In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Van achter de IJZEREN muren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van achter de IJZEREN muren

14 minuten leestijd

KORTE SAMENVATTING VAN HET VOORAFGAANDE: De tante van Celine (haar meisjesnaam) was gekomen om van haar vader definitief de dochter op te eisen. Celine was de jongste van vier dochters. Bij de oudere zussen had Tante telkens bot gevangen. Maar deze keer was ze vast besloten haar kloosterprooi niet los te laten. De tante is bezig moeder te bewerken, terwijl de zussen aan de deur het gesprek afluisteren

„Ik ben benieuwd", zo luidde het sarcastische kommentaar van mijn zus G. „Onze tante is deze keer wild. Ze is wild op jou. Ze móet en zal je hebben. En weet je dan niet dat ook vader niets liever wil dan eindelijk een van zijn twaalf dochters te offeren aan de hemelse Bruidegom? Ik durf niet te voorspellen, hoe dit allemaal zal aflopen". Ze ging weer luisteren naar zr. P. die iets aan het vertellen was aan moeder.

Ik was bang. Had mijn zus een profetisch woord gesproken? Zou ik tóch naar het klooster gaan? „Nee…. dat kan eenvoudig niet", hijgde ik.

Ik kon daar niet langer blijven staan. Stiekum sloop ik de keuken uit. Mijn zussen bemerkten het niet. Die gingen helemaal op in hun poging de gesprekken in de zitkamer te volgen.

Toen ik eenmaal buiten was, rende ik naar mijn geliefde plekje in het bos met rubberbomen rondom ons huis. Het lag tegen de rotsachtige glooiing van ons erf. Ons huis was gebouwd in het midden van 25.000 m2 land. Vader had daar rubberbomen verbouwd. De dikke witte stroop die uit het hart van die bomen naar voren kwam, wanneer ze met messen bewerkt werden, was de bron van onze welstand. Maar weinigen hadden de grote economische waarde van die bomen destijds voorvoeld. Vader had echter wél dat juiste inzicht gehad. Rubber is vanaf 1950 duur geworden. En daardoor behoorden wij tot de aanmerkelijk beter gestelde families dan de gemiddelde boeren van de r.-k. Mar Thoma Malabar — christenen van India.

Die rubberbomen hadden iets fascinerends over zich. Ze vormden een levende, dichte en koele omslotenheid. Met hun grote en dikke stammen en hun weelderig bladerendak gaven ze het idee van een oerwoud. Deze grote bomen waren zeer vriendelijk en verdraagzaam. Andere reuze-bomen dulden geen gewassen in hun onmiddellijke omgeving. Ze zuigen alle sappen weg. Maar de rubberbomen laten rustig allerlei struiken en kleinere planten onder hun geweldige takken voortleven. En die kleine gewassen spreiden daar een groen bed uit voor de mens die er in die schemerige stilte wil mediteren. En wanneer je dan zo op de grond lag, dan was het een adembenemende schoonheid, als je door dat dichte gebladerte heen telkens toch nog plukjes v a n . d e rood-blauwe luchten ontdekte. Het leek of die verdwaalde plekjes lucht door de bladeren heen keken naar ons hart. Het was of hun twinkelende stralen ons zochten en vragen aan ons wilden stellen.

Als ik mij gedeprimeerd en lusteloos voelde, dan ging ik altijd weer naar dat bos van rubberbomen, naar die plek. Dat felle groene leven bedwelmde mij altijd en gaf me weer nieuwe levensmoed.

Toen ik ook deze keer die bepaalde plek in dat rubberbos had bereikt, herleefde ik weer. De strelende koele bries van het woud inspireerde mij. Ik vleide mij neer op die glooiing. Daar hoorde ik de zoete melodie van het water dat door de geul stroomde, die onze bezitting in twee helften verdeelde. Later zou de helft van dat land verdeeld worden: één helft zou door mijn broer geërfd worden en de andere helft zou onder ons, vier dochters, verdeeld worden. Die transaktie zou oorzaak worden van wrijving onder elkaar.

Ik keek naar de stralen die de late namiddagzon deed weerspiegelen in het water van de geul en probeerde alle spanningen van me te laten wegvloeien. Maar plotseling begon een herinnering in mij naar boven te komen en hield mij in haar greep.

