt het zo moeilijk, dat zij ons bestrijden zonder ons te begrijpen.

Zij zien niet de eigen aard van het geloof, zoals dat ons in de Bijbel ontvouwd wordt en zoals dat door de Reformatie weer werd herontdekt. Het geloof is de voortdurende afhankelijkheid van een zondig mens tegenover een God, waarvan hij weet dat Die hem genadig wil zijn in Jezus Christus. Nooit kunnen wij steunen op „dingen" in ons. De kracht van ons geloof ligt dan ook niet in het geloof zelf, maar in Hem op Wie ons geloof zich richt, op Hem die de goddeloze rechtvaardigt om niet. Zodra wij op het geloof zelf gaan steunen als op een verstandelijke overtuiging of op een gevoelsbeleving, zijn we de eigenlijke kracht van het geloof kwijt, want die kracht is niet iets, maar Iemand; ze is namelijk de Heilige Geest in ons, die ons met Christus verbindt.

Zo gaan zij dan ook het Verbond heel anders zien, — wij wezen daar reeds op in vorige nummers. Dat Verbond is dan niet meer de tere uiting van een God, die eigenlijk ons voor eeuwig van Zich moest werpen in de vervloeking, maar die het initiatief nam voor de verzoening, terwijl wij, dwazen! van geen verzoening wilden weten en vijandig tegenover Hem stonden. Voor hen is het Verbond een samengaan van twee partners, waarbij ze ook nog wel willen erkennen dat God de eigenlijke Partner is. Zo maken ze het Verbond tot een uiting van religie — elke religie erkent God als eerste begin en laatste oorzaak —, maar niet als een uiting van genade voor verloren zondaars, althans zo beleven ze het niet. Zij zien de genade als iets in de mens, als een kracht in hem (de oude roomse dwaling), waarmee ze als rentmeesters van God kunnen werken aan de verbetering van de wereld. Ze zien niet het verschil tussen de verhouding van de mens tot God vóór en na de zondeval, of om het theologisch te zeggen: tussen het werkverbond en het genadeverbond.

Zij zullen b.v. ook niet begrijpen, waarom wij zulk een artikel als van prof. Verkuyl kunnen afwijzen. Ze zullen ons tegenwerpen: Maar wat een vroomheid spreekt er niet uit dat artikel! En hoe beslist schrijft Verkuyl niet over de werkelijke lichamelijke opstanding van Christus!

Allereerst wil ik nog eens voor de zoveelste keer herhalen, dat wij nooit over harten willen oordelen. Het gaat ons slechts over wat iemand schrijft en om de richting, die hij anderen meent te moeten wijzen. En dan moeten we zeggen: nee, dit is eenzelfde soort vroomheid als van de farizeeën (farizeeër hier niet te verstaan als een huichelaar, zoals dat woord langzamerhand bij ons is gaan betekenen, maar als iemand die op grond van zijn werken, vooral van zijn vroomheid, meent voor God te kunnen bestaan, hoewel hij ook wel bereid is om te erkennen dat hij God voor zijn vroomheid moet bedanken: „Heere, ik dank u dat ik niet ben zoals de anderen", zo bad de farizeeër in de tempel).

Vervolgens, we vinden reeds in de titel van dat artikel die horizontale ombuiging van het Evangelie terug: „De opstanding van Jezus, een meeslepend gebeuren".

V. zegt er verder van: „Deze gebeurtenis is een geboortenis. Het is een ouverture, het begin van een nieuwe schepping, het bruggehoofd voor een nieuwe wereld".

Daarachter schuilt m.i. de eveneens r.-k. gedachte dat de kerk zou zijn de voortgezette incarnatie (vleeswording van Christus), waartegenover prof. van Ruler destijds zulk een nadrukkelijk nee heeft laten horen en geponeerd heeft :„De kerk is de voortgezette inhabitatio ( = inwoning) van de Heilige Geest.

Ik krijg de indruk dat de nieuwe theologen wel heel veel kontakt hebben met r.-k. theologen, maar heel weinig of geen kontakt met gelovigen, die nog willen leven uit de leer én de beleving van de Reformatie. Dat zij dan op den duur de juiste kijk op de Reformatie Verliezen, is dan hun eigen schuld, maar dat zij dan hun. theorieën willen overdragen op de leden van de reformatorische kerken en hen aldus door humanisme vergiftigd voedsel aanbieden, is een zware verantwoordelijkheid die zij op zich laden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

hemels of aards denken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's