Ik beleefde weer de dag van mijn eerste kommunie. Rimpelingen van een dromerige, levendige en hemelse sfeer gingen als golven van die herinnering uit. Wat was dat een mooie, een goddelijke dag geweest! De nonnen zeiden dat mijn ziel en lichaam op die dag geschitterd hadden als een diamant. Mijn tante, zr. P., vertelde mij later dat ze in haar klooster in de geest met mij had meegeleefd en gedeeld had in de vreugde van die eerste feestmaaltijd, waarin ik het vlees en bloed nuttigde van het Lam Gods. Ze had eigenhandig die sneeuwwitte, vlekkeloze sluier gemaakt en die kroon van bloemen die mijn kleine hoofd tooiden. Ze had dat prachtige geschenk gezonden via een andere non, die ons dorp moest aandoen. Ik was in zuivere witte satijn gekleeed op die grote dag. Onze tante had mij reeds eerder op het hart gedrukt dat die witte kleding een zinnebeeld zou zijn van mijn toekomstige huwelijk met het Lam Gods, wanneer ik in het klooster zou treden. Ik begreep toen niet wat ze precies bedoelde. En ook nu nog, nu ik sta midden in de stroom van mijn leven met twee richtingsmogelijkheden, nu ik dan naar rechts dan naar links wordt voortgestuwd, weet ik nog steeds niets van wat een bruiloft eigenlijk inhoudt en wat voor konsekwenties het met zich meebrengt.

Zorgvuldig en langdurig werden wij voorbereid op die dag der dagen, het feest van de Heere. Vanuit dit naar voren geschoven punt van mijn leven kon ik terug zien op die dag en kwamen alle gebeurtenissen tot in bijzonderheden mij weer voor de geest.

Punktueel en met pijnlijke stiptheid verliepen de drie maanden van catechetisch onderricht, waarin mij werd uiteengezet, hoe wij ons door allerlei deugden heen moesten klaar maken voor de komst van Christus in onze harten. Voortdurend kregen we de oproep te horen, dat we heilig moesten zijn om de Heere waardig te kunnen ontvangen.

De drieëndertig vragen en antwoorden van de katechismus moest ik letterlijk van buiten kunnen opdreunen. Daarbij kwamen nog allerlei formuliergebeden. Het begon met het „Kruisteken" en eindigde met „de vier uitersten van de mens". Daartussen in lagen dan verspreid de tien geboden van God, de vijf geboden van de kerk, de gaven van de Heilige Geest, de vruchten van de Heilige Geest, het Onze Vader, het Weesgegroet-Maria, de akte van geloof, van hoop en van liefde enz. enz. Als papagaaien herhaalden we al die formulieren duizenden malen. Al die negentig dagen gebruikten we om die lessen en formuliergebeden erin te stampen.

Tenslotte had ik ze onder de knie en behaalde hoge punten, toen ik overhoord werd. Ik verstond geen grein van al die waarheden van onze kerk, die onder al die formulieren schuilgingen. Maar dat was zo erg niet. Ik was per slot van rekening nog maar zeven jaar. En het ging hier over grote geheimen. De non die ons onderricht gaf, vertelde ons over een zekere Sint Augustinus, die een grote kerkleraar was geweest. Toen die een keer probeerde het geheim van de Drieëenheid te ontrafelen, verscheen hem een engel die hem eenvoudig voor de gek hield en hem de dwaasheid van die poging liet inzien. Nu, zo dacht ik, dan behoef ik toch zeker mij daar geen zorgen over te maken. En ook op dat moment onder het loof van de rubberbomen drukte het mij helemaal niet dat ik niets van die grote geheimen begreep.

Na dat examen over onze kennis van de katechismus begonnen de onmiddellijke voorbereidingen voor onze eerste kommunie. Dat duurde een week. Tot die voorbereiding behoorde allereerst dat we onze zielen zouden moeten reinwassen door het sakrament van de biecht.

Onze brave non deed haar best om ons de bestanddelen van de biecht te verklaren: berouw, onderzoek van het geweten, het voornemen om de zonden niet meer te bedrijven, het verrichten van de door de biechtvader voorgeschreven penitentie enz. Ze leerde ons dat het een groot sakrament is, de grootste van de zeven. (Later begreep ik dat dit nonnetje wel wat erg ver was gegaan in haar lofprijzing van de biecht, want onze Moeder, de Kerk, beschouwt de Eucharistie als het grootste sakrament).

Op de eerste dag van die week vroeg ze ons, of er iemand onder ons was die niet gezondigd had. Meteen ging mijn vinger omhoog. Maar toen de lessen over de zonden tegen de geboden van God en de geboden van de kerk voorbij waren, moest ik erkennen dat ik tegen al die geboden gezondigd had.

Op de dag zelf hadden we vóór de echte biecht een soort „droog-biecht". De non die ons onderricht had gegeven, kroop zelf in de biechtstoel en een voor een moesten we bij haar komen om onze zondenlast voor haar uit te stallen. Toen het mijn beurt was, kon ik mij niet meer inhouden. Ik weende over de zonden die ik bedreven had tegenover mijn goede hemelse Vader. Ik maakte het kruisteken en zei het „Confiteor" (= formulier van de schuldbelijdenis). Toen begon ik mijn zonden uit te spreken. Maar ik was te klein van gestalte en ze verstond mij blijkbaar niet. Ze vroeg mij om op te gaan staan. Dat deed ik en toen fluisterde ik mijn zonden in haar oor: „Ik heb gedood. Ik heb gestolen. Ik heb echtbreuk gepleegd. Ik heb gelogen. Ik heb valse getuigenis gegeven. Ik heb het goed van mijn naaste begeerd. Ik heb de vrouw van anderen begeerd. Ik heb op vrijdag vlees gegeten. Ik ben getrouwd gedurende de tijd dat de kerk het niet toestaat". Zo ratelde ik in een adem door, zodat de biechtmoeder mij niet kon onderbreken. Mijn stem was verstikt door tranen. Ik was zo eerlijk en oprecht in mijn verdriet en berouw, dat de non, ondanks al haar ascetische zelfbeheersing die ze zich in de jaren had eigen gemaakt, zich niet meer kon inhouden en in een luid lachen uitbarstte. Ik was hevig ontsteld. Ik begreep niet, waarom ze zo lachte. Had ik de vereiste formuliergebeden dan niet goed uitgesproken? Later probeerde ze mij duidelijk te maken, dat ik onmogelijk al die zonden kon bedreven hebben.

Op die grote dag, toen ik het heilige vlees gegeten en het heilige bloed gedronken had (volgens de leer van mijn kerk drink je ook het bloed van Christus, ook al eet je alleen van het brood) van mijn Heere en God, zoals dat mij op de tong werd gelegd in de vorm van een kleine, ronde, blanke ouwel, beloofde ik plechtig dat ik een maagdelijke bruid zou worden van mijn hemelse bruidegom, voor de uitboeting van mijn zonden.

Die gedachte dat wij volledige voldoening zouden moeten geven voor onze zonden, had onze non zozeer in doen druppelen in onze geest, dat wij wel het gevoel moesten krijgen, dat we nooit genoeg zouden kunnen doen voor de uitboeting van onze schulden. En daarom werden wij opgezweept om tot dat doel het uiterste in ons te geven.

Na de mis had het gebruikelijke overvloedige ontbijt plaats. We hadden overeenkomstig de voorschriften van de kerk vanaf middernacht niets meer gegeten of gedronken. Een rijke papa van het dorp, van wie ook een kind de eerste kommunie had gedaan, had met een groots gebaar een belangrijke bijdrage geschonken om dit plechtige ontbijt mogelijk te maken.

Na die feestmaaltijd kwamen we bij elkaar rondom het beeld van Onze Lieve Vrouw van de Karmel om ingeschreven te worden in de broederschap van het Heilige Scapulier. De leden van die broederschap ontvangen vele zegeningen van de Moeder Gods zowel tijdens als na hun leven. Ze konden o.a. op het feest van O.L.V. van de Karmel, 16 juli, de „Toties quoties"-aflaat verdienen. Dat hield in dat ze op die dag zo dikwijls als ze dat wilden, een volle aflaat konden verdienen, wanneer ze de kerk binnen gingen, daar zes Onze Vaders en zes Weesgegroeten baden, dan de kerk zouden verlaten, om er weer in terug te komen en opnieuw diezelfde gebeden te verrichten enz. Een ander belangrijk voorrecht was dat degenen die zouden sterven, terwijl ze het kleine scapulier droegen, nooit door Christus, de Zoon van de Moeder van de Karmel, veroordeeld zouden kunnen worden tot de eeuwige dood in de hel. Zelfs al zou zo iemand de grootste zondaar zijn geweest, mits hij dat scapulier bij zich droeg bij zijn sterven, dan zou Maria ervoor zorgen dat hij toch nog de hemel zou mogen binnengaan.

De priester die ons inschreef in de registers van de broederschap, vroeg ons wat wij bij die gelegenheid aan Maria wilden aanbieden. Heel wat jongens antwoordden dat ze hun leven aan Maria wilden wijden door priester of missionaris te worden. Maar er waren er toch ook nog meerderen onder hen die niet zo zeker van hun toekomst waren. Maar toen het de beurt was aan de meisjes om die vraag te beantwoorden, luidde hun verzekering unaniem: Wij willen bruiden van Christus worden door non te worden. De non die ons onderricht had gegeven, was zeer gelukkig met onze eenstemmigheid en ze kreeg een hartelijk woord van waardering van de priester. Maar enkele mannelijke onderwijzers lachten hartelijk. Misschien was dat vanwege de onschuldige glans op onze kindergezichten. Onze eigen familieleden glunderden van voldaanheid.

Toen ik van de kerk terug kwam naar huis, stond mijn vader mij bij de deuropening op te wachten met stralend gezicht en uitgestrekte handen. Hij was niet groot van gestalte, maar hij was sterk gespierd. Zijn armen waren van staal geworden door het voortdurende zware werk in de landbouw. Hij boog zich over mij heen en greep mij bij de schouders. Hij keek mij in de ogen en vroeg hardop: „Zo, dus mijn kleine Celine zal met tante P. naar het klooster gaan?".

„Heel zeker, vader!". Er was geen zweem van twijfel in mij op dat moment. Mijn besluit was gevallen. Ik had reeds mijn woord gegeven aan mijn toekomstige Bruidegom, die op die dag in mijn hart was gekomen door die kleine blanke hostie, door dat stukje doorschijnend brood.

Ik had heel lang met de Heere gesproken, nadat Hij in mijn hart was gekomen. Eerst hadden we samen wat gebeden opgezegd, die geleid werden door een non. Daarna kregen we een kwartier voor stil gebed. Ze hadden ons gezegd dat wij alles van de Heere gedaan konden krijgen gedurende die ogenblikken, omdat we dan volkomen rein waren en dus grote invloed konden uitoefenen op Hem. Ik besteedde die kostbare tijd zo goed mogelijk. Ik praatte maar met de Heere aan één stuk door. Ook toen ik de smaak van het brood reeds lang kwijt was, bleef ik maar praten met Hem. Ik vroeg Hem allerlei dingen. Maar mijn voornaamste verzoek was toch dat ik eens Zijn maagdelijke bruid zou mogen worden en dat Hij mij rein zou bewaren van de smetten van de zondige wereld, waarin ik voorlopig zou opgroeien. En vanzelfsprekend verkondigde ik aan iedereen op die dag de grote beslissing die ik genomen had.

En n u…. ? Wat was er toch met mij gebeurd? Waar ter wereld zou ik ook maar een geldig excuus vandaan kunnen halen, wanneer ik op die beslissing zou terugkomen? Als ik nu de uitnodiging van zr. P. zou afwijzen, wat zou God dan wel niet van mij denken? Tenslotte is zij toch mijn liefhebbende tante. Ze was ook vandaag erg vriendelijk voor me geweest. Zij dacht alleen maar aan mijn toekomstig geluk.

En als ik deze duidelijke roepstem van God zou negeren, zou God dan niet wraak op mij nemen, omdat ik mijn belofte breek die ik vroeger heb afgelegd, ook al was ik toen nog een kind van zeven jaar? Zal Hij mij dan niet de genade van de eindvolharding onthouden? In dat geval zal ik zeker verdoemd worden. Wat zal de Moedermaagd, Maria, doen? Zal ze niet haar moederzorgen van mij terugtrekken? Zal zij dan niet toelaten dat ik op het moment van mijn sterven mijn scapulier niet bij mij draag? En ook Sint Jozef, die de patroon is van het gezinsleven, zal zeer ontstemd over mij zijn. Hij zal mijn ouders niet helpen om een goede man voor mij te vinden. En zo ik al trouwen zou, dan zou ik een man krijgen die een dronkaard is en altijd ruzie met mij zal maken, mijn hele leven lang. Oh nee…. nee…. dát niet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Van achter de IJZEREN muren

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juli 1974

In de Rechte Straat | 32 Pagina's